Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2007:BA9544

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
21-05-2007
Datum publicatie
13-07-2007
Zaaknummer
R200601393
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ingangsdatum nihilstelling kinderalimentatie op 24 maart 2006 in hoger beroep bevestigd. Weliswaar is de man al in juli 2004 met betalingen gestopt en heeft hij de vrouw in november 2004 schriftelijk bericht dat hij niet meer voldoende draagkracht heeft, maar deze brief was niet voorzien van financiële stukken en bevatte geen voorstel voor een ander te betalen bedrag, terwijl de man voorts zonder reden tot maart 2006 heeft gewacht met het indienen van het verzoek tot nihilstelling van de kinderalimentatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WvR

21 mei 2007

Sector civiel recht

Rekestnummer R200601393

Zaaknummer eerste aanleg 72752 / FA RK 06-460

GERECHTSHOF ’S-HERTOGENBOSCH

Beschikking

In de zaak in hoger beroep van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: de man,

procureur mr. Ph.C.M. van der Ven,

t e g e n

[Y.],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: de vrouw.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Roermond van 6 september 2006, waarvan de inhoud bij partijen bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 6 december 2006, heeft de man verzocht de bestreden beschikking te vernietigen voor zover het betreft de ingangsdatum van de wijziging en opnieuw rechtdoende, bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, de door hem te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen van partijen met ingang van 1 juli 2004 vast te stellen op nihil, kosten rechtens.

2.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 16 april 2006. Bij die gelegenheid zijn de advocaat van de man en de vrouw gehoord.

De man is, alhoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

2.3. Het hof heeft voorts kennisgenomen van:

- de producties, overgelegd bij het beroepschrift;

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 15 juni 2006;

- de brief van de minderjarige zoon van partijen, [B.], van 25 maart 2007;

- de brief van de jongmeerderjarige dochter van partijen, [A.], van 25 maart 2007.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift.

4. De beoordeling

4.1. Partijen zijn op 1 juli 1981 te Roermond gehuwd. Uit dit huwelijk zijn de drie navolgende kinderen geboren:

- [A.], op [geboortejaar] te [geboorteplaats];

- [B.], op [geboortejaar] te [geboorteplaats];

- [C.], op [geboortejaar] te [geboorteplaats].

4.2. Bij beschikking van 17 juni 1999 heeft de rechtbank Maastricht de echtscheiding tussen partijen uitgesproken, welke beschikking op 5 augustus 1999 is ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand. Bij diezelfde beschikking is conform het tussen partijen gesloten echtscheidingsconvenant aan de man een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen van fl. 350,- (€ 158,83) per maand opgelegd.

De kinderen hebben hun hoofdverblijf bij de vrouw.

4.3. De man heeft in eerste aanleg verzocht de door hem te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve van [B.] en [C.] met ingang van 1 juli 2004 nader vast te stellen op nihil.

De vrouw heeft hiertegen in eerste aanleg geen verweerschrift ingediend. Zij heeft mondeling verweer gevoerd tijdens de mondelinge behandeling in eerste aanleg.

4.4. Bij beschikking waarvan beroep heeft de rechtbank het tussen partijen gesloten echtscheidingsconvenant betreffende de kinderbijdrage, welk convenant is gehecht aan de echtscheidingsbeschikking van 17 juni 1999, aldus gewijzigd dat de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [B.] en [C.] met ingang van 24 maart 2006 nader wordt vastgesteld op nihil.

De man kan zich in voornoemde beschikking niet vinden voor wat betreft de vastgestelde wijzigingsdatum en komt hiertegen op.

4.5. De man stelt in zijn beroepschrift dat de rechtbank ten onrechte de ingangsdatum van de nihilstelling van de door hem te betalen bijdrage ten behoeve van [B.] en [C.] heeft bepaald op de datum van ontvangst door de vrouw van het wijzigingsverzoek, 24 maart 2006. Hij is van mening dat de nihilstelling reeds op 1 juli 2004 dient in te gaan. De man stelt in dat kader dat hij sinds juli 2004 de ziekte van multiple sclerose heeft en dat hij vanaf juli 2005 een uitkering uit hoofde van een verzekeringsovereenkomst ontvangt van € 1.285,75 bruto per maand. Naar de mening van de man was de vrouw hiervan op de hoogte en heeft zij al eerder dan 24 maart 2006 rekening kunnen houden met een wijziging van de kinderbijdrage. De man voert hierbij aan dat de vrouw al sinds juli 2004 geen kinderbijdrage meer van hem ontvangt en dat zij destijds en tijdens de zitting in eerste aanleg een regeling met hem wilde treffen, inhoudende dat hij nog een half jaar na juli 2004 kinderalimentatie zou betalen. Voorts heeft de vrouw in november 2004 een brief van zijn advocaat ontvangen, waarin zij op de hoogte werd gesteld van het feit dat de man voornemens was om nihilstelling van de kinderalimentatie te verzoeken, aldus de man.

