Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2007:BA9458

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-06-2007
Datum publicatie
12-07-2007
Zaaknummer
R200700374
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMAA:2007:BA9473, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof is van oordeel dat, ondanks de positieve ontwikkeling die de minderjarige heeft doorgemaakt, de behandeling in het dagcentrum moet worden voortgezet om ook de andere door het dagcentrum geformuleerde doelen ten aanzien van de minderjarige te bereiken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

TvG

26 juni 2007

Sector civiel recht

Rekestnummer R200700374

Zaaknummer eerste aanleg 115084 / OT RK 06-1598

GERECHTSHOF ’S-HERTOGENBOSCH

Beschikking

In de zaak in hoger beroep van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: de vader,

procureur: mr. Ph.C.M. van der Ven,

t e g e n

Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg,

gevestigd te Roermond, mede kantoorhoudende te Sittard,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de stichting.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Maastricht van 11 januari 2007, waarvan de inhoud bij partijen bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 10 april 2007, heeft de vader verzocht de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige [Y.], niet zal worden verleend.

2.2. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 16 mei 2007, heeft de stichting het verzoek van de vader bestreden.

2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 24 mei 2007. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de vader;

- mevrouw [Z.], de moeder;

- de heer Callemeijn en mevrouw Bonekamp namens de stichting.

2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de producties, overgelegd bij het beroepschrift en het verweerschrift,

- de brief met bijlagen van de procureur van de vader van 21 mei 2007;

- het model evaluatieverslag hulpverleningsplan van Xonar, ingekomen ter griffie op 21 mei 2007.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift.

4. De beoordeling

4.1. De ouders zijn gehuwd geweest. Uit dit huwelijk zijn de volgende minderjarige kinderen geboren:

?W., geboren te [geboorteplaats], op [geboortejaar],

[Y., geboren te [geboorteplaats], op [geboortejaar].

De ouders zijn gezamenlijk met het ouderlijk gezag belast.

4.2.1. Bij beschikking van de kinderrechter van 7 november 2005 zijn [W.] en [Y.] voor de termijn van één jaar onder toezicht gesteld met benoeming van de stichting tot gezinsvoogdij-instelling.

4.2.2. De stichting heeft bij brief van 6 april 2006 aan de vader te kennen gegeven in het kader van de uitvoering van de ondertoezichtstelling besloten te hebben een schriftelijke aanwijzing te geven betreffende de verzorging en opvoeding van [Y.]. Deze aanwijzing houdt in dat de vader het ouderlijk gezag zodanig moet aanwenden, dat [Y.] wordt geplaatst in een semi-residentiële voorziening, te weten Xonar dagcentrum (daghulp).

Vervolgens heeft de rechtbank bij beschikking van 11 juli 2006 de stichting een machtiging verleend tot plaatsing van [Y.] in een accommodatie van een zorgaanbieder voor geïndiceerde jeugdzorg tot en met 7 november 2006.

4.2.3. Bij beschikking van 6 november 2006 heeft de rechtbank de termijn verlengd waarbinnen [W.] en [Y.] onder toezicht zijn gesteld van de stichting voor de termijn van één jaar en bij beschikking van 13 november 2006 heeft de rechtbank de stichting een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [W.] en [Y.] voor de duur van vier weken. Bij beschikking van 21 november 2006 heeft de rechtbank bepaald dat de machtiging tot plaatsing van de minderjarigen in een accommodatie van een zorgaanbieder voor geïndiceerde jeugdzorg van kracht blijft tot 13 januari 2007.

4.3.1. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de stichting met ingang van 13 januari 2007 machtiging verleend tot plaatsing van [Y.] in de Boddaertvoorziening en wel als volgt:

wekelijks elke maandag, dinsdag, donderdag en vrijdagmiddag na school tot 18.30 uur en de woensdagmiddag gedurende de uren dat de sociale vaardigheids-training plaatsvindt, een en ander rekening houdende met mogelijk vrije (vakantie) dagen, door Boddaert aan de gezinsvoogd op te geven, gedurende welke dagen [Y.] uiteraard niet naar de daghulp gaat en geen uithuisplaatsing hoeft plaats te vinden.

