Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2007:BA8359

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
29-06-2007
Datum publicatie
29-06-2007
Zaaknummer
20-000104-05
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2008:BF0832, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Art. 289 Sr.: doodslag in Hintham; naar het oordeel van het hof wordt de stelling van de verdediging dat het slachtoffer zichzelf van het leven zou hebben beroofd weersproken door de door het hof gebezigde bewijsmiddelen. Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 10 april 2000 te Hintham, gemeente 's Hertogenbosch, opzettelijk het slachtoffer van het leven heeft beroofd. Het hof ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging en gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat de ter beschikking gestelde van overheidswege zal worden verpleegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-000104-05

Uitspraak : 29 juni 2007

TEGENSPRAAK

Gerechtshof ’s-Hertogenbosch

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 30 december 2004 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers

01/045066-00 en 01/045042-04, tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1957],

wonende te [woonplaats], [adres],

thans verblijvende in P.I. Vught - Nieuw Vosseveld 2 HVB te Vught.

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, verdachte van het onder parketnummer 01/045066-00 primair ten laste gelegde zal vrijspreken, het onder parketnummer 01/045066-00 subsidiair en het onder parketnummer 01/045042-04 ten laste gelegde bewezen zal verklaren en verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren en voorts zal gelasten dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en van overheidswege zal worden verpleegd.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

parketnummer 01/045066-00:

hij op of omstreeks 10 april 2000 te Hintham, gemeente ’s Hertogenbosch, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, de keel van die [slachtoffer 1] met een mes, althans met een scherp voorwerp, doorgesneden, in elk geval met een mes, althans met een scherp voorwerp in de hals/keel van die [slachtoffer 1] gesneden, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 10 april 2000 te Hintham, gemeente ’s Hertogenbosch, opzettelijk

[slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet de keel van die [slachtoffer 1] met een mes, althans met een scherp voorwerp, doorgesneden, in elk geval met een mes, althans met een scherp voorwerp in de hals/keel van die [slachtoffer 1] gesneden, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden.

parketnummer 01/045042-04:

hij op of omstreeks 26 november 2003 te ’s Hertogenbosch [slachtoffer 2] (stagiaire GGz) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers is verdachte toen daar opzettelijk dreigend (al schreeuwend) met gestrekte armen in de richting van (de halsstreek en het hoofd van) die [slachtoffer 2] gerend/gelopen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De raadsman van verdachte heeft bij brief d.d. 13 juni 2007 zakelijk weergegeven opgemerkt, dat het de bedoeling van de verdediging is geweest het verweer te voeren dat het openbaar ministerie in zijn strafvervolging niet-ontvankelijk behoort te worden verklaard, omdat er een ernstige schending van de beginselen van een goede procesorde heeft plaatsgevonden, doordat het foedraal van het vermoedelijk bij het toebrengen van de dodelijke verwondingen gebruikte mes ondanks een opdracht daartoe aan het openbaar ministerie niet op biologische sporen is onderzocht. Dit verweer is echter noch op de terechtzitting van het hof van 11 juni 2007 noch op de terechtzitting van het hof van 15 juni 2007 gevoerd.

Ten overvloede overweegt het hof, dat dit verweer, zo het gevoerd zou zijn, door het hof zou zijn verworpen. Per bief d.d. 6 maart 2006 heeft de raadsman verzocht de plastic hoes (foedraal) uit de keukenlade waarin het mes heeft gezeten, indien deze is veiliggesteld, alsnog op vinger- en/of DNA-sporen te doen onderzoeken. Ter terechtzitting van 16 maart 2006 is aan het openbaar ministerie een gelijkluidende opdracht door het hof gegeven.

Bij het dossier is gevoegd een rapportage van het NFI d.d. 30 maart 2007, waarin naar voren komt dat het bedoelde foedraal is onderzocht op dactyloscopische sporen. Deze sporen zijn niet aangetroffen.

Van enig onderzoek op biologische sporen is niet gebleken

Nu het bedoelde foedraal kennelijk uitsluitend op dactyloscopische sporen en niet mede op biologische sporen is onderzocht, had het foedraal alsnog op biologische sporen kunnen worden onderzocht. Dat dit niet is gebeurd, betekent niet dat dit verzuim onherstelbaar is. Naar het oordeel van het hof is hier evenmin sprake van een zodanig ernstige schending van de beginselen van een goede procesorde, dat dit de niet-ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie zou rechtvaardigen. Dit mede gelet op het feit dat het hof thans van oordeel is, dat de aanwezigheid noch de afwezigheid van (biologische) sporen op het foedraal had kunnen bijdragen aan de beantwoording van de vraag of [slachtoffer 1] zichzelf om het leven heeft gebracht danwel dat verdachte als dader dient te worden aangemerkt. Bedoeld foedraal behoorde immers tot het keukeninventaris van de door verdachte en [slachtoffer 1] gezamenlijk gevoerde huishouding. Gebleken noch gesteld is dat slechts één van beiden normaliter het mes dat zich in het foedraal bevond gebruikte, zodat het al dan niet aantreffen van sporen van de ander enige betekenis zou kunnen hebben.