4.6. De vrouw heeft tegen het bovenstaande ter zitting gemotiveerd verweer gevoerd.

4.7. Het hof overweegt als volgt.

Artikel 1:402 BW laat de rechter een grote mate van vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van een (gewijzigde) alimentatieverplichting. Ingevolge vaste jurisprudentie heeft in het algemeen als uitgangspunt te gelden dat de rechter een behoedzaam gebruik dient te maken van zijn bevoegdheid tot wijziging van een bijdrage over een periode in het verleden. Gebruikelijk is dat de ingangsdatum van een alimentatiewijziging wordt bepaald op de datum van indiening van het wijzigingsverzoek ter griffie van de rechtbank (in casu 23 maart 2006), tenzij bijzondere omstandigheden aanleiding geven anders te beslissen. De algemene gedachte daarbij is dat een alimentatiegerechtigde met ingang van de datum van indiening van het wijzigings-verzoek redelijkerwijze rekening heeft kunnen en moeten houden met een eventuele wijziging van de te ontvangen onderhoudsbijdrage.

Vast is komen te staan dat de man in juli 2004 zonder bericht aan de vrouw is gestopt met het betalen van de kinderbijdragen. De vrouw heeft ter zitting onweersproken verklaard dat zij in oktober 2004 hierover telefonisch contact heeft opgenomen met de advocaat van de man. Hierop volgde de door de man overgelegde brief van de advocaat van de man aan de vrouw van 3 november 2004. In deze brief staat vermeld dat de man wegens zijn gewijzigde financiële situatie niet meer voldoende draagkracht heeft om de maandelijkse kinder- en partneralimentatie aan de vrouw te blijven voldoen en dat de man daardoor genoodzaakt is op korte termijn een wijziging van de kinder- en partneralimentatie te verzoeken. Tevens staat in de brief vermeld dat de man bereid is een regeling met de vrouw te treffen om een procedure te voorkomen.

Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw uit voornoemde brief niet kunnen afleiden dat de man in het geheel geen draagkracht meer had om nog enige onderhoudsbijdrage te voldoen. Immers, in de brief is niet opgenomen dat de man voornemens was om een nihilstelling van de door hem te betalen onderhoudsbijdragen te verzoeken. Evenmin kan uit de brief worden opgemaakt in hoeverre hij een wijziging van de onderhoudsbijdragen wenste, dan wel in hoeverre hij een regeling wenste te treffen. Bij de brief waren ook geen stukken met betrekking tot de toenmalige financiële situatie van de man gevoegd.

Voorts neemt het hof in aanmerking dat de man zonder reden - desgevraagd ter zitting kon de advocaat van de man geen reden noemen - tot maart 2006 heeft gewacht met het indienen van het wijzigingsverzoek en dat hij voor het eerst in de procedure in eerste aanleg financiële stukken heeft overgelegd, waaruit blijkt dat hij geen draagkracht meer heeft tot het betalen van enige bijdrage.

Gelet op het voorgaande kan naar het oordeel van het hof niet worden geconcludeerd dat de vrouw eerder dan na ontvangst van het verzoekschrift rekening heeft kunnen en moeten houden met een wijziging van de kinderalimentatie bestaande uit een nihilstelling. Het hof ziet daarom geen reden om uit te gaan van een andere wijzigingsdatum dan de door de rechtbank vastgestelde wijzigingsdatum.

Namens de man is nog gesteld dat uit de geldende jurisprudentie naar voren komt dat de rechter geen behoedzaam gebruik hoeft te maken van zijn bevoegdheid tot wijziging van een onderhoudsbijdrage over een periode in het verleden, indien dit, zoals in het onderhavige geval, geen terugbetalingsverplichting van de onderhoudsgerechtigde tot gevolg heeft. De man baseert voornoemde stelling kennelijk onder meer op de uitspraak van de Hoge Raad van 20 september 2002 (NJ 2003, 47). Een dergelijke interpretatie van deze uitspraak zou echter met zich brengen dat een onderhoudsplichtige door het niet voldoen van zijn onderhoudsverplichting kan bewerkstelligen dat de door hem te betalen bijdrage met terugwerkende kracht wordt gewijzigd. Een dergelijke regel kan aan die uitspraak echter niet worden ontleend. Het hof gaat aldus voorbij aan voornoemde stelling van de man.

De grief van de man faalt.

4.8. Gezien hetgeen hiervoor is overwogen, dient de bestreden beschikking van de rechtbank te worden bekrachtigd.

5. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking van de rechtbank Roermond van 6 september 2006;

Deze beschikking is gegeven door mrs. Everaars-Katerberg, Smeenk-van der Weijden en Walsteijn en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 21 mei 2007 in tegenwoordigheid van de griffier.