Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2007:BA9555

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-06-2007
Datum publicatie
13-07-2007
Zaaknummer
R200600513
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2008:BD4377, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2008:BD4377
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wijziging van omstandigheden: ingangsdatum.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12 juni 2007

Sector civiel recht

Rekestnummer R200600513

Zaaknummer eerste aanleg 142806 FA RK 05-647

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Beschikking

in de zaak in hoger beroep van:

[X.]

wonende te [woonplaats],

appellante in principaal appèl,

geïntimeerde in incidenteel appel,

hierna te noemen: de vrouw,

procureur mr. C.F.M.L. van Beukering-Michielsen,

t e g e n

[Y.],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in principaal appel,

appellant in incidenteel appel,

hierna te noemen: de man,

procureur mr. Ph.C.M. van der Ven.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de op 7 juli 2005 en 15 februari 2006 door de rechtbank Breda tussen partijen gegeven beschikkingen, waarvan de inhoud bij hen bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 12 mei 2006, heeft de vrouw verzocht voormelde beschikking van 15 februari 2006 te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het verzoek van de man af te wijzen, althans voor zover het de wijziging betreft voor de periode tot 1 oktober 2004 en de man te veroordelen in de kosten van het geding.

2.2. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 11 juli 2006, heeft de man het verzoek van de vrouw bestreden en verzocht haar te veroordelen in de kosten van deze procedure. Tevens heeft de man hierbij incidenteel appel ingesteld en daarin verzocht voormelde beschikkingen te vernietigen met betrekking tot het oordeel terzake (1) de behoefte van de vrouw, (2) de draagkracht van de man over de periode 9 juli 2001 tot 1 oktober 2004 en (3) de datum waarop de alimentatieverplichting van de man is komen te eindigen en, opnieuw rechtdoende:

a. de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in haar levensonderhoud met ingang van 9 juli 2001 op nihil vast te stellen, althans met ingang van zodanige datum en op zodanig bedrag als door het hof in goede justitie te bepalen;

b. te bepalen dat de alimentatieverplichtingen van de man jegens de vrouw met ingang van 5 december 2003 definitief is geëindigd als gevolg van de samenleving van de vrouw met de heer [Z.] als waren zij gehuwd of als hadden zij hun partnerschap laten registreren;

kosten rechtens.

2.3. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 5 september 2006, heeft de vrouw het verzoek van de man in het incidenteel appel bestreden en verzocht hem te veroordelen in de kosten van het geding.

2.4. De mondelinge behandeling is aangevangen op 26 september 2006 en voortgezet op 8 mei 2007. Bij die gelegenheden zijn partijen en hun advocaten gehoord.

2.5. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de producties, overgelegd bij het beroepschrift en de beide verweerschriften;

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 23 juni 2005;

- de brief met bijlage van de procureur van de vrouw van 24 mei 2006;

- de brief van de procureur van de vrouw van 27 december 2006;

- de brief van de procureur van de man van 28 december 2006;

- de brief van de procureur van de vrouw van 2 januari 2007;

- de brieven van de advocaat van de man van 9 en 11 januari 2007.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift en het verweerschrift, tevens houdende incidenteel appel.

4. De beoordeling

4.1. Partijen zijn op 20 december 1967 met elkaar gehuwd.

De tussen hen gegeven echt¬scheidingsbeschikking van 27 april 2001 van de rechtbank Breda is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand op 9 juli 2001.

4.2. De mondelinge behandeling in de echtscheidingsprocedure heeft plaatsgevonden op 30 maart 2001. Uit hetgeen is gerelateerd in het daarvan opgemaakte proces-verbaal en uit hetgeen daaromtrent wordt overwogen in de echtscheidings- beschikking, zijn partijen toen een door de man de betalen partneralimentatie van ƒ 115.000,-- per jaar (ƒ 9.583,33 per maand) overeengekomen, waarbij de vrouw afziet van het incasseren van huuropbrengsten, van het opnemen van gelden van de gemeenschappelijke privé- en ondernemingsrekeningen en waarbij de vrouw meewerkt aan de tenaamstelling van die rekeningen op naam van de man.

Die door partijen onder die voorwaarden overeengekomen partneralimentatie is door de rechtbank bij de echtscheidings- beschikking vastgesteld.

