Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2007:BA9546

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-05-2007
Datum publicatie
13-07-2007
Zaaknummer
R200700147
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof stelt in de eerste plaats vast dat aan een met het ouderlijk gezag belaste ouder de omgang met zijn kind niet voor onbepaalde tijd kan worden ontzegd, zoals de rechtbank heeft gedaan. Er kan slechts sprake zijn van een tijdelijke schorsing van het omgangsrecht (HR 31 maart 2006, NJ 2006, 392).

De beschikking van de rechtbank kan dan ook reeds om die reden niet in stand blijven. Ter beoordeling staat derhalve of het recht op omgang van de moeder geschorst dient te worden en, zo ja, gedurende welke periode.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BL

16 mei 2007

Sector civiel recht

Rekestnummer R200700147

Zaaknummer eerste aanleg 68088 / FA RK 05-813

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Beschikking

In de zaak in hoger beroep van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

procureur: mr. J.A.Th.M van Zinnicq Bergmann,

t e g e n

[Y.],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: de vader,

procureur: mr. J.E. Lenglet.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Roermond van 17 januari 2007, waarvan de inhoud bij partijen bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 14 februari 2007, heeft de moeder verzocht, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voornoemde beschikking te vernietigen en rechtdoende in hoger beroep een omgangsregeling vast te stellen waarbij de moeder het recht heeft de kinderen te ontvangen éénmaal per veertien dagen van vrijdagavond 18.30 uur tot zondagavond 18.30 uur en daarbij tevens te bepalen wie de kinderen dient te halen en te brengen, alsmede dat de moeder recht heeft om de kinderen te ontvangen gedurende de helft van de schoolvakanties en de algemeen erkende feestdagen, althans in goede justitie een omgangsregeling vast te stellen, kosten rechtens.

2.2. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 20 maart 2007 heeft de vader verzocht de moeder niet ontvankelijk te verklaren in haar appelschrift dan wel het verzoek van de moeder om voornoemde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende een omgangsregeling te bepalen, af te wijzen en voornoemde beschikking aldus te bekrachtigen.

2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 11 april 2007. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de moeder, bijgestaan door mr. Y.G.M.J. Breukers;

- de vader, bijgestaan door mr. S.J.C. Vaessen;

- mr. B. van der Staak namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad).

De minderjarige [A.] heeft haar mening kenbaar gemaakt in een brief aan het hof.

2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de producties, overgelegd bij het beroepschrift en het verweerschrift;

- de brief van [A.] aan het hof, ingekomen ter griffie d.d. 29 maart 2007.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift.

4. De beoordeling

4.1. Uit het door echtscheiding ontbonden huwelijk van partijen zijn de volgende minderjarige kinderen geboren:

- [A.], geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar];

- [B.], geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar];

- [C.], geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar].

De ouders hebben gezamenlijk het ouderlijk gezag.

4.2.1. Bij echtscheidingsbeschikking van 14 september 2005 heeft de rechtbank onder meer de beslissing omtrent de hoofdverblijfplaats van de kinderen en de omgangsregeling aangehouden in afwachting van nader bericht van de raad.

Bij beschikking van 13 september 2006 heeft de rechtbank onder meer bepaald dat het hoofdverblijf van de kinderen bij de vader zal zijn en de raad verzocht een drietal omgangscontacten tussen de moeder en de kinderen te begeleiden en een advies uit te brengen omtrent de omgangsregeling.

4.2.2. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank het verzoek van de moeder tot vaststelling van een omgangsregeling tussen haar en de drie kinderen afgewezen. De rechtbank heeft de vader een informatieplicht opgelegd, inhoudende dat de vader de moeder één keer per twee maanden dient te informeren over belangrijke aangelegenheden met betrekking tot de kinderen en de moeder dient te raadplegen – zo nodig door tussenkomst van derden – over daaromtrent te nemen beslissingen, alsmede dat de vader éénmaal per half jaar aan de moeder een recente foto van de kinderen moet doen toekomen.