4.3.2. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het in het belang van [Y.] is dat zijn behandeling in Boddaert wordt voortgezet, waaraan niet afdoet de door Boddaert geuite vrees dat [Y.] meer last dan profijt van de opname zou kunnen hebben. Het is de verantwoording van de ouders om te zorgen dat [Y.] de opname niet als een last ervaart. De behandeling van [Y.] kan, gezien de houding van de vader, alleen plaatsvinden via een machtiging uithuisplaatsing.

4.4. De vader kan zich met deze beschikking niet verenigen en komt hiervan in hoger beroep. Hij voert de volgende grieven aan:

Ten eerste stelt de vader dat het niet in het belang van [Y.] is dat de behandeling in Boddaert wordt voortgezet. De rechtbank is volgens de vader voorbijgegaan aan de door Boddaert geuite vrees dat [Y.] meer last dan profijt van de opname zou kunnen hebben. Zo heeft de stichting de rechtbank bij brief van 8 januari 2007 geïnformeerd dat de medewerkers van de daghulp (Xonar) aangaven dat verlenging van het verblijf van [Y.] geen positief resultaat zal opleveren, aldus de vader.

Ten tweede stelt de vader dat de stichting weigert te kijken naar informatie van derden en dat de rechtbank ten onrechte is meegegaan met de achterhaalde standpunten van de stichting. Volgens de vader gaat de stichting alleen uit van het FORA rapport van 25 mei 2005. Sinds het FORA rapport is een lange periode verstreken. [Y.] is in deze periode opmerkelijk veranderd. Zo blijkt uit een brief van de leerkracht van [Y.] van 24 mei 2006 dat er al veel minder problemen zijn dan het jaar daarvoor; er zijn duidelijke afspraken waaraan [Y.] zich houdt en zijn inzet in de klas is perfect. De school heeft een advies uitge-bracht om [Y.] aan te melden voor speciaal onderwijs.

Momenteel volgt [Y.] ook speciaal onderwijs. Uit zijn rapporten in het schooljaar 2006/2007 blijkt dat zijn sociaal-emotionele ontwikkeling met sprongen vooruit is gegaan, zijn inzet goed is en van agressie geen sprake meer is, aldus de vader.

De vader is van mening dat de sociale vaardigheidstraining en één dag per week naar de daghulp, als ondersteuning bij die sociale vaardigheidstraining, voldoende zijn voor [Y.]. [Y.] moet zich in zijn eigen tempo kunnen ontwikkelen.

4.5. De stichting heeft verweer gevoerd. Volgens de stichting is het in het belang van [Y.] wanneer de plaatsing bij daghulp gecontinueerd wordt. De belasting van [Y.] komt volgens de stichting niet voort uit de aard van de noodzakelijk geachte hulpverlening maar door de opstelling van de vader hierin. In haar brief van 8 januari 2007 heeft de stichting willen beklemtonen hoe ernstig [Y.] klem zit door de strijd tussen de ouders en door de opstelling van de vader jegens de stichting en hulpverlening. Dat [Y.] last zou hebben van hulpverlening is een miskenning van de werkelijke reden van de belasting, aldus de stichting.

Volgens de stichting blijkt uit het FORA rapport dat de vader de mogelijkheden van zijn kinderen overschat en dat de vader onvoldoende zijn eigen betrokkenheid in de problematiek van de kinderen onderkent. Ten aanzien van [Y.] concludeert FORA dat hulpverlening aangewezen is en dat hiervoor minimaal een Boddaert-plaatsing noodzakelijk is.

