Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2007:BA9550

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
23-05-2007
Datum publicatie
13-07-2007
Zaaknummer
R200601188
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek van meerderjarige dochter om vader te veroordelen tot nakoming van bij tussen de ouders gesloten echtscheidingsconvenant ten aanzien van de kinderen overeengekomen alimentatiebetaling, ook na het meerderjarig worden van die kinderen.

Beslissing Hof: Dochter kan nakoming vragen. "

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 395a
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 253
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2007, 113
JPF 2007/101 met annotatie van BER
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

JvdP

23 mei 2007

Sector Civiel recht

Rekestnummer R200601188

Zaaknummer eerste aanleg 148957 FA RK 05-3025

GERECHTSHOF ’S-HERTOGENBOSCH

Beschikking

In de zaak in hoger beroep van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellante,

de dochter,

procureur mr. A.A.H.M. van der Wijst,

t e g e n

[Y.],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

de vader,

procureur mr. Ph.C.M. van der Ven.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank te Breda van 18 juli 2006, waarvan de inhoud bij partijen bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 16 oktober 2006, heeft de dochter verzocht de beschikking, waarvan beroep, te vernietigen en opnieuw rechtdoende primair de vader te veroordelen tot nakoming van het echtscheidingsconvenant, getekend op 18 november 1996 en de vader te veroordelen om vanaf 12 januari 2005 aan de dochter een bijdrage in haar levensonderhoud te voldoen van € 633,44 per maand en

subsidiair: voor recht te verklaren dat de vader op grond van een (in een rechtens afdwingbare verbintenis omgezette) natuurlijke verbintenis gehouden is om vanaf 12 januari 2005 aan de dochter een bijdrage in haar studiekosten van € 633,44 per maand bij vooruitbetaling te voldoen en de vader ook te veroordelen tot betaling aan de dochter van een bedrag van

€ 633,44 per maand vanaf 12 januari 2005.

2.2. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 11 december 2006, heeft de vader verzocht de dochter in haar verzoek niet ontvankelijk te verklaren, althans het beroep van de dochter af te wijzen met veroordeling van haar in de kosten van de procedure in hoger beroep.

2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 14 april 2007. Bij die gelegenheid zijn de dochter, de vader en hun advocaten gehoord.

2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de producties, overgelegd bij het beroepschrift

- het proces-verbaal van de behandeling in eerste aanleg d.d. 15 februari 2006, met daaraan gehecht de ter zitting in eerste aanleg door de advocaat van de man overgelegde pleitnotitie;

- de brief met bijlagen van 1 maart 2007 van de advocaat van de vader.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift.

4. De beoordeling

4.1. De dochter is op [geboortejaar] te [geboorteplaats] geboren uit het inmiddels ontbonden huwelijk van de vader en mevrouw [Z.], hierna te noemen: de moeder.

Bij beschikking van de rechtbank Amsterdam van 18 december 1996 is de echtscheiding tussen de vader en de moeder uitgesproken en die beschikking is op 30 januari 1997 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

4.3. De vader en de moeder hebben de gevolgen van de echtscheiding geregeld bij echtscheidingsconvenant d.d. 18 november 1996.

In dat echtscheidingsconvenant zijn de vader en de moeder ten aanzien van hun kinderen onder punt 4.9. ondermeer en voor zover in deze procedure nog van belang het navolgende overeengekomen:

“Indien het kind de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt en nog immer studeert zal de man in onderling overleg met het kind een financiële regeling treffen met betrekking tot een bijdrage in het levensonderhoud”.

4.4. Bij het dit geding inleidend verzoekschrift heeft de dochter verzocht de vader te veroordelen tot nakoming ten opzichte van haar van hetgeen de vader en de moeder in de hiervoor genoemde passage zijn overeengekomen en derhalve de vader te veroordelen om aan de dochter vanaf 12 januari 2005 een bijdrage in haar levensonderhoud te voldoen van € 633,44 per maand.

Subsidiair heeft de dochter verzocht te verklaren voor recht dat de vader op grond van een natuurlijke verbintenis een verplichting tot het verstrekken van een studietoelage jegens de dochter heeft en mitsdien dient te worden veroordeeld tot betaling van een bijdrage van € 633,44 per maand vanaf 12 januari 2005.

De vader heeft zich tegen inwilliging van dit verzoek verzet.

4.5. De rechtbank heeft bij de beschikking waarvan beroep, bepaald dat de vader met ingang van 1 maart 2006 aan de dochter als bijdrage in de kosten voor de sportschool zal voldoen een bedrag van € 50,-- per maand en het verzoek van de dochter voor het overige afgewezen.

4.6. De dochter is het niet eens met die beslissing en in hoger beroep heeft zij daartegen vier grieven aangevoerd. De vader heeft zich daartegen verweerd.