De rechtbank heeft daartoe overwogen dat door de halsstarrige houding van de vader omgang tussen de moeder en de kinderen niet mogelijk is. De schade die aan de kinderen wordt toegebracht door de houding van de vader indien er wel omgang met de moeder is, acht de rechtbank groter dan de schade die de kinderen zullen oplopen als gevolg van het feit dat er geen omgang tussen hen en de moeder plaatsvindt. De rechtbank is van oordeel dat het belangrijk is dat er duidelijkheid en rust in het leven van de kinderen komt gezien de spanningen tussen partijen en de houding van de vader.

4.3.1. De moeder kan zich hiermee voor wat betreft de omgangsregeling niet verenigen en komt hiervan in hoger beroep.

De moeder stelt zich op het standpunt dat het in de gegeven situatie niet zo kan en mag zijn dat het gedrag van de vader en diens beïnvloeding van de kinderen in wezen wordt gehonoreerd door geen omgangsregeling vast te stellen. Daarbij benadrukt zij dat, indien er thans geen omgangsregeling wordt vastgesteld, de schade voor de kinderen uiteindelijk veel groter zal blijken te zijn. Volgens de moeder is het voor een goede ontwikkeling van de kinderen van belang dat zij contact onderhouden met beide ouders, dus ook met hun moeder.

4.3.2. Ter zitting heeft de moeder hier aan toegevoegd dat zij de gevoelens van [A.] begrijpt, maar dat zij nog niet de kans heeft gehad de door haar gemaakte keuzes uit te leggen. De moeder geeft aan dat het op dit moment goed met haar gaat; zij is niet langer depressief, gebruikt geen medicijnen meer, is werkzaam via de Sociale Dienst en zij heeft nog steeds een relatie met [Z.]. De moeder en haar partner wonen niet samen.

De moeder is van mening dat het door de raad begeleide omgangscontact met [B.] en [C.] heel goed verlopen is. Zij heeft hiervan erg genoten.

Tot slot merkt de moeder op dat toen de kinderen van augustus 2005 tot eind januari 2006 bij haar verbleven, sprake is geweest van een valse start. Sedert 28 januari 2006 heeft er geen omgang tussen de moeder en de kinderen plaatsgevonden. De moeder accepteert dat de kinderen hun hoofdverblijf bij de vader hebben. Zij heeft van de vader echter nooit de kans gekregen te laten zien dat zij een goede moeder kan zijn tijdens omgangscontacten.

4.4.1. De vader stelt zich op het standpunt dat de kinderen rust verdienen. Om die reden wenst hij geen medewerking (meer) te verlenen aan omgang tussen de moeder en de kinderen. In de visie van de vader heeft de moeder zich tot tweemaal toe aan een behoorlijke verzorging en opvoeding van de kinderen onttrokken. Vanaf het moment dat de kinderen weer bij hem wonen heeft de vader alles in het werk gesteld om de kinderen weer vertrouwen te laten krijgen en te laten opgroeien in een veilige en beschermde leefomgeving, aldus de vader.

De vader is van mening dat hulpverlening om omgang tot stand te laten komen thans een gepasseerd station is.

4.4.2. Ter zitting heeft de vader hieraan toegevoegd dat het heel goed gaat met de kinderen. Volgens de vader is hulpverlening ten behoeve van de kinderen op dit moment dan ook niet aan de orde. Ook individuele hulpverlening voor hemzelf is in de visie van de vader niet nodig, aangezien hij het verleden achter zich heeft gelaten. De vader geeft aan dat wanneer de kinderen aangeven omgang met de moeder te willen hij dit niet tegen zal houden. De vader is van mening dat de moeder verschillende kansen heeft gehad, maar deze kansen nooit heeft benut. Hij ziet niet in waarom zij nu wederom een kans zou moeten krijgen.

4.5. De raad is van mening dat beide ouders gebaat zouden zijn bij hulpverlening op persoonlijk niveau om hen te leren hun persoonlijke gevoelens ten opzichte van elkaar niet te laten regeren en elkaar te respecteren als ouder. Op dit moment zijn beide ouders de belangen van hun kinderen uit het oog verloren en is de manier waarop zij nu met elkaar omgaan en de kinderen getuige laten zijn van hun strijd schadelijk voor de ontwikkeling van de kinderen. Met name de vader wil de rol van de moeder minimaliseren en haar als ouder vervangen door zijn huidige partner. Volgens de raad gaat de vader voorbij aan het gegeven dat dit ongunstig is voor de sociaal-emotionele ontwikkeling van de kinderen. Hoewel de kinderen op dit moment nog geen problemen lijken te ondervinden, vreest de raad voor problemen op de langere termijn.

