Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2007:BA9560

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-06-2007
Datum publicatie
13-07-2007
Zaaknummer
R200501049
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In het algemeen geldt dat het bestaan van een familierechtelijke betrekking op zich niet voldoende is om aan te nemen dat sprake is van ‘family life’ in de zin van art. 8 EVRM. De tendens in de jurisprudentie is evenwel dat minder strenge eisen aan naaste bloedverwanten als grootouders worden gesteld voor wat betreft het stellen en aannemelijk maken van bijkomende omstandigheden. Uit recente jurisprudentie van het Europees Hof van de Rechten van de Mens zou zelfs afgeleid kunnen worden dat grootouders zonder meer een door art. 8 EVRM beschermd recht op ‘family life’ hebben. Uit de jurisprudentie volgt voorts dat de context waarin door een grootouder een beroep op art. 8 EVRM wordt gedaan, bepaalt in hoeverre overige bijkomende omstandigheden dienen komen vast te staan, wil dit beroep slagen. Zo zal de aanwezigheid van ‘family life’ tussen grootouders en kleinkinderen eerder worden aangenomen in het kader van een omgangsverzoek dan in het kader van een verzoek om toekenning van het gezag.

In het onderhavige geval staat vast dat oma en de kinderen na het overlijden van de moeder in 1999 tot 2003 regelmatig (eens in de vier à zes weken) contact met elkaar hebben gehad. Daarnaast is uit het raadsonderzoek gebleken dat de kinderen en oma zich elkaar goed en op een positieve wijze kunnen herinneren. Naar het oordeel van het hof kan worden aangenomen dat sprake is van een bijzondere band tussen oma en kleinkinderen die aan te merken is als ‘family life’, temeer nu oma een belangrijke, zo niet de belangrijkste schakel voor de kinderen vormt met hun overleden moeder en derhalve met hun achtergrond.

Nu geen contra-indicaties aanwezig zijn, acht het hof een beperkte omgangsregeling in een voor de kinderen bekende en veilige omgeving (de woning van hun vader) in het belang van de kinderen, zodat zij in staat worden gesteld om ook hun oma van moederszijde te leren kennen en om zich enigszins een beeld van haar te kunnen vormen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2007, 114
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20 juni 2007

Rekestenkamer

Rekestnummer R200501049

GERECHTSHOF ’S-HERTOGENBOSCH

Eindbeschikking

In de zaak in hoger beroep van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellante,

verder te noemen: [X.],

procureur mr. J.W. Weehuizen,

t e g e n

[Y.],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

verder te noemen: [Y.],

procureur mr. C.E.M. Renckens.

Als vervolg van de op 8 december 2005 en 11 mei 2006 door het hof tussen partijen gegeven beschikkingen.

10. De tussenbeschikking van 8 december 2005

Bij die beschikking heeft het hof de raad voor de kinderbescherming (hierna: de raad) verzocht om een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de vraag of er een nauwe persoonlijke betrekking bestaat tussen [X.] en haar twee kleinkinderen, [K.] en [L.], en om in dat kader twee proefcontacten, of zoveel meer als de raad nodig acht, voor te bereiden en te laten plaatsvinden tussen [X.] en de minderjarigen, [K.] en [L.].

11. De tussenbeschikking van 11 mei 2006

Bij die beschikking heeft het hof de raad opnieuw verzocht een onderzoek ter beantwoording van voornoemde vraag in te stellen en om in dat kader proefcontacten, of zoveel meer als de raad nodig acht, voor te bereiden en te laten plaatsvinden tussen [X.] en de minderjarigen [K.] en [L.].

12. Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

12.1. Het hof heeft in vervolg op de stukken, genoemd in de beschikkingen van 8 december 2005 en 11 mei 2006, kennis genomen van de inhoud van:

- de brief van de heer M. Appelboom namens de raad van 19 februari 2007 met als bijlage het rapport van de raad van 14 februari 2007.

12.2. Op 16 mei 2007 heeft een nadere mondelinge behandeling plaatsgevonden. Bij deze gelegenheid zijn partijen en hun advocaten, alsmede mr. H. Werger namens de raad gehoord.

13. De verdere beoordeling

13.1. Uit het rapport van de raad van 14 februari 2007 en het daarbij gevoegde observatieverslag van het begeleide contact tussen [X.] en de kinderen van 12 december 2006 komt het volgende naar voren.

De vraag of er sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking kan naar de mening van de raad bevestigend worden beantwoord. [K.] en [L.] waren nog erg jong toen ze [X.] voor het laatst hebben gezien (2003), maar voor die tijd was er regelmatig contact tussen [X.] en haar kleinkinderen. Gebleken is dat er positieve herinneringen over en weer zijn.

Het begeleide contact tussen [X.] en de kinderen is neutraal verlopen.