4.7. Aan de orde is allereerst de vraag wat de juridische grondslag is van het verzoek van de dochter om de vader te veroordelen tot nakoming van voornoemd echtscheidingsconvenant, met name tot nakoming van artikel 4.9. daarvan en of de dochter een beroep kan doen op nakoming van het convenant

4.8. Daartoe overweegt het hof als volgt.

4.10. Tussen partijen staat vast, dat de dochter haar HBO-opleiding heeft afgerond per 12 juli 2006. Zij heeft daaromtrent gesteld dat zij vanaf die datum geen aanspraak meer maakt op een bijdrage in de kosten van haar studie. Dat impliceert dat thans nog uitsluitend aan de orde is de door de man op grond van voormeld convenant te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van de dochter gedurende de periode van 12 januari 2005 - dat datum waarop de dochter de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt - tot 12 juli 2006.

4.11. Het hof heeft ter zitting in hoger beroep aan de vader met betrekking tot de juridische grondslag voorgelegd de vraag of de door de dochter aan hem geschreven brief van 7 mei 2002 gezien kan worden als een acceptatie van het door de vader en de moeder ten behoeve van de kinderen gemaakte beding onder artikel 4.9. van het echtscheidingsconvenant.

4.11.1. Zijdens de vader is ter zitting erkend dat de voormelde brief van de dochter kan worden gezien als een acceptatie van dat beding.

4.12. Nu ook het hof van mening is dat de inhoud van die brief als een zodanige acceptatie kan worden beschouwd, ligt naar het oordeel van het hof de juridische grondslag van het verzoek van de dochter genoegzaam vast. Door de acceptatie van het vorenbedoelde beding is de dochter thans gerechtigd om van de vader nakoming van het genoemde beding te verzoeken.

4.13. De vader heeft betoogd dat de dochter haar recht om van de vader nakoming van het tussen de vader en de moeder gesloten echtscheidingsconvenant te vragen heeft verwerkt, doordat zij heeft geweigerd met de vader in overleg te treden omtrent een door hem te betalen bijdrage in haar kosten van levensonderhoud en studie vanaf 12 januari 2005 en door haar gedragingen jegens de vader gedurende de periode tot die datum.

Daaromtrent overweegt het hof het volgende

4.14. Ten tijde van het sluiten van bedoeld convenant hadden de vader en de moeder twee minderjarige kinderen, te weten de dochters [X.] en [A.].

4.14.1. Artikel 4.9. van het convenant geeft naar het oordeel van het hof duidelijk de strekking weer van hetgeen de vader en de moeder met betrekking tot de onderhoudsbijdrage voor hun kinderen vanaf hun meerderjarigheid voor ogen stond, te weten dat de vader vanaf die meerderjarigheid ten behoeve van de kinderen indien zij nog zouden studeren een onderhoudsbijdrage c.q. bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie zou (blijven) voldoen.

4.14.2. Dat de vader dit ook zo heeft opgevat blijkt uit het feit dat de vader voor de kinderen vanaf het moment dat zij 18 jaar zijn geworden maandelijks onderhoudsbijdragen is blijven voldoen tot het moment dat de kinderen 21 jaar oud zijn geworden en dat hij voor [A.], die inmiddels 21 jaar is, ook op dit moment een bijdrage in de kosten van haar studie betaalt.

4.14.3. De vader heeft in hoger beroep gesteld dat hij gestopt is met de betaling van een bijdrage ten behoeve van [X.], niet zo zeer vanwege het feit dat de tekst van artikel 4.9. van het convenant op dat punt onduidelijk was, doch uitsluitend vanwege het feit dat de dochter weigerde in overleg met de vader te treden ter bepaling van het bedrag waarmee hij een bijdrage zou leveren in de kosten van de studie van de dochter.

4.15. Ter zitting in hoger beroep is gebleken dat de dochter kort na de echtscheidingsbeschikking, toen zij 14 jaar oud was, in het kader van de omgangsregeling incidenteel contact met de vader heeft gehad en dat zij vervolgens aan de vader te kennen heeft gegeven voorlopig geen contact met hem te willen.

4.15.1. De dochter heeft ter zitting in hoger beroep gesteld dat er voor haar destijds zwaarwegende redenen waren om tijdelijk geen contact met de vader te willen.

De dochter heeft te dier zake aangevoerd dat er, voorafgaande aan de echtscheiding van haar ouders, grote spanningen waren in het gezin, waarvoor zij zich mede verantwoordelijk achtte en waarover zij zich schuldig voelde.