Het hof acht het niet noodzakelijk het foedraal alsnog op (biologische) sporen te doen onderzoeken en daarmede het verzuim te doen herstellen.

Met betrekking tot het telefonisch onderhoud tussen de officier van justitie en de patholoog anatoom Torenbeek over de inhoud van het deskundigenrapport van Torenbeek - verwezen wordt naar het verhoor van de desbetreffende officier van justitie als getuige op de terechtzitting van 16 maart 2006 - merkt het hof het navolgende op. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat naar aanleiding van het voorlopig sectierapport, met daarin een voorlopige conclusie met betrekking tot de doodsoorzaak op initiatief van de officier van justitie een telefoongesprek tussen de officier van justitie en de patholoog anatoom Torenbeek heeft plaatsgevonden, strekkende tot aanpassing van diens voorlopig sectierapport.

In hoger beroep is door de raadsman in zijn pleidooi niet het verweer gevoerd dat dit gesprek juridische consequenties dient te hebben met betrekking tot de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Wel zijn door de raadsman eerder, ter terechtzitting van 16 maart 2006, ter gelegenheid van het voordragen van het verzoek tot wraking van de leden van het hof en later, tijdens het pleidooi zelf, opmerkingen gemaakt waaruit naar voren komt dat hij zich met de onderhavige gang van zaken zoals deze uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen niet, althans nauwelijks kan verenigen.

Ambtshalve merk het hof op, dat het hof evenals de rechtbank van oordeel is dat het telefonisch onderhoud tussen de officier van justitie en Torenbeek verdachte niet in zijn belangen heeft geschaad, nu zowel het door Torenbeek opgemaakte voorlopige sectierapport d.d. 11 april 2000 als het definitieve door Torenbeek opgemaakte sectierapport d.d. 30 mei 2000 aan het dossier zijn toegevoegd. Dat het maken van opmerkingen ter gelegenheid van het requisitoir met betrekking tot de inhoud van het deskundigenrapport ook naar het oordeel van het hof eerder in de reden had gelegen dan het telefonisch aan de deskundige mededelen wat naar het oordeel van de officier van justitie al dan niet tot het terrein van de deskundige behoort, behoeft geen nader betoog.

Naar het oordeel van het hof brengt het vorengaande derhalve niet de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie met zich mee, noch noopt dit tot enige andere reactie.

Nu ook overigens geen feiten of omstandigheden zijn aangevoerd of anderszins aannemelijk zijn geworden die zouden moeten leiden tot niet-ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie, is het openbaar ministerie ontvankelijk in de vervolging.

Vrijspraak

Het hof is van oordeel dat bij gebrek aan voldoende wettige bewijsmiddelen niet kan worden bewezen, dat verdachte op 10 april 2000 te Hintham, gemeente ’s Hertogenbosch, met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, zodat hij van het onder parketnummer 01/045066-00 primair ten laste gelegde zal worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder parketnummer 01/045066-00 subsidiair en het onder parketnummer 01/045042-04 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

parketnummer 01/045066-00 subsidiair:

hij op 10 april 2000 te Hintham, gemeente ’s Hertogenbosch, opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet de keel van die

[slachtoffer 1] met een mes doorgesneden, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden.

parketnummer 01/045042-04:

hij op 26 november 2003 te ’s Hertogenbosch [slachtoffer 2] (stagiaire GGz) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers is verdachte toen daar opzettelijk dreigend

(al schreeuwend) met gestrekte armen in de richting van de halsstreek en het hoofd van die [slachtoffer 2] gerend.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan zal worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

Met betrekking tot het onder parketnummer 01/045066-00 subsidiair ten laste gelegde overweegt het hof het navolgende.

I. Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen komt het volgende naar voren.

- Op 10 april 2000 omstreeks 11:10 uur wordt door de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2], respectievelijk agent en hoofdagent van politie regio Brabant Noord, van de regionale meldkamer een melding ontvangen met het verzoek zich te begeven naar de woning gelegen aan de [adres] te [woonplaats], gemeente ‘s Hertogenbosch. Via het alarmnummer 112 had een persoon gebeld met de mededeling dat hij zijn vriendin met doorgesneden keel had aangetroffen.

- Ter plaatse treffen de genoemde verbalisanten in het halletje van de woning het levenloze lichaam van een vrouw. Dit blijkt te zijn [slachtoffer 1].

- Uit het sectieverslag blijkt dat [slachtoffer 1] ten gevolge van massaal bloedverlies na de inwerking van uitwendig mechanisch klievend geweld, zoals kan worden opgeleverd door een snijbeweging met een scherp voorwerp, bijvoorbeeld een mes, is overleden. Er was een halssnede met een lengte van 16 centimeter, met de linker punt 3 centimeter links van het midden en de rechter punt rechts zijwaarts in de hals. De rechter gemeenschappelijke halsslagader was geheel doorkliefd. Er zijn geen zogenaamde aarzelingsneden geconstateerd.

