Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2007:BA7865

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
30-05-2007
Datum publicatie
25-06-2007
Zaaknummer
04/02280
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Naar het oordeel van het Hof volgt uit de onder 2.2 en de onder 2.8 weergegeven feiten, dat de (aan de belanghebbende door zijn werkgever ter beschikking gestelde) personenauto niet hoofdzakelijk is bestemd voor (duurzaam) gebruik in Nederland en evenmin daar hoofdzakelijk feitelijk (duurzaam) wordt gebruikt. De heffing van de belasting van personenauto's en motorrijwielen wordt derhalve niet gerechtvaardigd door een hoofdzakelijke bestemming voor duurzaam gebruik in Nederland of een hoofdzakelijk feitelijk duurzaam gebruik van die auto in Nederland. Daargelaten of sprake is van een andere rechtvaardiging voor de heffing van de belasting van personenauto's en motorrijwielen in het onderhavige geval is het Hof van oordeel, dat de onderhavige op grond van artikel 1, vijfde lid van de Wet BPM opgelegde naheffingsaanslag in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Immers, de van de belanghebbende geheven belasting is niet bepaald evenredig aan de gebruiksduur van de personenauto in Nederland. Hierbij overweegt het Hof, dat uit de beschikking van het HvJ EG van 27 juni 2006, Van de Coevering, Jurispr. 2006, bladzijde I-05843, punt 30 volgt, dat het HvJ EG van oordeel is dat de wetgever een aan het gebruik van de personenauto in Nederland evenredige belasting van personenauto's en motorrijwielen zou kunnen bewerkstelligen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2007/49.24 met annotatie van Redactie
FutD 2007-1234
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 04/02280

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, tweede meervoudige Belastingkamer, op het beroep van de heer X te Y (hierna: de belanghebbende) tegen de uitspraak van de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Z van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) op het bezwaarschrift betreffende na te melden naheffingsaanslag belasting van personenauto's en motorrijwielen.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan de belanghebbende is met dagtekening 7 juni 2004 onder aanslagnummer 0000000.0000/0.0000 op de voet van artikel 1, vijfde lid, van de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 (hierna: Wet BPM) een naheffingsaanslag ter grootte van € 9.785,= opgelegd (hierna: de naheffingsaanslag). Na door de belanghebbende tegen de naheffingsaanslag gemaakt bezwaar - na de belanghebbende op 16 augustus 2004 en op 21 september 2004 op de voet van artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) te hebben gehoord - heeft de Inspecteur de naheffingsaanslag bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd.

1.2. De belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de Griffier van de belanghebbende een griffierecht geheven van € 37,=. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.3. De belanghebbende heeft, na daartoe door het Hof in de gelegenheid te zijn gesteld, schriftelijk gerepliceerd en de Inspecteur schriftelijk gedupliceerd.

1.4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 12 januari 2006 te 's-Hertogenbosch. Aldaar is toen verschenen en gehoord de belanghebbende en de Inspecteur.

1.5. De belanghebbende heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en wederpartij. Zonder bezwaar van de wederpartij heeft de belanghebbende bij zijn pleitnota één bijlage overgelegd. Het Hof rekent deze pleitnota met bijlage tot de stukken van het geding.

1.6. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

1.7. In verband met de beschikking van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen te Luxemburg (hierna: HvJ EG) van 27 juni 2006 (Van de Coevering) heeft het Hof op de voet van artikel 8:68 van de Awb het onderzoek heropend en daarvan bij brieven van 16 januari 2007 de partijen op de hoogte gebracht. Bij deze brieven zijn partijen tevens uitgenodigd om tijdens de nadere zitting op die beschikking te reageren.

1.8. Op grond van artikel 8:58 van de Awb heeft de Inspecteur vóór het nadere onderzoek ter zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij en behoren tot de stukken van het geding.

1.9. Het nadere onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 22 februari 2007 te 's-Hertogenbosch. Aldaar is toen verschenen en gehoord de belanghebbende en de Inspecteur.

1.10. De belanghebbende heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en wederpartij. Het Hof rekent deze pleitnota tot de stukken van het geding.