De dochter heeft onweersproken gesteld dat zij tengevolge van die grote spanningen in het kader van ondertoezichtstelling uit huis is geplaatst in een inrichting ter observatie. Doordat weinig contact met haar werd onderhouden voelde zij zich door haar ouders in de steek gelaten. Zij heeft dit vooral haar vader aangerekend. Uit die observatie is niets gebleken van enige noodzaak tot behandeling. Nadat de uithuisplaatsing was geëindigd en zij in het gezin van haar ouders was teruggekeerd, werd zij geconfronteerd met de echtscheiding van haar ouders. Achteraf constateerde zij dat zij niet de oorzaak van de spanningen is geweest doch dat deze lag in de relatie tussen haar ouders, waarvan zij de dupe is geworden.

4.15.2. .De dochter heeft genoegzaam aannemelijk gemaakt dat het voorts zeker niet haar bedoeling is geweest het contact met haar vader definitief te verbreken, maar dat zij gedurende een periode, gelet op de daaraan voorafgegane gebeurtenissen, er behoefte aan had enige tijd geen contact met de vader te hebben.

De dochter heeft ook nog aangevoerd, dat zij in een later stadium nog steeds de nodige problemen had met het hiervoor geschetste verleden en haar vaders reactie op haar afwijzing, en dat ook de wijziging van haar achternaam in dat licht moet worden bezien.

4.16. Tussen partijen staat vast dat de vader, na een korte hapering in de beginperiode, ten behoeve van de dochter na het door haar bereiken van de 18-jarige leeftijd, betaling van de onderhoudsbijdrage ten behoeve van de dochter heeft voortgezet. De vader heeft te dien aanzien verklaard dat tussen hem en de dochter met betrekking tot de onderhoudsbijdrage vanaf het moment dat de dochter 18 jaar werd geen rechtstreeks overleg is gevoerd doch dat hij, omdat hij daartoe wettelijk verplicht was, is doorgegaan met de betaling van de bijdrage voor de dochter.

4.16.1. Behoudens enig schriftelijk contact tussen de vader en de dochter hebben zij tot aan deze procedure geen direct contact meer met elkaar gehad.

4.17. Op 29 oktober 2004 heeft de advocaat van de man aan de advocaat van de dochter bij brief kenbaar gemaakt dat de vader niet voornemens was om vanaf 12 januari 2005, het moment waarop de dochter de leeftijd van 21 jaar zou bereiken, nog enige bijdrage in haar levensonderhoud of in de studiekosten te voldoen. Met betrekking tot die brief is voor en na 12 januari 2005 meermaals contact geweest tussen de advocaten van partijen, doch dat heeft niet geleid tot een hervatting van de betalingen door vader. Tussen de dochter en de vader is toen geen rechtstreeks contact geweest. Het niet langer betalen door de vader vanaf het moment dat de dochter 21 jaar werd, is voor de dochter vervolgens aanleiding geweest de onderhavige procedure te starten.

4.17.1. De vader heeft gesteld dat de dochter ten onrechte sedert de voormelde brief negen maanden heeft laten verstrijken alvorens de procedure te starten door het indienen van een verzoekschrift bij de rechtbank. Het hof is van oordeel dat in het licht van het vorenstaande zulks niet aan de dochter kan worden tegengeworpen.

4.18. De vader heeft zich op het standpunt gesteld dat het initiatief tot overleg met de dochter omtrent de onderhouds- bijdrage, van hem is gekomen door zijn brief van 29 oktober 2004. Het hof is van oordeel dat die brief van 29 oktober 2004 niet gezien kan worden als een uitnodiging aan de dochter om met hem in overleg te treden. Wellicht kan worden gesteld dat de vader door die brief heeft bedoeld om op die wijze met de dochter contact te krijgen, doch de dochter kan niet worden verweten dat zij de inhoud van die brief niet als een uitnodiging tot overleg heeft opgevat, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot de geschiedenis van de dochter vanaf het moment dat zij 14 jaar oud was en de wijze waarop die brief was geredigeerd.

4.19. De vader heeft nog aangevoerd dat hij, doordat de dochter geen contact met hem heeft opgenomen, niet op de hoogte was van het feit dat de dochter studeerde en dat hij niet op de hoogte was van de woonsituatie van de dochter.

Het hof is daaromtrent van oordeel dat de vader, gelet op de tussen de advocaten van partijen gewisselde correspondentie, wist althans had kunnen weten dat de dochter studeerde en wat haar woonsituatie op dat moment was. Dat geldt in het bijzonder voor de periode van de procedure in eerste aanleg, tijdens welke procedure hij op de hoogte is gebracht van die persoonlijke omstandigheden van de dochter. Desondanks heeft de vader daarin geen reden gezien betaling van de onderhoudsbijdrage aan de dochter te hervatten.

4.20. Het hof is op grond van alle voormelde omstandigheden van oordeel dat niet gezegd kan worden dat de dochter haar recht om van de vader nakoming van artikel 9.4. van meergenoemd convenant te eisen heeft verspeeld.