De partneralimentatie beliep door toepassing van de wettelijke indexering ten tijde van de indiening van het inleidend verzoekschrift € 4.897,62 per maand.

4.3. De man heeft in de onderhavige zaak wijziging gevraagd van deze uitkering met ingang van 27 april 2001, althans 9 juli 2001, althans 1 december 2001, althans 5 december 2003, althans met ingang van een door de rechtbank te bepalen datum, in die zin, dat de uitkering nader wordt bepaald op nihil, althans op een lager bedrag dan het geldende.

De rechtbank heeft, nadat zij op 7 juli 2005 een tussenbeschikking had gegeven, bij eindbeschikking van 15 februari 2006 dit verzoek gedeeltelijk toegewezen.

Zij stelde de bijdrage met ingang van 9 juli 2001 nader vast op € 2.989,-- per maand, het bedrag waaraan de vrouw volgens de rechtbank maximaal aanvullend behoefte had. Voorts stelde zij de bijdrage met ingang van 1 oktober 2004 nader vast op nihil omdat zij vanaf die datum een samenleving van de vrouw met een ander in de zin van artikel 1:160 BW heeft aangenomen. In de tussenbeschikking van 7 juli 2005 had de rechtbank al overwogen dat op grond van het bepaalde in artikel 1:160 de onderhoudsverplichting van de man met ingang van 1 oktober 2004 (van rechtswege) is geëindigd.

4.4. De man heeft zijn inleidende verzoek primair gebaseerd op de stelling dat de echtscheidingsbeschikking van de aanvang af niet heeft voldaan aan de wettelijke maatstaven, doordat daarbij is uitgegaan van onjuiste en onvolledige gegevens.

De rechtbank heeft dit verzoek van de man welwillend gelezen en opgevat als een beroep van de man op de wijzigingsgrond als bedoeld in artikel 1:401 lid 5 BW.

De man heeft in eerste aanleg en in hoger beroep aan zijn verzoek ten grondslag gelegd dat hij tijdens de mondelinge behandeling, welke aan de echtscheidingsbeschikking is voorafgegaan, al had aangegeven dat hij de verzochte partneralimentatie bovenmatig en niet in overeenstemming met zijn draagkracht vond, maar dat hij uiteindelijk heeft ingestemd met de door partijen overeengekomen en door de rechtbank vastgestelde alimentatie van ƒ 115.000,-- per jaar, in de veronderstelling dat de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap op korte termijn - ter zitting van 8 mei 2007 heeft de man gezegd binnen maximaal 6 maanden - zou kunnen worden gerealiseerd, waarna de vrouw niet langer behoefte aan partneralimentatie zou hebben.

4.5. De rechtbank heeft de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw in de bestreden beschikking beoordeeld op een wijze die thans gebruikelijk is (de "hofmethode"), maar zulks ten tijde van de tussen partijen overeengekomen en vastgestelde partneralimentatie nog niet was. De rechtbank is uitgegaan van het netto gezinsinkomen van partijen, vóór hun feitelijk uiteengaan in 1996.

De rechtbank berekende de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw op € 3.019,-- netto (€ 4.585, -- bruto) per maand. De rechtbank hield rekening met inkomsten van de vrouw uit vermogen van € 770, -- netto per maand en met € 250,-- per maand, het bedrag dat de man volgens berekening van de rechtbank in de periode van juli 2001 tot oktober 2004 gemiddeld heeft betaald aan kosten voor de vrouw. Aldus kwam de rechtbank op een aanvullende behoefte van de vrouw van € 1.999,-- netto ( € 2.989,-- bruto) per maand.

Gelet op het grote verschil tussen de geïndexeerde overeengekomen partneralimentatie en de in de bestreden eindbeschikking berekende (aanvullende) behoefte van de vrouw aan partneralimentatie, kwam de rechtbank tot de conclusie dat het er voor moet worden gehouden dat de overeenkomst tussen partijen is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven.

De vrouw bestrijdt dit.

Naar het oordeel van het hof kan grove miskenning niet worden aangenomen.