1.11. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde tijdens het onderzoek ter zitting en het nadere onderzoek ter zitting staat, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende vast:

2.1. De belanghebbende is geboren op 20 maart 1971 en woont te Y, voorheen te A.

2.2. De belanghebbende is sinds augustus 2001 in dienstbetrekking werkzaam bij B te C (Duitsland) (hierna ook wel: de werkgever) in de functie 'E-business & CRM Manager'. De werkgever stelt de belanghebbende personenauto's ter beschikking mede om kennis op te doen van de door de werkgever geproduceerde auto's. De belanghebbende mag met de ter beschikking gestelde auto's nooit meer dan 15.000 kilometer rijden en niet langer dan zes maanden. Gemiddeld wordt elke drie maanden door de werkgever aan de belanghebbende een andere personenauto ter beschikking gesteld. Tevens maakt de belanghebbende gebruik van personenauto's uit een 'pool' auto's, die de werknemers ter beschikking staan.

2.3. Op 9 oktober 2001 omstreeks 20.00 uur werd bij een controle door de Inspecteur geconstateerd, dat de belanghebbende te A in Nederland woont en dat hij in Nederland de beschikking had over een in het buitenland geregistreerde personenauto van het Merk D, type , met chassisnummer en Duits kenteken . Op die dag is de belanghebbende een informatie- en waarschuwingsformulier uitgereikt, dat door de belanghebbende voor ontvangst is getekend. Dit formulier luidt, voor zover te dezen relevant, als volgt:

'Op [Hof: handgeschreven] 9-10-2001, omstreeks [Hof: handgeschreven] 20.00 uur heeft met betrekking tot het bovenvermeld motorrijtuig een controle plaatsgevonden inzake de Belasting van Personenauto's en motorrijtuigen (BPM). Bij de controle is geconstateerd dat u in Nederland woont en hier te lande de beschikking heeft over een in het buitenland geregistreerde personenauto c.q. motorrijwiel.

(...)

Daarom wordt u door middel van dit formulier op de hoogte gebracht van de mogelijkheid dat u wellicht de belasting van personenauto's en motorrijwielen (hierna BPM) verschuldigd bent of kunt worden. De BPM is onder andere verschuldigd indien een natuurlijk persoon die in Nederland woont hier te lande op de openbare weg de feitelijke beschikking heeft over een niet in Nederland geregistreerde personenauto of motorrijwiel. Voor de aanvang van het gebruik van de openbare weg dient dan een aangifte te worden gedaan en de BPM te worden betaald bij een BPM-aangiftepunt.

Bent u echter werknemer van een in het buitenland gevestigde werkgever, danwel hoofd van een eenmansbedrijf of lid van een maatschap, bestuurder, vennoot of aandeelhouder van een in het buitenland gevestigd bedrijf, dan bestaat eventueel de mogelijkheid dat vrijstelling van BPM kan worden verleend. Ook indien u vanuit het buitenland naar Nederland bent verhuisd, bestaat eventueel de mogelijkheid voor vrijstelling van BPM. Tevens is een mogelijkheid voor vrijstelling aanwezig, indien u het betreffende personenauto c.q. motorrijwiel voor beperkte duur in het buitenland heeft gehuurd. Een vrijstelling dient u aan te vragen voordat u gebruik maakt van de openbare weg.

Indien u van mening bent dat u in aanmerking zou kunnen komen voor een van de hiervoor vermelde vrijstellingen of dat u niet in Nederland woont, dient u schriftelijk, telefonisch danwel mondeling na afspraak contact op te nemen met het hieronder vermelde adres. Het aanvragen van een vrijstelling bij ondervermeld douanepost dient te geschieden uiterlijk op [Hof: handgeschreven] 23-10-2001. Er zal dan een nader onderzoek worden ingesteld.

Mocht tijdens een volgende controle na de in dit formulier gestelde datum blijken dat u in Nederland woont en dat aan u een niet in Nederland geregistreerde personenauto of motorrijwiel feitelijk ter beschikking staat op de openbare weg zonder dat daarvoor de BPM is voldaan of een verzoek om vrijstelling zolas hierboven bedoeld is ingediend, kan een naheffingsaanslag BPM worden opgelegd. Naast de naheffingsaanslag kan tevens een boete worden opgelegd.

Indien bij controle achteraf blijkt dat reeds eerder aan u een informatie- en waarschuwingsformulier is uitgereikt of dat eerder in het bezit bent geweest van een vergunning voor vrijstelling van BPM danwel dat u op een andere manier geacht kunt worden bekend te zijn met de Wet belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992, kan dat alsnog resulteren in een naheffing BPM eventueel verhoogd met een boete.'.

