Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2007:BA8274

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-05-2007
Datum publicatie
28-06-2007
Zaaknummer
C200401546
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hof oordeelt na bewijsvoering door werkgeefster diefstal door werkneemster, caissière, voldoende bewezen. Vonnis kantonrechter wordt bekrachtigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

C0401546/HE

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

sector civiel recht,

achtste kamer, van 22 mei 2007,

gewezen in de zaak van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellante,

procureur: mr. M.J.H.J. Wijnhoven,

tegen:

[Y.],

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde,

procureur: mr. Ph.C.M. van der Ven,

In vervolg op het tussenarrest dat dit hof heeft gewezen op 20 juni 2006 op het hoger beroep van het door de rechtbank 's-Hertogenbosch, sector kanton locatie ’s-Hertogenbosch onder zaaknr. 286538 en rolnr. 1060/03) gewezen vonnis van 29 juli 2004 tussen appellante - [X.] - als eiseres in conventie, verweerster in reconventie, en geïntimeerde - [Y.] – als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie.

6. Het tussenarrest van 20 juni 2006

Bij genoemd arrest is aan [Y.] een bewijsopdracht gegeven en is iedere verdere beslissing aangehouden.

De enquête en contra-enquête hebben plaatsgevonden op 20 november 2006.

[Y.], en vervolgens [X.], hebben een memorie na enquête genomen.

Vervolgens hebben partijen de gedingstukken opnieuw overgelegd en uitspraak gevraagd. Het hof merkt op dat in de kantlijn van het proces-verbaal van de enquête dat zich in het dossier van appellante bevindt opmerkingen zijn geplaatst.

7. Het verdere verloop van de procedure

7.1. [Y.] was toegelaten haar stelling te bewijzen dat [X.] op 31 oktober 2002 een bedrag van € 750,- heeft verduisterd.

7.2. In de enquête zijn gehoord:

[A.], winkelmedewerkster in dienst van [Y.];

[B.], verkoopmedewerkster in dienst van [Y.];

[C.], caissière bij [Y.];

[D.], verkoopmedewerkster in dienst van [Y.];

[E.], districtleider in dienst van [Y.].

In de contra-enquête zijn gehoord:

[X.] zelf en haar vader, [F.].

7.3. Door [Y.] is tijdens de enquête de opname getoond die zij heeft gemaakt van de eerste vervangend filiaalleidster, mevrouw [G.], die de handelingen heeft nagespeeld waarvan [X.] door [Y.] wordt verdacht.

Het betreft hier het maken van de bonstorno op kassa 1, waardoor een op een ander tijdstip gepleegde verduistering van een bedrag van € 750,- uit de kassalade of het geldtasje van [C.] niet, of pas later, zou opvallen. Het hof is van oordeel dat [Y.] in het aan haar opgedragen bewijs is geslaagd.

7.4. In de eerste plaats merkt het hof op, dat het de raadsheer-commissaris is opgevallen dat uit de opname blijkt dat in de reconstructie die is gemaakt, [G.] zich zeer rustig van kassa 2 naar kassa 1 begaf, daarbij om kassa 1 heen liep en weer rustig terugliep van kassa 1 naar kassa 2. Zonder meer valt hier tijdwinst te behalen door over de lopende band heen te leunen, zoals de getuige [B.] [X.] heeft zien doen. De lopende band bevindt zich aan de linkerzijde van de caissière als deze de kassa bedient (zie verklaring getuige [B.]), zodat, anders dan [X.] beweert, het intoetsen op deze wijze geen enkel probleem hoeft op te leveren. Dit verklaart ook de aanmerkelijke tijdswinst in de testen in het geval [G.] tussentijds niet terugliep naar kassa 2.

Het hof deelt thans dan ook de opvatting van de kantonrechter dat geenszins kan worden uitgesloten dat met enige oefening de proeven duidelijk sneller zouden kunnen worden uitgevoerd. Sterker nog, het hof is daarvan thans overtuigd.

Dit werpt een ander licht op deze zaak en de afgelegde verklaringen. Nu de fysieke beperkingen zijn weggevallen, kan op grond van de getuigenverklaringen bezien in verband met de verklaringen opgenomen in het proces-verbaal van politie, zoals weergegeven in het tussenarrest van 20 juni 2006 worden vastgesteld dat:

Anja [C.] kort voordat de bonstorno is gemaakt op kassa 1, met pauze is gegaan en dat zij haar kassalade heeft geleegd in een geldtasje samen met [X.], waarbij [X.] het geldtasje in de kluis heeft geplaatst;

[X.] op het moment van het opmaken van de bonstorno werkzaam was op kassa 2 (de getuigen [C.], [B.], [D.] en [X.] zelf);