[X.] heeft zich belangstellend naar de kinderen getoond en was zichtbaar verheugd hen weer te zien. De kinderen waren meer afwachtend, maar toegankelijk in het contact naar [X.] toe. De communicatie is over en weer onwennig en soms wat stroef verlopen, maar dit kan volgens de raad te maken hebben met het feit dat er lange tijd geen contact is geweest en met het grote leeftijdsverschil en dus een groot verschil in belevingswereld. Daarnaast speelde wellicht de onbekende omgeving en onwennige situatie een rol. Ook wekte [X.] de indruk fysiek vermoeid te zijn. De kinderen maakten zowel voor, tijdens als na het contact met [X.] een spontane en opgewekte indruk.

Naar de mening van de raad kan een beperkt contact tussen [X.] en de kinderen van een uurtje in de drie maanden voor de kinderen belangrijk zijn. [X.] maakt deel uit van hun achtergrond en is, gelet op het feit dat de moeder van de kinderen niet meer in leven is, in die zin belangrijk voor de identiteitsontwikkeling van de kinderen en voor de band met hun afkomst. Het door de raad genoemde contact zou echter wel de nodige inzet vragen van [Y.] en de familie. Kan deze inzet niet gegeven worden, dan zal het contact alleen maar onrust en spanning oproepen voor de kinderen, hetgeen niet in hun belang is.

De conclusie van de raad is dat het belang van de kinderen zich niet verzet tegen omgang met [X.], mits de uitvoering hiervan niet te belastend is voor de kinderen.

13.2. [X.] heeft ter zitting aangegeven zich te kunnen vinden in het advies van de raad.

13.3. [Y.] heeft in zijn brief, als bijlage gevoegd bij voornoemd raadsrapport, en ter zitting bezwaren geuit tegen het advies van de raad. Naar zijn mening kan geenszins uit de stukken worden afgeleid dat sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking tussen [X.] enerzijds en [K.] en [L.] anderzijds en heeft de raad ontoereikend onderzoek gedaan naar het bestaan van een dergelijke band. [Y.] heeft daarnaast ter zitting naar voren gebracht dat een onbelast contact tussen [X.] en de kinderen vrijwel onmogelijk is. Hij heeft voorts verklaard geen enkele meerwaarde te zien in contact tussen [X.] en de kinderen. Volgens hem zou hierdoor de huidige evenwichtige ontwikkeling van de kinderen juist verstoord worden.

13.4. Het hof overweegt als volgt.

Het verzoek van [X.] tot vaststelling van een omgangsregeling tussen haar enerzijds en [K.] en [L.] anderzijds is gegrond op art. 1:377f BW. Zoals het hof in de tussenbeschikking van 8 december 2005 heeft overwogen, kan [X.] alleen worden ontvangen in haar verzoek, indien tussen haar en de kinderen een nauwe persoonlijke betrekking bestaat, welk begrip op één lijn te stellen is met ‘family life’ in de zin van art. 8 EVRM.

In het algemeen geldt dat het bestaan van een familierechtelijke betrekking op zich niet voldoende is om aan te nemen dat sprake is van ‘family life’. Tevens zal moeten blijken van bijkomende omstandigheden. De tendens in de jurisprudentie is evenwel dat minder strenge eisen aan naaste bloedverwanten als grootouders worden gesteld voor wat betreft het stellen en aannemelijk maken van deze bijkomende omstandigheden. Deze tendens lijkt te zijn gestoeld op de aanname dat een kind er in het algemeen baat bij heeft om met zijn ouders en naaste familie (hechte) banden te hebben. Voor het ontwikkelen van die banden is omgang een onmisbare voorwaarde. Uit recente jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) zou zelfs afgeleid kunnen worden dat grootouders zonder meer een door art. 8 EVRM beschermd recht op ‘family life’ hebben.

Uit de jurisprudentie (zie onder meer zaaknummer R06/110 HR, conclusie A.G. Huydecoper) volgt voorts dat de context waarin door een grootouder een beroep op art. 8 EVRM wordt gedaan, bepaalt in hoeverre overige bijkomende omstandigheden dienen komen vast te staan, wil dit beroep slagen. Dit betekent onder meer dat in het kader van de beoordeling of omgang tussen grootouders en kleinkinderen dient te worden vastgesteld, de aanwezigheid van ‘family life’ eerder zou kunnen worden aangenomen dan wanneer het gaat om toekenning van gezag over kleinkinderen aan grootouders.