2.4. Op 16 juli 2003 heeft de Inspecteur geconstateerd, dat de belanghebbende met een in niet in Nederland in het krachtens de Wegenverkeerswet 1994 aangehouden register van opgegeven kentekens geregistreerde personenauto van het merk D, type , chassisnummer met Duits kenteken (hierna ook wel: de (door de werkgever ter beschikking gestelde) personenauto) gebruik maakte van de weg in de zin van de Wegenverkeerswet 1994.

2.5. Met dagtekening 7 juni 2004 legt de Inspecteur naar aanleiding van de onder 2.4 vermelde constatering op 16 juli 2003 onderhavige naheffingsaanslag op. Op de naheffingsaanslag is de volgende toelichting gegeven:

'Op 16 juli 2003 hebben ambtenaren van de Belastingdienst/Z/kantoor E geconstateerd, dat u met een niet in Nederland geregistreerde personenauto, merk: D., type: ----, VIN-nummer: , kenteken: , gebruik maakte van de openbare weg in Nederland, waarbij u dit voertuig feitelijk ter beschikking had. Ingevolge artikel 1, lid 5 van de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992, hierna: Wet BPM, is ingeval een niet geregistreerde personenauto of een niet geregistreerd motorrijwiel feitelijk ter beschikking staat van een in Nederland wonende natuurlijke persoon of gevestigd lichaam, de belasting verschuldigd ter zake van de aanvang van het gebruik met dat motorrijtuig in Nederland van de weg in de zin van de Wegenverkeerswet 1994. In artikel 5, lid 2 van de Wet BPM is bepaald, dat de belasting met betrekking tot een niet geregistreerde personenauto of een niet geregistreerd motorrijwiel geheven wordt van degene die het motorrijtuig feitelijk ter beschikking heeft.

Herstelbeleid

De Staatssecretaris keurt goed, dat, met inachtneming van de hierna te noemen beperkingen, ingeval van eerste constatering van het feitelijk gebruik van de weg in Nederland door een inwoner van Nederland met een niet in Nederland geregistreerde personenauto of motorrijwiel aan degene die het voertuig feitelijk tot zijn beschikking heeft, niet onmiddellijk een naheffingsaanslag wordt opgelegd, maar dat hij in de gelegenheid wordt gesteld de personenauto of het motorrijwiel alsnog in Nederland te registreren en de BPM te voldoen, dan wel een vrijstellingsvergunning aan te vragen of het voertuig weer buiten Nederland te brengen. Hiertoe wordt aan hem een "Informatieformulier buitenlandse kentekens" uitgereikt.

Deze goedkeuring is niet van toepassing ten aanzien van degene die het voertuig feitelijk tot zijn beschikking heeft en die uit hoofde van zijn functie of de door hem ontplooide activiteiten of omdat hem eerder een "informatieformulier buitenlandse kentekens" was uitgereikt, bekend was of behoorde te zijn, met de toepassing van de Wet BPM. In casu werd op 9 oktober 2001 door ambtenaren van de Belastingdienst/Douane District Y aan u een informatieformulier buitenlandse kentekens uitgereikt. Op grond van het hiervoor genoemde beleid kan daarom terzake het gebruik van de openbare weg in Nederland met het onderhavige voertuig d.d. 16 juli 2003 geen herstelmogelijkheid meer worden geboden.

Ingevolge artikel 20 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen hef ik daarom de verschuldigde belasting middels deze naheffingsaanslag bij u na. Op grond van artikel 30f van deze Wet bent u eveneeens de heffingsrente verschuldigd.

Berekening van de verschuldigde belasting

De catalogusprijs/consumentenprijs van het betreffende voertuig, inclusief accessoires op het moment dat dit voor het eerst in gebruik werd genomen bedraagt € 41.082,00. De netto catalogusprijs van het betreffende voertuig op het moment dat dit voor het eerst in gebruik werd genomen bedraagt € 25.957,37. Het tarief bedraagt 45,2% van € 25.957,37, verminderd met een vast bedrag van € 1.540,00 omdat het voertuig wordt aangedreven door een benzinemotor. Omdat de personenauto op het moment van constatering minder dan 1 maand in gebruik was, wordt op het bruto-BPM bedrag 4% in mindering gebracht. Het verschuldigde BPM-bedrag bedraagt afgerond € 9.785,00.

Verschuldigd

Belasting van personenauto's en motorrijwielen € 9785

Heffingsrente €_______61

Totaal verschuldigd € 9846.'.