- Blijkens de op 16 maart 2006 ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring van de deskundige A. Maes, patholoog, is het niet waarschijnlijk dat [slachtoffer 1] de snede in haar hals zelf heeft toegebracht, hetgeen bevestiging vindt zowel in het rapport van drs. S.J.M. Schieveld, forensisch geneeskundige, d.d. 10 oktober 2003, waarin zij concludeert, dat de hypothese dat de verwonding in de hals niet door [slachtoffer 1] zelf is toegebracht, wordt ondersteund door de resultaten van het opsporingsonderzoek en statistische gegevens, als in het rapport van ing. R, Eikelenboom d.d. 22 oktober 2003, waarin hij concludeert dat het totale bloedsporenbeeld verenigbaar is met de stelling dat het bij [slachtoffer 1] aangetroffen letsel door een ander is toegebracht.

- De verklaring van verdachte, dat hij op 10 april 2000 rond 09:00 uur de genoemde woning heeft verlaten en bij thuiskomst rond 11:00 uur het levenloze lichaam van [slachtoffer 1] heeft aangetroffen en dat hij in de tussentijd wegens de door hem op die dag afgelegde route niet in de woning kan zijn geweest, is nagegaan. Door de verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4], respectievelijk inspecteur en brigadier van regiopolitie Brabant Noord, is op 27 februari 2007 - in het bijzijn van de raadsman van verdachte - de route die verdachte op 10 april 2000 tussen 09:00 uur en 11:00 uur zegt te hebben afgelegd, nagefietst. Er is hierbij geen rekening gehouden met een korte wandeling die verdachte op 10 april 2000 heeft gemaakt met [getuige 1] en met een door verdachte op die dag gevoerd gesprek in het Bisschoppelijk Paleis. Voornoemde verbalisanten hebben gerelateerd, dat de rit, waarbij met een gemiddelde snelheid van 11,8 km/h een afstand van 10.44 km werd afgelegd, in totaal 53 minuten heeft geduurd. Houdt men rekening met de hiervoor genoemde korte wandeling (5 minuten) en met het gesprek in het Bisschoppelijk Paleis (10 minuten) dan komt men op 1 uur en 8 minuten.

- Uit de op de broek en de schoenen van verdachte aangetroffen bloedsporen - welk bloed blijkens DNA-onderzoek van [slachtoffer 1] afkomstig is - kan blijkens het rapport van ing. R. Eikelenboom d.d. 22 oktober 2003 worden geconcludeerd, dat verdachte ten tijde van het ontstaan van de bloedspatten in de buurt van het slachtoffer is geweest en voorts dat het slachtoffer nog in leven was op het moment dat die bloedspatten zijn ontstaan.

- Verdachte heeft verklaard dat [slachtoffer 1] en hij de vaste gewoonte hadden bij zowel het verlaten als het binnenkomen van de woning het slot van de voordeur op het nachtslot te draaien, dat de deur van de woning op 10 april 2000 bij zijn thuiskomst op slot zat, dat buiten zijn moeder om niemand een sleutel van de woning kan hebben en dat hij nimmer een huissleutel is kwijtgeraakt. Op 10 april 2000 zijn er aan de voordeur en deurstijlen van de genoemde woning geen braaksporen aangetroffen.

Uit de genoemde feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang en (tijds)verband bezien en uit hetgeen overigens uit de gebezigde bewijsmiddelen naar voren komt, leidt het hof af, dat het verdachte is geweest die [slachtoffer 1] om het leven heeft gebracht.

Omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten leiden zijn uit het onderzoek ter terechtzitting niet naar voren gekomen.

Op basis van het vorenstaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het onder parketnummer 01/045066-00 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan. Dat uit de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting geen duidelijk motief voor het doden van [slachtoffer 1] naar voren is gekomen, doet daaraan niet af.

II. Verweren.

Alibi-verweer.

Van de zijde van de verdediging is kort gezegd aangevoerd, dat verdachte [slachtoffer 1] niet van het leven kan hebben beroofd, aangezien verdachte op 10 april 2000 blijkens zijn verklaring tussen 09:00 uur en 11:00 uur niet in de woning gelegen aan de [adres] te [woonplaats], is geweest.

Uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is naar het oordeel van het hof niet gebleken dat de door verdachte op 10 april 2000 tussen 09:00 uur en 11:00 uur op de fiets afgelegde route zodanig lang heeft geduurd, dat verdachte het ten laste gelegde niet kan hebben gepleegd. Integendeel; uit de reconstructie van de door verdachte afgelegde route blijkt dat verdachte op 10 april 2000 tussen 09:00 uur en 11:00 uur ruimschoots de tijd heeft gehad [slachtoffer 1] van het leven te beroven.