In de onderhavige zaak is in ieder geval komen vast te staan dat [X.] en de kinderen na het overlijden van de moeder van de kinderen in 1999 tot in 2003 regelmatig - eens in de vier à zes weken – contact met elkaar hebben gehad. Daarnaast komt uit het raadsrapport naar voren dat de kinderen zich [X.] goed kunnen herinneren en dat het positieve en enigszins gedetailleerde herinneringen betreft. Ook [X.] heeft goede herinneringen aan de kinderen. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, kan naar het oordeel van het hof worden aangenomen dat sprake is van een bijzondere band tussen [X.] en de kinderen die aan te merken is als ‘family life’. Dit geldt temeer nu [X.] een belangrijke, zo niet de belangrijkste schakel voor de kinderen vormt met hun overleden moeder en derhalve met hun achtergrond. [X.] kan aldus worden ontvangen in haar verzoek.

13.5. Aangezien is komen vast te staan dat tussen [X.] enerzijds en [K.] en [L.] anderzijds sprake is van ‘family life’, kan [X.] op grond van art. 1:377f BW een verzoek doen tot vaststelling van een omgangsregeling met de kinderen. De rechter kan het verzoek afwijzen, indien het belang van de kinderen zich verzet tegen toewijzing van het verzoek tot omgang.

Het hof neemt in aanmerking dat uit het raadsrapport is gebleken dat de kinderen zowel voor, tijdens als na het contact met [X.] een spontane en opgewekte indruk hebben gemaakt. Hoewel zij tijdens het proefcontact wat afwachtend waren, waren zij wel toegankelijk in het contact naar [X.] toe. Er zijn in ieder geval geen contra-indicaties gebleken voor omgang.

Het hof acht een beperkte omgangsregeling ook in het belang van [K.] en [L.], zodat de kinderen in staat worden gesteld om ook hun oma van moederszijde te leren kennen en om zich enigszins een beeld van haar te kunnen vormen. Immers, dat is in het belang van de ontwikkeling van de kinderen, nu [X.] een stukje van hun achtergrond is; dit kan zeker belangrijk zijn voor het moment dat de kinderen gaan beseffen dat zij een belangrijke schakel vormt/vormde met hun overleden moeder. [Y.] is van mening dat, gelet op de verstoorde verhouding met [X.] en haar familie, omgang tussen [X.] en de kinderen niet onbelast zal kunnen plaatsvinden. Uit het raadsrapport blijkt echter dat de kinderen niet beïnvloed zijn door negatieve berichten over [X.] en dat [Y.] zich in het kader van het proefcontact tussen [X.] en de kinderen positief naar de kinderen toe heeft opgesteld. Het hof gaat ervan uit dat bij een (beperkte) continuering van contact tussen [X.] en de kinderen [Y.] in staat zal zijn om deze positieve opstelling naar de kinderen toe te handhaven, zodat de kinderen in de gelegenheid worden gesteld onbelast omgang met hun oma te hebben.

Gezien het feit dat er lange tijd (sinds 2003) geen contact heeft plaatsgevonden tussen [X.] en de kinderen en mede gelet op de jonge leeftijd van de kinderen en de gezondheidssituatie van [X.], alsmede gelet op het feit dat het hof beseft dat de omgang door [Y.] als een belasting wordt ervaren, zal de frequentie en de duur van de omgang beperkt zijn en zal de omgang plaatsvinden in een voor de kinderen bekende en veilige omgeving, te weten de woning van [Y.]. [Y.] heeft ter zitting verklaard met het laatste te kunnen instemmen, indien het hof overigens tegen zijn wens in zou besluiten om een omgangsregeling vast te stellen. De omgangsregeling zal inhouden dat [X.] en de kinderen recht hebben op omgang met elkaar gedurende tweemaal per jaar één uur, te weten op de tweede zaterdag in september van 15.00 uur tot 16.00 uur en op de tweede zaterdag in maart van 15.00 uur tot 16.00 uur of op een andere door partijen in onderling overleg te bepalen datum en tijstip. Met het oog op de slechte verstandhouding tussen [Y.] en de overige familieleden van [X.] bepaalt het hof dat [X.] zich door een onafhankelijke derde (dus niet zijnde een familielid) laat brengen en halen.

13.6. De bestreden beschikking van de rechtbank dient aldus te worden vernietigd.

14. De beslissing

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking van de rechtbank Breda van 4 juli 2005;

en opnieuw rechtdoende:

verklaart [X.] alsnog ontvankelijk in haar inleidend verzoek;

bepaalt dat [X.] en de minderjarigen [K.], geboren op [geboortejaar] te [geboorteplaats], en [L.], geboren op [geboortejaar] te [geboorteplaats], gerechtigd zijn tot omgang met elkaar gedurende tweemaal per jaar op de tweede zaterdag in september van 15.00 uur tot 16.00 uur en op de tweede zaterdag in maart van 15.00 uur tot 16.00 uur of op een andere door partijen in onderling overleg te bepalen datum en tijdstip, waarbij de omgang plaatsvindt in de woning van [Y.] en een onafhankelijke derde, niet zijnde een familielid, [X.] brengt en haalt;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Draijer-Udo, Kranenburg en Philips en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 20 juni 2007 in tegenwoordigheid van de griffier.