2.6. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur bij de bestreden uitspraak de naheffingsaanslag gehandhaafd. De belanghebbende is ter voorkoming van strafvervolging een transactie aangeboden van, uiteindelijk, € 454,=. De belanghebbende heeft met de namens de Inspecteur optredende boete-fraudecoördinator afgesproken, dat de transactie ter voorkoming van strafvervolging zal vervallen, indien het beroep gegrond wordt verklaard.

2.7. Op 26 juli 2004 heeft de belanghebbende op de voet van artikel 14 van de Wet BPM juncto artikel 2 van het Uitvoeringsbesluit BPM 1992 om een vrijstelling van belasting verzocht voor een personenauto van het merk D, type , chassisnummer en met Duits kenteken . Deze vrijstelling is bij voor bezwaar vatbare beschikking van 27 juli 2004 verleend met ingang van die datum.

2.8. Op 8 september 2004 heeft de belanghebbende aangifte BPM gedaan met betrekking tot de personenauto. De belanghebbende heeft hierna de personenauto bij een autodealer in Nederland ter verkoop aan laten bieden en deze niet meer gebruikt. De personenauto is 'geschorst' met betrekking tot de motorrijtuigenbelasting en de autoverzekering. De belanghebbende beoogde met de verkoop door middel van een tweedehandse verkoopprijs, die naar zijn idee in Nederland hoger zou moeten zijn dan buiten Nederland, een deel van de verschuldigde BPM terug te krijgen. Uiteindelijk heeft de belanghebbende de door hem beoogde verkoopprijs niet kunnen realiseren.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vraag:

I. Dient de naheffingsaanslag te worden vernietigd op grond van door de Inspecteur begane onzorgvuldigheden met betrekking tot deze naheffingsaanslag vóór het opleggen daarvan?

II. Dient de naheffingsaanslag te worden vernietigd omdat de Wet BPM, en wel in het bijzonder artikel 1, vijfde lid, van de Wet BPM, in strijd is met artikel 39 of 43 van het EG-verdrag?

De belanghebbende is van oordeel dat deze vragen bevestigend moet worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, waaronder de onder 1.5 vermelde pleitnota, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Ter zitting hebben partijen hieraan nog het volgende, kort weergegeven, toegevoegd:

Het onderzoek ter zitting

De belanghebbende

- Het is ten dele juist, zoals de Inspecteur stelt, dat de vrijstellingsvergunning snel wordt verleend. Echter, het is bijvoorbeeld zeer moeilijk een akte van oprichting te krijgen in Duitsland. Als je eenmaal over alle documenten beschikt, dan is de vergunning snel te verkrijgen.

- Ik kan niet in alle auto's rijden, omdat daar grote financiële consequenties aan verbonden zijn. Ik laat dat dan ook achterwege.

- De boete betreft een strafrechtelijke boete.

- Uw Hof houdt mij voor, dat alles openbaar wordt indien Uw Hof prejudiciële vragen zou stellen. In dat licht bezien laat ik mijn verzoek om privacy varen.

- Mijn verzoek om vergoeding van de kosten van het bezwaar laat ik, gelet op het feit dat ik daar niet reeds om in de bezwaarfase heb verzocht, varen.

- Naar mijn oordeel, is het zo dat eisen voor de vrijstelling, die niet toelaatbaar zijn, eveneens gevolgen dienen te hebben voor de naheffingsaanslag.

De Inspecteur

- In reactie op de pleitnota wordt opgemerkt, dat de naheffingsaanslag nog steeds even hoog is. Waarschijnlijk doelt de belanghebbende op correspondentie met de ontvanger.

- In deze procedure gaat het om de naheffingsaanslag en niet om de vrijstelling. De vrijstelling - naar het Hof verstaat: met betrekking tot een andere personenauto - is pas na het opleggen van de naheffingsaanslag aangevraagd.

- Het door de belanghebbende genoemde arrest van het HvJ EG van 15 september 2005 noopt tot een andere conclusie dan de belanghebbende trekt. Een vrijstelling wordt in Nederland zeer snel verleend.

- In de zaak van dit Hof met prejudiciële vragen van 31 mei 2005 betreft het een grensoverschrijdende leasesituatie. Daar is hier geen sprake van.

- In weerwil van wat de belanghebbende nu verklaart was het zo, dat de belanghebbende tot nu verklaarde dat het verzamelen van de voor de vrijstellingsvergunning benodigde stukken geen problemen opleverde.