Daarmee wordt immers bedoeld dat, uitgaande van dezelfde gegevens, er geen duidelijke wanverhouding mag bestaan tussen de onderhoudsbijdrage waartoe de rechter zou hebben beslist en die welke partijen zijn overeengekomen. Het betreft dan gevallen waarin partijen onopzettelijk door onjuist inzicht of onjuiste gegevens van de wettelijke maatstaven zijn afgeweken. In dit verband hebben beide partijen ter terechtzitting van 26 september 2006 desgevraagd verklaard dat zij bij de overeengekomen alimentatie niet hebben beoogd bewust af te wijken van de wettelijke maatstaven.

Welke gegevens partijen destijds bij de overeengekomen alimentatie hebben gehanteerd valt thans niet meer te reconstrueren. Zij hebben daarover geen eensluidend standpunt. Alleen al daarom is de benadering door de rechtbank onjuist. Door de behoefte te berekenen aan de hand van een methode die ten tijde van de overeengekomen alimentatie nog onbekend was, is in elk geval de interpretatie van de gegevens door de rechtbank anders dan de interpretatie daarvan destijds door partijen.

Overigens merkt het hof op dat de rechtbank de huwelijksgerelateerde behoefte in haar beschikking van 7 juli 2005 heeft berekend op een bedrag van € 4.585,-- bruto per maand in 2001 terwijl de overeengekomen alimentatie van ƒ115.000,-- bruto per jaar neerkomt op een bedrag van € 4.348,73 bruto per maand in 2001, zodat niet valt in te zien waarin die wanverhouding kan worden gevonden. Dat de man nadien betalingen ten behoeve van de vrouw heeft gedaan en dat de vrouw nadien de beschikking heeft gekregen over vermogen waaruit zij inkomsten heeft kunnen genereren leidt er niet toe dat de in 2001 overeengekomen alimentatie (destijds) is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven, maar zou in beginsel een wijziging van omstandigheden kunnen opleveren waardoor de overeengekomen alimentatie niet langer aan de wettelijke maatstaven voldoet.

Zonder nadere toelichting, en die ontbreekt, valt overigens de onredelijkheid van de overeengekomen alimentatie niet in te zien, nu deze ongeveer op het niveau lag van het salaris dat de vrouw voorheen verdiende als directrice van de onderneming. Na haar vertrek uit de onderneming was dat salaris niet langer verschuldigd met een te verwachten hoger bedrijfsresultaat als gevolg daarvan. De huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw is door de rechtbank vastgesteld bij de tussen- beschikking, waarvan beroep. Tijdens de terechtzitting van 8 mei 2007 heeft het hof de advocaat van de man tot tweemaal toe voorgehouden dat in het verweerschrift, tevens houdende incidenteel appel, daartegen geen grief is aangevoerd. Daarin heeft de man geen aanleiding gevonden een dergelijke grief alsnog mondeling te formuleren. Niets van hetgeen door en namens de man tijdens die zitting wel naar voren is gebracht kan naar het oordeel van het hof worden uitgelegd als een tegen de behoefte gerichte grief.

Naar het oordeel van het hof heeft de man ook overigens niet voldaan aan de op hem rustende stelplicht, zodat het bestaan van een hier bedoelde wanverhouding niet aannemelijk is geworden.

Anders dan de man zelf stelt kan er naar het oordeel van het hof niet van worden uitgegaan dat hij in 2001 een dermate onjuist of onvolledig inzicht in zijn eigen financiële situatie had, dat hij zijn mogelijkheden tot betaling van partneralimentatie onjuist heeft ingeschat. Om dit aannemelijk te achten heeft de man onvoldoende gesteld. Naar het oordeel van het hof heeft de man voorts tegenover de betwisting daarvan door de vrouw niet aannemelijk gemaakt en is ook anderszins niet aannemelijk geworden, dat partijen zouden hebben beoogd dat de overeengekomen partneralimentatie slechts voor een korte periode zou hebben te gelden.

4.6. Ten slotte heeft de man ook na de overeengekomen alimentatie opgetreden wijzigingen van omstandigheden aan zijn wijzigingsverzoek ten grondslag gelegd.

De man beroept zich op de volgende wijzigingen.

1. De vrouw kreeg in december 2001 na partiële verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap (verkoop van een perceel grond aan een derde in juni 2001) de beschikking over een bedrag van € 310.328,95.

2. De vrouw ontving tot augustus 2001 huurpenningen.

3. De man heeft diverse kosten voor de vrouw doorbetaald.

4. De man is met ingang van 1 januari 2002 op de gemeenschappelijke rekening-courant schuld van partijen in privé aan de holding gaan aflossen.