[X.] volgens haar eigen getuigenverklaring over de sleutelbos met sleutel drie beschikte in verband met het vervangen van de caissières [C.]s door [A.] op kassa 1 en sleutel 3 ook nog onder zich had op het moment dat zij plaats nam achter kassa 2, hetgeen bevestigt wordt door de verklaring van de getuige [A.];

[X.] eveneens over sleutel 3 beschikte toen [G.] na de pauze van [D.] en [C.]s naar [X.] is gelopen om de sleutel van de kluis en de sleutelbos met sleutel 3 op te halen (verklaring [G.] aan de politie);

[X.] uit hoofde van haar functie als plaatsvervangend filiaalchef bekend kon zijn met de pincodes van de andere caissières;

[A.] op enig moment kassa 1 heeft verlaten in het tijdsbestek dat [X.] achter kassa 2 zat (verklaringen [X.] en getuige [B.]);

De getuige [B.] [X.] over kassa 1 heeft zien hangen op een moment dat [A.] daar niet was en dat dit gebeurde kort nadat zij met [X.] terug was gekomen van hun pauze en [X.] plaats had genomen aan kassa 2, en [B.] aan kassa 3 zat, waarbij [B.] haar heeft toegeroepen "draai jij op twee kassa's" of woorden van gelijke strekking;

[X.] beschikte over de sleutel van de kluis en de gelegenheid heeft gehad om geld weg te nemen uit het tasje van [C.]s, nadat zij het geldtasje van [C.]s heeft overgenomen. Indien deze dat tasje al op slot zou hebben gedaan, had [X.] de beschikking over de reservesleutels van die geldtasjes, die zich, volgens haar eigen verklaring aan de politie, immers in de kluis bevonden;

De andere werkneemsters op het moment van de bonstorno hetzij met pauze waren, hetzij in het magazijn, en dat alleen [X.], [A.] en [B.] achter de kassa's zaten.

7.5. Het hof komt dan ook op grond van de getuigenverklaringen, in onderling verband en samenhang bezien en in samenhang met de eerder aan de politie afgelegde verklaringen, alsmede de feitelijke gegevens die zijn gebleken uit de kassabonnen betreffende het opmaken van een stornobon tussen 10:25:05 en 10:25:32 op kassa 1 met gebruikmaking van de pincode van [C.]s, het feit dat is vastgesteld bij een controle door [G.] op donderdag 31 oktober 2002 dat er in de kassalade van [C.]s een bedrag groot € 750,- ontbrak (verklaring van [G.] opgenomen in het proces-verbaal opgemaakt door de politie, productie 2 bij conclusie van antwoord) tot de conclusie dat [X.] de verduistering heeft gepleegd. [X.] is de enige die de gelegenheid had om zowel de bonstorno te maken als het geld uit de kassalade of geldtasje van [C.] te nemen. De enige andere persoon die de mogelijkheid had om de bonstorno te maken, [A.] (indien zij al de pincode van [C.] zou hebben gekend) beschikte niet over sleutel drie welke daarvoor nodig was, en zo dat al wel het geval zou zijn geweest, had zij geen toegang tot de kluis en het geldtasje of kassalade van [C.].

Het beroep van [X.] op de nietigheid van haar bekennende verklaring en haar ontslagname oordeelt het hof dan ook gezien de hiervoor genoemde omstandigheden onaanvaardbaar als zijnde in strijd met de redelijkheid en de billijkheid. Het hof verwijst hier naar zijn overweging in het tussenarrest onder 4.6.2.

Dit leidt ertoe dat alle door [X.] opgeworpen grieven falen en dat het hoger beroep grotendeels ongegrond is, met uitzondering voor wat betreft de vermeerdering van eis in hoger beroep door [X.], betreffende de vervangerpremie en filiaal-leiderpremie waarop [X.] recht had over de periode van 1 november 2002 tot en met 6 november 2002. Dit komt neer op 6/30 x ( € 58,58 + 264,89) = € 64,69. Het hof verwijst hier naar zijn overwegingen onder 4.6.3. van zijn tussenarrest. Het vonnis van de kantonrechter zal op dit punt worden verbeterd onder aanvulling van gronden.

[X.] dient als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij te worden verwezen in de kosten van het geding in hoger beroep gevallen aan de zijde van [Y.].

8. De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt onder aanvulling van gronden het vonnis waarvan beroep gewezen in conventie en in reconventie, behoudens voor zover in conventie het meer of anders gevorderde is afgewezen, en, op dat punt opnieuw recht doende: veroordeelt [Y.] tot betaling aan [X.] van een bedrag groot € 64,69;

wijst af het meer of anders door [X.] gevorderde;

veroordeelt [X.] in de kosten van het hoger beroep gevallen aan de zijde van [Y.], welke tot op heden worden vastgesteld op € 251,- terzake verschotten en op € 2.682,- terzake salaris procureur.

Dit arrest is gewezen door mrs. Aarts, Waaijers en Spoor en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 22 mei 2007.