Het nadere onderzoek ter zitting

De belanghebbende

- De personenauto heb ik gekocht nadat BPM is geheven. Daarna heb ik de personenauto naar Nederland overgebracht en aangifte BPM gedaan met betrekking tot de personenauto. Ik heb de personenauto niet meer in Nederland gebruikt. Ik heb de personenauto bij een autodealer in Nederland ter verkoop aan laten bieden. De personenauto is 'geschorst' met betrekking tot de motorrijtuigenbelasting en de autoverzekering. Ik beoogde met de verkoop door middel van een tweedehandse verkoopprijs, die naar mijn idee in Nederland hoger zou moeten zijn dan buiten Nederland, een deel van de verschuldigde BPM terug te krijgen. Uiteindelijk heb ik de door mij beoogde verkoopprijs niet kunnen realiseren.

- Ik maak geen aanspraak op vergoeding van proceskosten.

De Inspecteur

- De zaak van Van de Coevering betreft een geheel andere zaak. Het gaat hier niet om vrij verkeer van diensten.

- De vrijstellingsregeling voor werknemers is niet in strijd met het gemeenschapsrecht. De belanghebbende had van die vrijstelling gebruik kunnen maken, indien hij zich aan de voorwaarden had gehouden. Hij maakt van die vrijstelling, voor andere auto's, inmiddels ook gebruik.

3.3. De belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de bestreden uitspraak en vernietiging van de naheffingsaanslag. De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

Vraag I

4.1. De grief van de belanghebbende, dat de naheffingsaanslag moet worden vernietigd, vanwege door de Inspecteur begane onzorgvuldigheden faalt, overigens daargelaten of deze onzorgvuldigheden zich hebben voorgedaan. Het Hof verwijst in dit kader naar hetgeen de Hoge Raad der Nederlanden heeft beslist in zijn arrest van 28 oktober 1992, rolnummer 27 958, onder meer gepubliceerd in BNB 1993/36 en van 15 september 1993, rolnummer 29 175, onder meer gepubliceerd in BNB 1993/316.

4.2. Vraag I moet ontkennend worden beantwoord.

Vraag II

Jurisprudentie HvJ EG

4.3. Het Hof stelt voorop dat uit jurisprudentie van het HvJ EG volgt, dat, hoewel de lidstaten, bij ontbreken van een harmonisatie ter zake, zelf de voorwaarden mogen vaststellen voor de inschrijving van voertuigen die op hun grondgebied in het verkeer zijn, de dienaangaande vastgestelde maatregelen niet buiten de werkingssfeer van de artikelen 10 EG-verdrag, 39 EG-verdrag, artikel 43 EG-verdrag of artikelen 49 tot en met 55 EG-verdrag vallen (arrest van HvJ EG 2 oktober 2003, Lent, C-232/01, Jurispr. Blz. I-11525, punt 13 en zie, naar analogie, arrest van 24 oktober 2002, Hahn, C-121/00, Jurispr. blz. I-9193, punt 34; van 15 december 2005, Nadin e.a., C-151/04 en C-152/04, Jurispr. 2005 blz. I-11203, punten 30 en 47; van 21 maart 2002, Cura Anlagen GmbH-Auto Service Leasing GmbH, C-451/99, Jurispr. blz. I-3193, punt 40-46; en beschikking van HvJ EG van 27 juni 2006, Van de Coevering, Jurispr. 2006, bladzijde I-05843, punt 22-23).

4.4. Iedere gemeenschapsonderdaan die gebruik heeft gemaakt van het recht op vrij verkeer van werknemers en die een beroepswerkzaamheid in een andere lidstaat dan zijn woonstaat heeft uitgeoefend, valt, ongeacht zijn woonplaats en zijn nationaliteit, binnen de werkingssfeer van artikel 39 EG (arresten van HvJ EG van 23 februari 1994, Scholz, C-419/92, Jurispr. blz. I-505, punt 9; 12 december 2002, De Groot, C-385/00, Jurispr. blz. I-11819, punt 76 en van 2 oktober 2003, Lent, C-232/01, Jurispr. Blz. I-11525, punt 14).

4.5. Voorts is het vaste rechtspraak van het HvJ EG dat de bepalingen van het EG-verdrag inzake het vrije verkeer van personen beogen het de gemeenschapsonderdanen gemakkelijker te maken op het gehele grondgebied van de Gemeenschap om het even welk beroep uit te oefenen, en in de weg staan aan regelingen die deze onderdanen zouden kunnen benadelen wanneer zij op het grondgebied van een andere lidstaat een economische activiteit willen verrichten (arresten van HvJ EG van 7 juli 1992, Singh, C-370/90, Jurispr. blz. I-4265, punt 16; van 15 juni 2000, Sehrer, C-302/98, Jurispr. blz. I-4585, punt 32; van 12 december 2002, De Groot, C-385/00, Jurispr. blz. I-11819, punt 77 en van 2 oktober 2003, Lent, C-232/01, Jurispr. Blz. I-11525, punt 15).