Ter terechtzitting is door de verdediging een aantal argumenten genoemd - volgens de raadsman een losse greep - waaruit naar voren zou komen dat de hiervoor bedoelde fietstocht aanmerkelijk langer zou hebben geduurd dan uit de hiervoor bedoelde berekeningen naar voren komt. Zo zou onder meer het verblijf van verdachte bij het Bisschoppelijk Paleis veel langer hebben geduurd dan de door de politie in haar berekening meegenomen 10 minuten. De raadsman baseert zich hierbij op de inhoud van een door hem gevoerd telefoongesprek met [getuige 2] bij wie verdachte op bezoek is geweest. Deze mededeling is niet alleen niet nader onderbouwd, maar bovendien niet in overeenstemming met de verklaring van [getuige 2] zoals opgenomen in het proces-verbaal van politie, waarin deze verklaart dat het gesprek met verdachte hooguit 10 minuten heeft geduurd (blz. 114 van het doorgenummerd proces-verbaal) en ook in strijd met de verklaring van verdachte zoals eveneens weergegeven in het proces-verbaal van politie, waarin deze verklaart dat het gespreek ongeveer 2 minuten heeft geduurd (blz. 223 van het doorgenummerd proces-verbaal) welke verklaring door verdachte ter terechtzitting van 15 juni 2007 is bevestigd. Voorts heeft de raadsman - opnieuw - naar voren gebracht dat verdachte niet snel kon fietsen vanwege zijn medicijngebruik. Aan het pleidooi is een e-mailbericht d.d. 7 juni 2007 van [betrokkene 1], de kennelijk door de raadsman benaderde huisarts van verdachte gehecht waarin wordt medegedeeld: “Bij [verdachte] was er altijd sprake van een opvallende bewegingsarmoede en stramheid”. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij wel snel de trappers kon bewegen maar geen kracht kon zetten, reden waarom hij altijd een kleine versnelling gebruikte. Daar staat tegenover dat aan de rapportage van de deskundige Loonen een afschrift van een aan de huisarts gerichte brief is gehecht, waarin onder meer wordt gevraagd of er in april 2000 sprake was van negatieve symptomen (vervlakking, apathie, spraakarmoede, bewegingsarmoede, enzovoorts) alsmede een afschrift van een door de huisarts ondertekend antwoordschrijven d.d. 11 mei 2007 met onder meer als inhoud: “in april 2000 was er zoals gewoonlijk vervlakking van het affect, een matige apathie, geen spraakarmoede, wel bewegingsarmoede”. Voor het overige worden door de raadsman met name niet nader onderbouwde veronderstellingen naar voren gebracht. Een

- naar ervaringsregels - betrekkelijk langzame fietssnelheid van ongeveer 12 kilometer per uur komt het hof niet irreëel voor.

Het hof verwerpt derhalve het verweer.

Verweer met betrekking tot de deskundigheid van ing. R. Eikelenboom.

Van de zijde van de verdediging is voorts kort gezegd aangevoerd, dat het rapport van ing. R. Eikelenboom d.d. 22 oktober 2003, alsmede de door deze deskundige ter zake afgelegde verklaringen, van het bewijs dienen te worden uitgesloten, nu Eikelenboom - gelet op diens geringe ter zake doende opleiding - niet kan worden aangemerkt als bloedspatdeskundige.

Het hof beschikt over een curriculum vitae inhoudende de door de deskundige ter zake opgedane kennis en ervaring. Het hof heeft geen reden om te twijfelen aan de specifieke deskundigheid van de deskundige op het hier bedoelde terrein. Dit oordeel vindt zijn bevestiging in de hierna nog nader te noemen rapportage van A. Linacre, Senior Lecturer in Forensic Science, University of Strathclyde (United Kingdom).

Het hof verwerpt derhalve dit verweer.

Verweer met betrekking tot de betrouwbaarheid van ing. R. Eikelenboom en van diens onderzoek.

Door de raadsman is de betrouwbaarheid van de deskundige en van diens onderzoek ter discussie gesteld omdat de deskundige gehuwd blijkt te zijn met een andere deskundige die in deze zaak rapport heeft uitgebracht, te weten drs. S.J.M. Schieveld.

Ondanks het feit dat het hof het betreurt dat pas in een laat stadium kenbaar is geworden dat Schieveld, die eerder dan Eikelenboom in de onderhavige zaak heeft gerapporteerd, in relationele verhouding staat tot Eikelenboom, doet deze omstandigheid naar het oordeel van het hof niet af aan de betrouwbaarheid van het rapport van Eikelenboom en de door hem ter zake onder ede afgelegde verklaringen.

Het hof merkt op dat het genoemde door ing. R. Eikelenboom opgemaakte rapport bevestiging vindt in de overige bewijsmiddelen, waaronder begrepen de op 16 maart 2006 ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde deskundigenverklaring van de patholoog A. Maes en het oordeel van A. Linacre, Senior Lecturer in Forensic Science, met betrekking tot de beschouwing van het bewijs door Eikelenboom.

Wellicht ten overvloede wordt opgemerkt dat naar het oordeel van het hof de omstandigheid dat Eikelenboom voorafgaand aan het opmaken van zijn definitieve rapport, in het kader van een “peer review” (bespreking/beoordeling door vakgenoten) ter zake andere deskundigen, onder wie Linacre, heeft geraadpleegd, de betrouwbaarheid van het genoemde rapport van Eikelenboom en de door hem ter zake afgelegde verklaringen, anders dan door de verdediging is betoogd, ten goede komt.