Voorts stelt de stichting dat het FORA rapport, gezien de nog immer aanwezige problematiek en de opstelling van de vader, nog steeds actueel is. Daarbij heeft de stichting ook informatie van derden ingewonnen, waaronder de school van [Y.]. De leerkracht van [Y.] heeft in een gesprek met de stichting op 31 januari 2007 aangegeven dat zij sinds de plaatsing binnen de daghulp een verbetering ziet in het gedrag van [Y.]. Of het een direct gevolg is van de plaatsing binnen daghulp is volgens de leerkracht niet te zeggen. Het valt [Y.] nog steeds moeilijk in situaties sociaal adequaat te reageren. De school geeft tevens aan dat het voor [Y.] moeilijk is om te gaan met afspraken die op school anders zijn dan thuis.

Daarnaast heeft de stichting elke vier weken overleg met de daghulp en is er vrijwel wekelijks telefonisch contact. Volgens de stichting wordt vanuit de daghulp aangegeven dat [Y.] zichzelf niet mag toestaan het bij de daghulp leuk te vinden omdat de legitimatie van de vader hiertoe ontbreekt.

Ook hebben de gezinsvoogden zelf geprobeerd in contact te komen met [Y.] en [W.]. Helaas kunnen de kinderen zichzelf ook niet toestaan om open met de gezinsvoogden te praten. Vanuit deze constatering geven de gezinsvoogden aan dat beide kinderen ernstig gebukt gaan onder de strikte wijze waarop de vader bepaalt wat er kan en mag.

De stelling van de vader dat de daghulp met hem eens zou zijn dat naast de sociale vaardigheidstraining één dag daghulp toereikend zou zijn, wordt volgens de stichting door de daghulp niet onderschreven. De kwantiteit van het bezoek aan de daghulp kan bij een positieve ontwikkeling natuurlijk wel in een later stadium afgebouwd worden. De daghulp bekijkt thans de mogelijkheid van een frequentie van twee dagen per week gedurende een jaar.

4.6. Ter zitting is uitgebreid stilgestaan bij het evaluatieverslag van Xonar van 7 mei 2007 en het commentaar van vader daarop. Volgens Boddaert heeft [Y.] de afgelopen maanden een positieve ontwikkeling doorgemaakt. Zo heeft hij een aantal sociale vaardigheden geleerd en die kunnen internaliseren door veel oefening. Het gebrek aan sociaal inzicht blijft echter een struikelblok bij [Y.]. Problematisch is dat het niet mogelijk is in gezamenlijke oudergesprekken tot afspraken te komen. Boddaert is van mening dat de begeleiding voortgezet dient te worden, zij het minder intensief dan voorheen. Daartoe heeft Boddaert een aantal doelen geformuleerd. Moeder ziet de noodzaak van voortzetting van de behandeling in en is het eens met de verstrekte machtiging. Vader is het niet eens met voortzetting van de behandeling. Hij ziet het nut er niet van in en is van mening dat de doelen reeds verwezenlijkt zijn. Vader ervaart, blijkens zijn reactie op het evaluatieverslag, niet zodanige problemen met [Y.], dat behandeling gerechtvaardigd is; hij schuift de problemen af op moeder en ziet zijn eigen aandeel in het geheel niet.

Deze houding van vader baart het hof zorgen. Het hof is van oordeel dat, ondanks de positieve ontwikkeling die [Y.] heeft doorgemaakt, de behandeling voortgezet dient te worden teneinde ook de overige doelen te bereiken. Het hof betreurt het dat vader niet ziet dat [Y.] baat heeft bij de behandeling en er nog meer baat bij zou hebben indien vader daar positief tegenover zou staan. Het hof is, gelet op het hiervoor overwogene, van oordeel dat de beschikking van de kinderrechter bekrachtigd dient te worden met dien verstande dat de frequentie van de dagen waarop behandeling noodzakelijk is, kan worden teruggebracht naar 3 dagen per week tot de zomervakantie en 2 dagen per week na de zomervakantie. De grieven van de vader falen derhalve.

5. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Maastricht van 11 januari 2007 met dien verstande dat [Y.] tot aan de zomervakantie 3 dagen per week na school tot 18.30 uur de Boddaertvoorziening bezoekt en na de zomervakantie 2 dagen per week;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Raab, Gründemann en Bijleveld-van der Slikke en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 26 juni 2007 in tegenwoordigheid van de griffier.