4.6. Uit jurisprudentie van het HvJ EG volgt, dat het een lidstaat is toegestaan een registratiebelasting, zoals de belasting van personenauto's en motorrijwielen, te heffen over een voertuig dat ter beschikking van één van zijn inwoners is gesteld door een in een andere lidstaat gevestigde werkgever, wanneer dit voertuig hoofdzakelijk is bestemd voor duurzaam gebruik in eerstgenoemde lidstaat of daar feitelijk duurzaam wordt gebruikt (arrest van HvJ EG van 21 maart 2002, Cura Anlagen GmbH-Auto Service Leasing GmbH, C-451/99, Jurispr. blz. I-3193, punt 42; beschikking van HvJ EG van 30 mei 2006, Leroy, C-435/04, Jurispr. 2006, bladzijde I-04835, punt 14; beschikking van HvJ EG van 27 juni 2006, Van de Coevering, C-242/05, Jurispr. 2006, bladzijde I-05843, punt 24 en, met betrekking tot bedrijfsvoertuigen die ter beschikking van werknemers zijn gesteld, arresten van HvJ EG van 15 september 2005, Commissie/Denemarken, C-464/02, Jurispr. blz. I-7929, punten 75-78; van 15 december 2005, Nadin e.a., C-151/04 en C-152/04, Jurispr. 2005 blz. I-11203, punt 41; en van 23 februari 2006, Commissie/Finland, C-232/03, Jurispr. 2006 bladzijde I-00027*, punt 47).

4.7. Indien een voertuig niet hoofdzakelijk is bestemd voor duurzaam gebruik in de heffende lidstaat en evenmin daar feitelijk duurzaam wordt gebruikt bestaat er uit dien hoofde geen rechtvaardiging voor een beperking van het vrije verkeer van werknemers (artikel 39 van het EG-verdrag), de vrijheid van vestiging (artikel 43 EG-verdrag) of het vrije verkeer van diensten (artikelen 49 tot en met 55 EG-verdrag) en dient de belastingheffing te worden gerechtvaardigd op een andere grond. (Arrest van HvJ EG van 15 september 2005, Commissie/Denemarken, C-464/02, Jurispr. blz. I-7929, punt 79; van 15 december 2005, Nadin e.a., C-151/04 en C-152/04, Jurispr. 2005 blz. I-11203, punt 43 en beschikking van HvJ EG van 27 juni 2006, Van de Coevering, Jurispr. 2006, bladzijde I-05843, punt 26.)

4.8. Zelfs indien een onder 4.7 bedoelde andere rechtvaardiging aanwezig zou zijn, volgt uit vaste jurisprudentie van het HvJ EG dat bij de heffing van belasting, zoals de belasting van personenauto's en motorrijwielen, het evenredigheidsbeginsel dient te worden geëerbiedigd. Dit houdt in, dat de hoogte van de belasting evenredig dient te zijn aan het gebruik van de auto in de betrokken lidstaat. Alleen indien het doel van de belastingheffing niet kan worden bereikt door het invoeren van een belasting die evenredig is aan de duur van het gebruik in de betrokken lidstaat is zo'n belasting niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel (arrest van HvJ EG van 21 maart 2002, Cura Anlagen GmbH-Auto Service Leasing GmbH, C-451/99, Jurispr. blz. I-3193, punt 69 en beschikking van HvJ EG van 27 juni 2006, Van de Coevering, Jurispr. 2006, bladzijde I-05843, punten 27-29).

Overwegingen van het Hof met betrekking tot vraag II

4.9. De belanghebbende heeft zich beroepen op de artikelen 39 EG-verdrag en 43 EG-verdrag.

4.10. Niet in geschil is, dat de belanghebbende, woonachtig in Nederland, in dienstbetrekking werkzaam is bij zijn werkgever in Duitsland: B te C (Duitsland). Daarmee staat vast, dat sprake is van een arbeidsverhouding als bedoeld in artikel 39 EG-verdrag (vergelijk arrest HvJ EG van 15 december 2005, Nadin e.a., C-151/04 en C-152/04, Jurispr. 2005 blz. I-11203, punt 31). Bovendien bieden de artikelen 39 en 43 EG-verdrag dezelfde rechtsbescherming (arrest HvJ EG van 15 december 2005, Nadin e.a., C-151/04 en C-152/04, Jurispr. 2005 blz. I-11203, punt 47). Mitsdien zal het Hof artikel 43 EG-verdrag verder buiten beschouwing laten.