4.7. De vrouw heeft tijdens de zitting van 8 mei 2007 de meest in het oog springende wijziging (die onder 1.) erkend.

In beginsel betekent dit, dat behoefte en draagkracht vanaf december 2001opnieuw zouden moeten worden beoordeeld, althans indien en voor zover wijziging van de alimentatie in het onderhavige geval met de door de man

verzochte terugwerkende kracht – waartegen de vrouw zich uitdrukkelijk heeft verzet – toelaatbaar zou moeten worden geacht.

De wijzigingen waarop de man zich beroept hebben zich alle voorgedaan vanaf jaren vóór de indiening van het inleidend rekest op 15 februari 2005. Het betreft bovendien allemaal wijzigingen aan de zijde van de man, althans wijzigingen die

met zijn medewerking hebben plaatsgevonden, wijzigingen derhalve waarvan hij al gedurende lange tijd op de hoogte was.

De man heeft ter terechtzitting van 8 mei 2007 erkend dat hij vanaf 1998 weer de beschikking had over alle financiële stukken met betrekking tot de onderneming en dat de vrouw vanaf dat moment geen enkele bemoeienis meer heeft gehad met

de boekhouding. Met betrekking tot zijn inkomen moet er daarom van worden uitgegaan dat de man daarin voldoende inzicht heeft gehad, althans had kunnen hebben.

Niettemin heeft de man tot medio februari 2005 gewacht met de indiening van zijn wijzigingsverzoek. Daarvoor heeft hij naar het oordeel van het hof geen enkele aanvaardbare reden gegeven. De vrouw hoefde er in redelijkheid geen

rekening mee te houden dat de man wijziging van zijn alimentatieverplichting met terugwerkende kracht zou verzoeken. In elk geval kon de man er niet van uitgaan, dat de vrouw daarmee zou instemmen, gelet op de gebleken vele pogingen van de

vrouw om tot invordering van de achterstallige alimentatie te komen, nadat de man in december 2001 met betaling was gestopt. Voldoende aannemelijk is dat daarmee voor de vrouw zeer aanzienlijke kosten gemoeid zijn geweest. Zij heeft

ter zitting van 8 mei 2007 onbetwist verklaard dat dit er mede de oorzaak van is geweest dat haar thans nagenoeg niets meer resteert van voormeld bedrag van ruim € 310.000,--.

Gelet op bovenvermelde omstandigheden, bezien in onderling verband en samenhang, bestaat er naar het oordeel van het hof geen reden om een eventuele wijziging van de alimentatie eerder dan per 15 februari 2005 te doen ingaan.

Omdat de onderhoudsverplichting al daarvóór, namelijk per 1 oktober 2004 van rechtswege is komen te vervallen, komt het hof aan een nieuw onderzoek naar de financiële omstandigheden van partijen niet toe.

4.8. Dat er, zoals de man stelt, tussen de vrouw en de heer [Z.] al vóór 1 oktober 2004 sprake was van een situatie als bedoeld in artikel 1:160 BW, die voldoet aan alle daaraan op grond van de op dit punt bestaande jurisprudentie te

stellen criteria, heeft de man naar het oordeel van het hof tegenover de betwisting daarvan door de vrouw niet aannemelijk gemaakt en evenmin (voldoende gespecificeerd) te bewijzen aangeboden.

4.9. Na het vorenstaande behoeven de grieven van partijen geen nadere afzonderlijke bespreking.

4.10. Partijen zijn gewezen echtgenoten. Daarin vindt het hof aanleiding de op in beide instanties gevallen proceskosten tussen hen te compenseren als na te melden.

5. De beslissing

Het hof:

in principaal en in incidenteel appel:

vernietigt de op 7 juli 2005 en 15 februari 2006 door de rechtbank Breda tussen partijen gegeven beschikkingen;

opnieuw rechtdoende:

stelt vast dat de onderhoudsverplichting van de man ten opzichte van de vrouw met ingang van 1 oktober 2004 van rechtswege is geëindigd;

wijst af het meer of anders verzochte;

compenseert de in beide instanties gevallen proceskosten tussen partijen aldus, dat ieder van hen de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Soest-van Dijkhuizen, Lamers en Van Zinnen en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 12 juni 2007 in tegenwoordigheid van de griffier.