Het wantrouwen tussen de ouders heeft zijn weerslag op de kinderen. De raad geeft aan dat de beide ouders moeten gaan inzien dat kinderen niet los staan van hun ouders. Met individuele hulpverlening kunnen de ouders meer zicht krijgen op de situatie en de gevolgen van hun handelen overzien. Hoewel de raad in zijn rapportages verschillende keren op de noodzaak van individuele hulpverlening heeft gewezen, hebben beide ouders dit advies niet ter harte genomen.

Ter zitting heeft de raad nogmaals de noodzaak van individuele hulpverlening voor beide ouders benadrukt. In de huidige situatie moet er in het belang van de kinderen een doorbraak komen. De vader moet leren de kinderen te stimuleren in de omgang met de moeder en de moeder moet haar rol in het geheel gaan inzien. Na individuele hulpverlening kan langzaam begonnen worden met het opbouwen van omgangscontacten tussen de moeder en de kinderen, aldus de raad.

4.6. Het hof overweegt als volgt.

4.7.1. Het hof stelt in de eerste plaats vast dat aan een met het ouderlijk gezag belaste ouder de omgang met zijn kind niet voor onbepaalde tijd kan worden ontzegd, zoals de rechtbank heeft gedaan. Er kan slechts sprake zijn van een tijdelijke schorsing van het omgangsrecht (HR 31 maart 2006, NJ 2006, 392).

De beschikking van de rechtbank kan dan ook reeds om die reden niet in stand blijven. Ter beoordeling staat derhalve of het recht op omgang van de moeder geschorst dient te worden en, zo ja, gedurende welke periode.

4.7.2. Vaststaat dat aan de bestreden beschikking een zeer turbulente periode vooraf is gegaan. In maart 2005 is de moeder om haar moverende redenen uit het gezin vertrokken. Zij had een relatie met de toen 16-jarige [Z.]. De kinderen hebben bij haar gewoond van augustus 2005 tot eind januari 2006. In die periode was de moeder ernstig depressief. [Z.] verbleef – onder meer – in de weekenden bij de moeder. Sedert 28 januari 2006 wonen de kinderen weer bij de vader. De thans 12-jarige dochter [A.] weigert sedertdien ieder contact met de moeder. Zij heeft ook geweigerd mee te werken aan een door de raad begeleid contact. De thans 7-jarige [B.] en de 4-jarige [C.] hebben in november 2006 eenmaal een begeleid omgangscontact met de moeder gehad. Hoewel volgens de observaties van de raad dit contact goed is verlopen, wilden de beide kinderen daarna ook geen contact meer.

Op grond hiervan en gelet op de verdere inhoud van de processtukken en hetgeen ter zitting over en weer naar voren is gebracht, is het hof van oordeel dat het thans niet in het belang van de kinderen is hen te forceren tot omgang met de moeder. [A.] weigert op dit moment ieder contact met de moeder. Gegeven de voorgeschiedenis acht het hof het zeer aannemelijk dat bij [A.] sprake is van ernstig geschonden vertrouwen in de moeder. Nu de jongere [B.] en [C.] meegaan in de weigering van [A.], acht het hof het evenmin in het belang van de jongste twee kinderen thans omgang met de moeder op gang te brengen.

4.7.3. Het hof is met de raad van oordeel dat in het belang van de kinderen thans eerst individuele hulpverlening voor beide ouders noodzakelijk is.

Gebleken is dat de moeder niet in staat is zich te verplaatsen in de belevings- wereld van de kinderen. Zij lijkt niet in te zien wat haar aandeel is in de huidige situatie. Evenmin lijkt zij in te zien dat er van haar veel gevraagd wordt in het op termijn weer herstellen van het geschonden vertrouwen. Zo zal het onder meer nodig zijn dat in geval van hernieuwd contact [Z.], in ieder geval in de aanvangsfase, niet bij de omgang aanwezig zal zijn.