Derhalve heeft zij terecht met een beroep op artikel 9.4. van het convenant verzocht om een door de vader te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud en studie gedurende de thans nog aan de orde zijnde periode van 12 januari 2005 tot 12 juli 2006 vast te stellen.

4.21. De dochter heeft de hoogte van de door haar verlangde alimentatie gebaseerd op het voor haar geldende IBG basisbedrag, vermeerderd met extra kosten, hetgeen resulteert in een bijdrage van € 633,44 per maand. De vader heeft zijn draagkracht tot betaling van deze bijdrage niet ter discussie gesteld, zodat die vaststaat.

4.22. Partijen hebben met betrekking tot die bijdrage tot dusver geen regeling kunnen treffen, ofschoon het hof hen daartoe ter zitting in hoger beroep nog de gelegenheid heeft geboden.

In dat verband heeft de vader ter zitting van het hof aangegeven dat hij de over de voormelde periode eventueel door hem te betalen bijdrage niet in zijn geheel ineens kan voldoen, waarbij de dochter heeft aangegeven dat zij dat niet van de vader vergt en dat zij kan instemmen met betaling in maandelijkse termijnen of andere periodieke betalingen.

4.23. Het hof is van oordeel, dat onder de omstandigheden van het geval er aanleiding bestaat om ten aanzien van de hoogte van de bijdrage ten behoeve van de dochter aansluiting te zoeken bij hetgeen hij met dochter [A.] heeft afgesproken en hij ook feitelijk aan haar voldoet.

[A.] is inmiddels 21 jaar, studeert en verkeert overigens in vergelijkbare omstandigheden als de dochter, zij het dat de dochter naast het voormelde basisbedrag nog aan haar medische situatie gerelateerde extra kosten heeft. De behoefte van de dochter is derhalve vergelijkbaar met die van dochter [A.], behoudens de voormelde medische kosten.

4.24. Het hof is van oordeel dat indien tussen partijen overleg zou hebben plaatsgevonden aannemelijk is dat de basisbehoefte van de dochter met inachtneming van het vorenstaande vastgesteld zou zijn op € 400,-- per maand.

Daarnaast heeft de dochter, zoals reeds vermeld, extra medische kosten. Het hof stelt de door de man te betalen bijdrage in die kosten op basis van de daaromtrent van de dochter verstrekte informatie in redelijkheid en billijkheid vast op € 100,-- per maand. De totale behoefte van de dochter bedraagt mitsdien € 500,-- per maand.

De vader heeft ter zitting in hoger beroep nog gesteld, dat van de dochter mocht worden gevergd dat zij tijdens haar studie werkzaamheden verrichtte, waaruit zij inkomsten zou kunnen genieten, welke eigen inkomsten haar behoefte aan een bijdrage van de vader in de bedoelde periode zouden hebben verminderd.

De dochter heeft echter ter zitting genoegzaam aannemelijk gemaakt dat zij in meergenoemde periode op grond van haar medische situatie niet in staat was naast haar studie betaalde arbeid te verrichten. Derhalve zal het hof met eigen inkomsten van de dochter in die periode geen rekening houden.

4.25. In hoger beroep heeft de dochter onweersproken gesteld dat de moeder tijdens de studie aan haar een bijdrage in de kosten voor studieboeken verstrekte van € 150,-- per maand. Om die reden dient de door de man te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van de dochter gedurende de thans aan de orde zijnde periode te worden vastgesteld op een bedrag van € 350,-- per maand.

Daarbij merkt het hof op dat daarin moet worden geacht te zijn begrepen de door de rechtbank vastgestelde door de man te betalen bijdrage aan de dochter voor de kosten van de sportschool ad € 50,-- per maand gedurende de periode van 1 maart 2006 tot en met september 2006. Voor zover de man aan de dochter die bijdrage reeds heeft voldaan, komt deze voor verrekening in aanmerking met de hierna in het dictum vastgestelde bijdrage.

4.26. Het hof is van oordeel dat, gelet op al het vorenstaande, voor een kostenveroordeling van de dochter ten aanzien van de op het hoger beroep gevallen proceskosten, zoals door de vader verzocht, geen termen aanwezig zijn. Gelet op de familierelatie tussen partijen zal het hof de op het hoger beroep gevallen proceskosten tussen hen compenseren.

5. De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking waarvan beroep, behoudens voor zover daarbij de proceskosten werden gecompenseerd;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

bepaalt de door de vader te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van de dochter voor de periode van 12 januari 2005 tot 12 juli 2006 op € 350,-- per maand;

wijst af het meer of anders verzochte;

compenseert de op het hoger beroep gevallen proceskosten tussen partijen aldus, dat ieder van hen de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Draijer-Udo, Philips en van Zinnen, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 23 mei 2007 in tegenwoordigheid van de griffier.