Gelet op het vorenstaande acht het hof zich voldoende voorgelicht en acht het hof het niet noodzakelijk een traumatoloog of enige andere deskundige ter zake te horen. Het hof wijst derhalve het voorwaardelijk hiertoe gedane verzoek van de verdediging af.

Wellicht ten overvloede overweegt het hof voorts dat het te betreuren is dat in de onderhavige zaak geen contra-expertise door een deskundige die niet eerder ter zake werd benaderd heeft kunnen plaatsvinden, zoals door de verdediging is verzocht, nu Eikelenboom de hem bekende bloedsporendeskundigen voorafgaand aan het opmaken van zijn rapport ter zake heeft benaderd en voorts omdat zijn onderzoek voorwerp is geweest van “peer review”, terwijl kennelijk andere deskundigen op dit specifieke gebied niet voorhanden waren c.q. zijn.

Naar het oordeel van het hof doet het ontbreken van een dergelijke contra-expertise echter niet af aan de betrouwbaarheid van het rapport van Eikelenboom noch aan diens ter zake afgelegde verklaringen. Tevens doet naar het oordeel van het hof de omstandigheid dat Linacre voorafgaand aan het door hem opgemaakte rapport ter zake contact heeft gehad met Eikelenboom, niet af aan de betrouwbaarheid van het rapport van Linacre.

Het hof verwerpt derhalve ook dit verweer.

Verweer met betrekking tot de fysieke (on-)mogelijkheden van verdachte om een mes te hanteren op een wijze zoals dit noodzakelijkerwijs uit de verklaringen van de verschillende deskundigen naar voren komt.

Van de zijde van de verdediging is bij pleidooi - voor het eerst tijdens de gehele procedure - nog kort gezegd aangevoerd, dat het feitelijk onmogelijk is dat verdachte het bij [slachtoffer 1] aangetroffen letsel, te weten een rechte halssnede met een lengte van

16 centimeter, heeft toegebracht, aangezien verdachte ten tijde van het ten laste gelegde leed aan een tremor ten gevolge van medicijngebruik.

Op een vraag van de voorzitter uit welke feiten en omstandigheden de raadsman dit afleidde deelde de raadsman mede dat hij van familieleden vernomen had dat verdachte last had van een tremor en nauwelijks een kopje koffie kon vasthouden.

Na de terechtzitting van 11 juni 2007, waar genoemd verweer is gevoerd, en voorafgaand aan de terechtzitting van 15 juni 2007, welke terechtzitting bestemd was voor een mogelijke repliek van de zijde van het openbaar ministerie, dupliek van de zijde van verdachte en het laatste woord van verdachte, heeft de raadsman aan het hof een schriftelijk stuk doen toekomen, ondertekend door de sociaal psychiatrisch verpleegkundige [betrokkene 2], d.d. 12 juni 2007 waarin onder meer wordt medegedeeld: “De heer [verdachte] is al jaren bij mij in behandeling. Patiënt heeft al jaren last van tremoren aan handen, benen, ademhaling, spieren etc de tardieve: dystonia dyskiinesie acathisie” en “Deze symptomen doen zich vaak voor bij langdurig gebruik van Cisordinol, wat patiënt al jaren gebruikt. Deze hebben een belemmerende invloed op zijn motoriek, het is voor hem dan moeilijk snelle vloeiende bewegingen te maken, deze zijn bijna niet voorstelbaar bij zijn dosis Cisordinol”.

Naar het oordeel van het hof is uit het onderzoek ter terechtzitting niet gebleken dat verdachte ten tijde van het ten laste gelegde leed aan een tremor. Zoals reeds eerder besproken antwoordt [betrokkene 1], huisarts van verdachte, in zijn brief van 19 april 2004 op de vraag van prof. dr. A.J.M. Loonen, arts/klinisch farmacoloog, of bij verdachte in april 2000 ook sprake was van negatieve symptomen (vervlakking, apathie, spraakarmoede, bewegingsarmoede, enzovoorts) dat er in april 2000 bij verdachte sprake was van vervlakking van het affect, een matige apathie en bewegingsarmoede, dat er geen sprake was van spraakarmoede en dat verdachte meestal eerder verbaal ontremd was. [betrokkene 1] spreekt in zijn genoemde schrijven niet over een tremor. Het hof gaat er van uit dat nu in een briefwisseling tussen de huisarts en de deskundige Loonen niet gesproken wordt over tremoren deze tremoren ook niet hebben bestaan en zeker niet in die mate als door de sociaal-psyciatrisch verpleegkundige genoemd. Voorts heeft verdachte ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij zich op 10 april 2000 goed voelde, hetgeen bevestiging vindt in de verklaringen van [getuige 3] en [getuige 4], die hebben verklaard dat het die dag met verdachte goed ging. Op grond hiervan gaat het hof er van uit dat er zich bij verdachte op 10 april 2000 geen bijzondere beperkingen hebben voorgedaan welke afwijken van de door de huisarts in zijn brief genoemde beperkingen.