4.11. Naar het oordeel van het Hof volgt uit de onder 2.2 en de onder 2.8 weergegeven feiten, dat de (aan de belanghebbende door zijn werkgever ter beschikking gestelde) personenauto niet hoofdzakelijk is bestemd voor (duurzaam) gebruik in Nederland en evenmin daar hoofdzakelijk feitelijk (duurzaam) wordt gebruikt. De heffing van de belasting van personenauto's en motorrijwielen wordt derhalve niet gerechtvaardigd door een hoofdzakelijke bestemming voor duurzaam gebruik in Nederland of een hoofdzakelijk feitelijk duurzaam gebruik van die auto in Nederland.

4.12. Daargelaten of sprake is van een andere rechtvaardiging voor de heffing van de belasting van personenauto's en motorrijwielen in het onderhavige geval is het Hof van oordeel, dat de onderhavige op grond van artikel 1, vijfde lid van de Wet BPM opgelegde naheffingsaanslag in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Immers, de van de belanghebbende geheven belasting is niet bepaald evenredig aan de gebruiksduur van de personenauto in Nederland. Hierbij overweegt het Hof, dat uit de beschikking van het HvJ EG van 27 juni 2006, Van de Coevering, Jurispr. 2006, bladzijde I-05843, punt 30 volgt, dat het HvJ EG van oordeel is dat de wetgever een aan het gebruik van de personenauto in Nederland evenredige belasting van personenauto's en motorrijwielen zou kunnen bewerkstelligen.

4.13. De onder 4.12 geconstateerde strijd met het evenredigheidsbeginsel komt niet aan de orde indien de belanghebbende in aanmerking komt voor een vrijstelling, zoals bedoeld in artikel 2 van het Uitvoeringsbesluit BPM 1992. In artikel 2, derde lid van het Uitvoeringsbesluit BPM 1992 wordt als voorwaarde voor de vrijstelling gesteld, dat het verzoek om vrijstelling bij de Inspecteur wordt ingediend vóór de aanvang van het gebruik van de weg in Nederland met de personenauto. Op 16 juli 2003 kon de belanghebbende per definitie niet meer aan deze voorwaarde voldoen, zodat de belanghebbende, zoals de Inspecteur ook verdedigt, niet op grond van het Uitvoeringsbesluit BPM 1992 recht heeft op een vrijstelling. Voorts verdedigt de Inspecteur terecht, dat het opleggen van de naheffingsaanslag is geschied overeenkomstig (§ 3.4 van) het besluit van de staatssecretaris van Financiën van 13 december 2002, onder meer gepubliceerd in V-N 2003/10.25 (hierna: het besluit). Aan de belanghebbende is immers op 9 oktober 2001 een informatie- en waarschuwingsformulier uitgereikt, zodat de Inspecteur overeenkomstig het besluit terecht heeft geweigerd de belanghebbende alsnog in de gelegenheid te stellen een verzoek om vrijstelling in te dienen. Het beroep van de belanghebbende op het besluit van de staatssecretaris van Financiën van 30 januari 2001, onder meer gepubliceerd in V-N 2001/11.27 en de uitspraak van dit Hof van 4 juni 2002, gepubliceerd in V-N 2003/5.27 faalt op de grond dat dit laatste besluit bij het besluit met ingang van 13 december 2002 is ingetrokken. Aan dit laatste doet niet af, dat, zoals de belanghebbende stelt, hij niet op de hoogte was dan wel door de Inspecteur niet op de hoogte is gebracht van het gewijzigde beleid. Voldoende is, dat het gewijzigde beleid op geschikte wijze openbaar is gemaakt. Geen rechtsregel dwingt de Inspecteur ertoe belastingplichtigen ieder individueel op de hoogte te brengen van wijzigingen in het door de staatssecretaris van Financiën gevoerde beleid.