Ook de vader lijkt niet in te zien wat zijn aandeel in de huidige situatie is. De vader lijkt zich daarbij te verschuilen achter de mening van de kinderen. Hij onderkent niet, althans onvoldoende, dat de tussen de ouders – voortdurende – partnerstrijd impact op de kinderen heeft.

Voor de vader pleit dat hij zijn verantwoordelijkheid als opvoeder van de kinderen heeft genomen toen de moeder deze verantwoordelijkheid verzaakte. Hij biedt de kinderen de veiligheid en het vertrouwen die ze nodig hebben. Dit laat echter onverlet dat het in het belang van de kinderen is dat zij op enig moment weer contact en omgang met de moeder zullen hebben. Het hof is ervan overtuigd dat de kinderen loyaal zijn naar de vader als hoofdopvoeder. De vader blokkeert op dit moment echter alle mogelijkheden tot contact en omgang. Hoewel het nu goed lijkt te gaan met de kinderen zijn de gevolgen op de langere termijn mogelijk schadelijk.

Het hof is dan ook van oordeel dat beide ouders meer inzicht moeten krijgen in de behoeften en belangen van de kinderen. Individuele hulpverlening moet de vader ‘leren’ de kinderen te ondersteunen in het opbouwen van het contact met de moeder en moet de moeder meer inzicht geven in zowel de belevingswereld van de kinderen als de vereisten voor een goed herstel van het contact met de kinderen.

4.7.4. Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat de kinderen een periode van rust gegeven moet worden en dat de ouders de gelegenheid gegeven moet worden de noodzakelijke hulp voor henzelf in te schakelen. Daarom zal het hof het recht op omgang voor 6 maanden, en wel tot 1 oktober 2007 schorsen. Het hof is van oordeel dat er daarna enige vorm van omgang dient te komen. Naar het oordeel van het hof heeft de moeder tot nog toe niet de kans gehad te tonen dat zij tijdens de omgangscontacten een goede moeder voor de kinderen kan zijn.

Zij dient deze kans wel te krijgen. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de moeder heeft aangegeven de vader als hoofdopvoeder van de kinderen te accepteren en te vertrouwen.

Vanaf 1 oktober 2007 dient éénmaal per maand gedurende een dagdeel in het weekend omgang tussen de moeder enerzijds en [A.], [B.] en [C.] anderzijds plaats te vinden. Het hof acht het, mede om het geschonden vertrouwen tussen de moeder en de kinderen van partijen te kunnen herstellen, onder de gegeven omstandigheden vooralsnog niet wenselijk dat de partner van de moeder bij de omgangscontacten aanwezig is. De omgangscontacten dienen dan ook langzaam en zorgvuldig opgebouwd te worden. Het ligt op de weg van beide ouders om aan deze omgang invulling te geven. Wanneer de ouders onderling aan deze door het hof opgelegde omgangsregeling geen invulling blijken te kunnen geven, kunnen zij zich tot hun advocaten wenden dan wel een bemiddelaar inschakelen. Dit brengt mee dat de beschikking, waarvan beroep, zal worden vernietigd, voor zover daarbij het verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling is afgewezen en dat zal worden beslist op de in het dictum aangegeven wijze.

5. De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Roermond van 17 januari 2007 voorzover daarbij het verzoek van de moeder tot vaststelling van een omgangsregeling van de moeder met de kinderen van procespartijen:

- [A.], geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar],

- [B.], geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar],

- [C.], geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar],

is afgewezen;

en opnieuw rechtdoende:

schorst het recht op omgang van de moeder met [A.], [B.] en [C.] tot 1 oktober 2007;

bepaalt dat de moeder enerzijds en [A.], [B.] en [C.] anderzijds met ingang van 1 oktober 2007 éénmaal in de maand gedurende een dagdeel in het weekend gerechtigd zijn tot omgang met elkaar, door partijen in onderling overleg nader in te vullen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs Everaars-Katerberg, Smeenk-van der Weijden en Pellis en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 16 mei 2007 in tegenwoordigheid van de griffier.