Het hof schuift het door de raadsman van verdachte overgelegd schrijven van [betrokkene 2], sociaal-psychiatrisch verpleegkundige, d.d. 12 juni 2007 terzijde, nu het hof niet is gebleken dat [betrokkene 2] als deskundige kan worden aangemerkt op het gebied van tremoren en de mogelijkheden om met tremoren al dan niet bepaalde handelingen te verrichten.

Het hof beschouwt het ten deze door de raadsman in zo een laat stadium naar voren gebrachte als een zo onvoldoende onderbouwde hypothese dat nader onderzoek niet noodzakelijk wordt geacht.

Het hof heeft het een en ander in ogenschouw genomen in samenhang en verband met de overige feiten en omstandigheden, welke uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren zijn gekomen, waaronder de onwaarschijnlijkheid dat [slachtoffer 1] zichzelf het dodelijke letsel heeft toegebracht, de onwaarschijnlijkheid dat een onbekende derde deze verwondingen heeft toegebracht en het feit dat op de kleding van verdachte bloedspatten zijn aangetroffen welke naar het oordeel van de deskundige zijn veroorzaakt op een moment dat [slachtoffer 1] nog in leven was.

Gelet op het vorenstaande acht het hof het niet noodzakelijk drie familieleden van verdachte te horen omtrent de aanwezigheid van een tremor bij verdachte op en omstreeks 10 april 2000. Het hof wijst derhalve het voorwaardelijk hiertoe gedane verzoek van de verdediging af.

Overige bewijsverweren.

Het hof is van oordeel dat de overige door de verdediging gevoerde verweren, die - zo begrijpt het hof - in onderlinge samenhang dienen te leiden tot vrijspraak van verdachte van het ten laste gelegde - waaronder begrepen de stelling van de verdediging dat [slachtoffer 1] zichzelf van het leven zou hebben beroofd -, worden weersproken door de door het hof gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en de betrouwbaarheid van die, van de lezing van verdachte afwijkende, bewijsmiddelen te twijfelen.

Wellicht ten overvloede merkt het hof tot slot het navolgende op. Door de raadsman is in zijn pleidooi uitvoerig stilgestaan bij de rapportage(s) van de technisch rechercheurs [verbalisant 5] en [verbalisant 6].

Nu de inhoud van deze rapportage(s) niet voor het bewijs zal worden gebruikt kan een nadere bespreking van het door de raadsman in zijn pleidooi te dien aanzien naar voren gebrachte buiten beschouwing blijven.

Met betrekking tot het onder parketnummer 01/045042-04 ten laste gelegde overweegt het hof het navolgende.

Van de zijde van de verdediging is - kort gezegd - aangevoerd, dat verdachte van het ten laste gelegde behoort te worden vrijgesproken, nu verdachte niet heeft bedoeld [slachtoffer 2] te bedreigen met een misdrijf tegen het leven gericht dan wel met zware mishandeling, maar die [slachtoffer 2] om koffie wilde vragen en daartoe met zijn armen naar zichzelf gerichte gebaren maakte.

Uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep zijn de feiten en omstandigheden die aan het verweer ten grondslag zijn gelegd - de aard en inhoud van de door verdachte gemaakte gebaren - niet aannemelijk geworden. Het hof heeft hierbij in ogenschouw genomen de verklaring van verdachte afgelegd in eerste aanleg voor zover inhoudend: “Op 26 november 2003 werd ik in de GGGZ te ’s-Hertogenbosch boos op de stagiaire. Ik rende toen met zwaaiende armen voor mij uitgestrekt naar haar toe”.

Het verweer wordt mitsdien, nu de feitelijke grondslag ontbreekt, verworpen.

Wellicht ten overvloede overweegt het hof voorts, dat volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad voor een veroordeling ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht is vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied, dat bij de bedreigde de redelijke vrees kon ontstaan dat zij het leven zou kunnen verliezen. Naar het oordeel van het hof zijn de door verdachte jegens [slachtoffer 2] gedane gedragingen van dien aard en onder zodanige omstandigheden geschied blijkens de gebezigde bewijsmiddelen, dat bij haar de redelijke vrees kon ontstaan dat zij het leven zou kunnen verliezen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder parketnummer 01/045066-01 subsidiair bewezen verklaarde is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Het onder parketnummer 01/045042-04 bewezen verklaarde is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 285, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het wordt gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Strafbaarheid van de verdachte

In het dossier bevindt zich een door drs. J.J.F.M. de Man, psychiater te ’s Gravenhage en vast gerechtelijk deskundige, omtrent verdachte opgemaakt rapport d.d. 7 februari 2007, van welk rapport de conclusie - zakelijk weergegeven - als volgt luidt:

Betrokkene lijdt zowel aan een gebrekkige ontwikkeling, diagnostisch te vatten onder het begrip pervasieve ontwikkelingsstoornis (PDD NOS), als aan een ziekelijke stoornis zijner geestvermogens, deze laatste in de vorm van een psychose, te weten een waanstoornis (delusional disorder).