4.14. Nu uit 4.13 volgt, dat de belanghebbende niet alsnog in aanmerking kan komen voor de vrijstelling als bedoeld in artikel 2 van het Uitvoeringsbesluit BPM 1992 heeft de belanghebbende, naar nationaal recht beoordeeld, op grond van artikel 1, vijfde lid van de Wet BPM de volle belasting te voldoen, zonder dat rekening wordt gehouden met de gebruiksduur van de personenauto in Nederland terwijl, zoals hiervoor onder 4.14 opgemerkt, evenmin recht bestaat op een vrijstelling. Deze heffing is naar het oordeel van het Hof in strijd met het uit hoofde van het gemeenschapsrecht in acht te nemen evenredigheidsbeginsel.

4.15. De Inspecteur heeft in zijn brief van 16 februari 2007 nog betoogd, dat de belanghebbende in aanmerking had kunnen komen voor de vrijstelling als bedoeld in artikel 2 van het Uitvoeringsbesluit BPM 1992 indien hij van deze mogelijkheid - naar het Hof begrijpt tijdig - gebruik had gemaakt. Omdat, aldus de Inspecteur, de belanghebbende op eenvoudige wijze de belastingheffing had kunnen voorkomen verbindt de Inspecteur hieraan de conclusie dat geen sprake is van een belemmering van vrij verkeer van werknemers in de zin van artikel 39 EG-verdrag.

4.16. Met betrekking tot de onder 4.15 vermelde stelling van de Inspecteur overweegt het Hof, dat een vrijstelling, die verleend zou hebben kunnen worden indien voldaan zou zijn aan de voorwaarden daarvoor, niet eraan afdoet dat een belasting, die wordt geheven juist omdat niet aan de voorwaarden voor zo'n vrijstelling is voldaan, moet plaatsvinden op een wijze die in overeenstemming is met het uit hoofde van het gemeenschapsrecht in acht te nemen evenredigheidsbeginsel, in geval deze belasting niet gerechtvaardigd wordt door een hoofdzakelijke bestemming van een personenauto voor duurzaam gebruik in Nederland of een hoofdzakelijk feitelijk duurzaam gebruik van die auto in Nederland.

4.17. Uit het vorenoverwogene volgt, dat de op grond van artikel 1, vijfde lid van de Wet BPM opgelegde naheffingsaanslag in strijd komt met artikel 39 EG-verdrag en artikel 43 EG-verdrag en mitsdien, mede gelet op punten 5.6 tot en met 5.11 van de conclusie van advocaat-generaal De Wit van 21 december 2006, nr 40 597, LJ-nummer AZ8429, dient te worden vernietigd.

4.18. Vraag II moet bevestigend worden beantwoord.

Slot

4.19. De belanghebbende heeft verzocht de boete te vernietigen. Nu geen sprake is van een op de voet van de Algemene wet inzake rijksbelastingen opgelegde bestuursrechtelijke boete, maar van een in het kader van een voorkoming van strafrechtelijke vervolging aangeboden transactie is het Hof niet bevoegd te oordelen over die transactie. Ten overvloede overweegt het Hof voorts als volgt. Het komt het Hof evenwel voor, dat indien deze uitspraak onherroepelijk komt vast te staan elke grond aan een strafrechtelijke vervolging komt te ontvallen en er derhalve ook geen reden is van de belanghebbende een transactie te eisen ter voorkoming van strafvervolging. Kennelijk heeft de belanghebbende een daartoe strekkende afspraak met de Inspecteur gemaakt.

4.20. Alle overige stellingen van de belanghebbende behoeven geen behandeling meer.

Slotsom

4.21. Uit het vorenoverwogene volgt, dat het gelijk aan de zijde is van de belanghebbende. Voor dat geval is niet in geschil, dat het beroep gegrond is.

5. Proceskosten en griffierecht

5.1. De belanghebbende heeft tijdens het nadere onderzoek ter zitting uitdrukkelijk verklaard geen aanspraak te maken op vergoeding van proceskosten.

5.2. Nu het beroep gegrond is, dient, gelet op artikel 8:74, eerste lid, van de Awb aan de belanghebbende het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 37,= te worden vergoed.

6. Beslissing

Gelet op al het vorenstaande moet worden beslist als volgt:

Het Hof:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de bestreden uitspraak alsmede de naheffingsaanslag;

* gelast dat aan de belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 37,=; en

* wijst de Staat aan als de rechtspersoon die het griffierecht moet vergoeden.

Aldus gedaan op: 30 mei 2007 door A. Bijlsma, voorzitter, P. Fortuin, en G.D. van Norden, in tegenwoordigheid van M.J.J. van Oorschot, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 30 mei 2007

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het beroepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.