Dit was ten tijde van het ten laste gelegde evenzo.

Gelet op de ernst en de veelomvattendheid van de stoornissen aan welke betrokkene lijdende was en is kan worden aangenomen dat handelingen als ten laste gelegd, indien en voor zover deze kunnen worden bewezen, in grote mate dienen te worden beschouwd in het licht van de zeer ernstige stoornis van de realiteitstoetsing die het gevolg is van deze stoornissen.

De pervasieve aard van de genoemde stoornissen en de mate waarin het gehele denken en handelen van betrokkene door deze stoornissen worden bepaald, maken dat ondergetekende, hoewel hij evenals de deskundigen in eerste aanleg weliswaar geen sluitende uitspraak over de toerekeningsvatbaarheid ten aanzien van het ten laste gelegde, indien bewezen, mag doen, een eventuele conclusie van het hof in de zin van ontoerekeningsvatbaarheid in overeenstemming acht met geldend psychiatrisch inzicht.

Het hof verenigt zich met voornoemde conclusie en maakt deze tot de zijne.

Gelet op voormelde omstandigheden, acht het hof verdachte, mede gelet op het gelijksoortige karakter van deze feiten, te weten geweldmisdrijven, niet strafbaar voor het onder parketnummer 01/045066-00 subsidiair en het onder parketnummer 01/045042-04 bewezen verklaarde. Het hof zal verdachte daarom ter zake van deze feiten, anders dan door de advocaat-generaal is gevorderd, ontslaan van alle rechtsvervolging.

Op te leggen maatregel

Naar het oordeel van het hof kan anders dan door de raadsman is betoogd gelet op de hierna te noemen feiten en omstandigheden niet worden volstaan met een andere (lichtere) maatregel dan de vrijheidsbenemende maatregel van verpleging van overheidswege.

Het hof heeft hierbij met name ook betrokken dat bewezen is verklaard, dat verdachte een levensdelict (doodslag) heeft begaan alsmede bedreiging met een levensdelict en dat naar het oordeel van het hof gelet op de verklaringen van na te noemen deskundigen van uit het ziektebeeld van verdachte een reëel gevaar voor herhaling van soortgelijke delicten bestaat.

Bij het opleggen van na te melden maatregel heeft het hof gelet op de inhoud van het hiervoor vermelde door drs. J.J.F.M. de Man opgemaakte rapport, alsmede op de inhoud van het door prof. dr. C. de Ruiter, gezondheidszorg psycholoog BIG, klinisch psycholoog NIP en forensisch psycholoog, omtrent verdachte opgemaakte rapport d.d. 7 februari 2007. Voornoemde rapporteurs hebben - zakelijk weergegeven - de navolgende opvattingen aan het hof ter overweging aangeboden:

drs. J.J.F.M. de Man:

De belangrijkste factor bij risicotaxatie is de vaststelling, dat er sprake is van een eerdere significante delictspleging.

Wanneer wordt gekeken naar de grote groep van psychotici kan worden gesteld dat deze, in tegenstelling tot personen met middelengebruik of persoonlijkheidsstoornissen, niet a priori neigt tot veel grotere gewelddadigheid dan de algemene populatie. Recentere cijfers zijn echter somberder. Er is daarboven een subgroep die neigt tot gewelddadigheid en gevaarlijk gedrag. In deze subgroep zijn waanstoornissen en paranoïde schizofrenie met grootheidswanen oververtegenwoordigd.

prof. dr. C. de Ruiter:

[verdachte] heeft sinds de eerste psychotische episode in 1987 een aantal psychosen doorgemaakt en heeft sinds een aantal jaren doorlopend last van wanen en (voornamelijk visuele) hallucinaties. Er is sprake van verminderd functioneren op het gebied van werk en inter-persoonlijke relaties, in verhouding tot zijn intellectuele capaciteiten. Bij paranoïde schizofrenie zijn de wanen paranoïde of grandioos ingekleurd, maar ook godsdienstwanen kunnen voorkomen. Sommige personen die aan deze ziekte lijden hebben een superieure houding en zijn overdreven formeel in hun gedrag naar anderen. Er is sprake van een predispositie tot suïcidale gedragingen. De combinatie van grootheidswanen of paranoïde wanen met woede kan aanleiding vormen tot gewelddadig gedrag. De start van de eerste psychose is meestal later in het leven dan bij de andere typen schizofrenie (dit komt overeen met de relatief late leeftijd, rond zijn 30ste, van de eerste psychose bij [verdachte]).

[verdachte] lijdt aan een ernstige psychiatrische aandoening, die met medicatie maar ten dele behandelbaar is gebleken. Er is geen sprake van ziekte-inzicht en ook nauwelijks ziektebesef. Hij is wegens zijn stoornis aangewezen op structurele begeleiding en behandeling.

Het hof volgt de deskundigen hierin.

Op grond van het oordeel dat er ten tijde van het begaan van de bewezen verklaarde feiten bij de verdachte sprake was van een ziekelijke stoornis en - gelet op de hiervoor gerelateerde oordelen, gezien in samenhang met zowel de bewezen verklaarde doodslag als ook de latere woedeaanval welke tot de bewezen verklaarde bedreiging heeft geleid - dient zoals gezegd de reële kans aanwezig te worden geacht dat de verdachte in de toekomst opnieuw dergelijke feiten zal begaan. Het hof is gelet hierop van oordeel dat de algemene veiligheid van personen het opleggen van de maatregel van ter beschikking stelling vereist. Zulks is, nu de door verdachte begane feiten zowel een misdrijf betreft waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van meer dan vier jaren is gesteld alsmede een misdrijf is als omschreven in artikel 285, lid 1 van het Wetboek van Strafrecht ook toegelaten.

Het hof heeft mede de inhoud van de overige adviezen en rapporten die over de persoonlijkheid van verdachte zijn uitgebracht en de ernst van de begane feiten in aanmerking genomen.

Het hof is voorts van oordeel dat de algemene veiligheid van personen eist dat verdachte daarbij van overheidswege zal worden verpleegd.

Beslag

Het na te melden inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerp is vatbaar voor onttrekking aan het verkeer, nu het een voorwerp is met behulp waarvan het onder parketnummer 01/045066-00 subsidiair ten laste gelegde en bewezen verklaarde is begaan en dat in de gegeven situatie van zodanige aard is, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang.

Van de na te melden bij de aanhouding van verdachte inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven goederen, zal de teruggave aan de verdachte worden gelast.

Ten aanzien van de overige hierna te melden inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven goederen is niet duidelijk wie daarop rechthebbende is. Derhalve zal het hof de bewaring van deze goederen ten behoeve van de rechthebbende gelasten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 24, 36 b, 36c, 37a, 37b, 57, 285 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze golden ten tijde van het ten laste gelegde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen, dat verdachte het onder parketnummer 01/045066-00 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het onder parketnummer 01/04566-00 subsidiair en het onder parketnummer 01/045042-04 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het onder parketnummer 01/045066-00 subsidiair en het onder parketnummer 01/045042-04 bewezen verklaarde oplevert:

Parketnummer 01/045066-00 subsidiair:

Doodslag.

Parketnummer 01/045042-04:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Verklaart verdachte met betrekking tot het onder parketnummer 01/045066-00 subsidiair en het onder parketnummer 01/045042-04 bewezen verklaarde niet strafbaar.

Ontslaat verdachte met betrekking tot die feiten van alle rechtsvervolging.

Gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat de ter beschikking gestelde van overheidswege zal worden verpleegd.

Onttrekt aan het verkeer het inbeslaggenomen voorwerp, ten aanzien waarvan nog geen last tot teruggave is gegeven, te weten:

- een mes (type: broodmes).

Gelast de teruggave aan verdachte van de inbeslaggenomen voorwerpen, ten aanzien waarvan nog geen last tot teruggave is gegeven, te weten:

- een stropdas (merk: C&A);

- een rechter herenschoen (merk: Romer);

- een linker herenschoen (merk: Romer);

- een sok van een rechter voet;

- een sok van een linker voet;

- een blouse (merk: C&A);

- een broek (merk: C&A);

- een onderbroek (merk: Peruzzi).

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de inbeslaggenomen voorwerpen, ten aanzien waarvan nog geen last tot teruggave is gegeven, te weten:

- een herenfiets (merk: Sparta);

- een damesfiets (merk: Gazelle);

- een pak wasknijpers;

- een kerkboek met telefoonnummers;

- een telefoonklapper;

- een schrijfblok Bruna;

- een rekening KPN;

- een GSM met oplaadapparaat (merk: Nokia);

- twee advertenties vrouwen die man zoeken;

- een blocnote met aantekeningen;

- een computer (merk: Pachard Bell Force);

- een computer (merk OCE);

- een bruin dopje;

- een wit dopje;

- een hoes van een mes;

- een jas (merk: Day Wear);

- een jas (merk: Witteveen);

- een jas (merk: Once), inclusief de inhoud van deze jas;

- een linker damesschoen;

- een rechter damesschoen;

- een shirt (merk: Miss Etam);

- een broek (merk: Miss Etam);

- een onderhemd (merk: Beeren);

- een bh (merk: Triumph);

- een onderbroek (merk: Beeren);

- een paar sokken;

- een herenjas (merk: Peruzzi);

- 6 stukken vloerbedekking;

- een vuilniszak;

- bloed op een wattenstaafje.

Aldus gewezen door

mr. W. van Nierop, voorzitter,

mr. E.F.G.M. Gelderman en mr. Y.G.M. Baaijens - van Geloven,

in tegenwoordigheid van mr. T. Tanghe, griffier,

en op 29 juni 2007 ter openbare terechtzitting uitgesproken.