Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2007:BA7864

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
03-05-2007
Datum publicatie
25-06-2007
Zaaknummer
04/01456
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In 1999 vooruitbetaalde kosten van onderhoud van verhuurde onroerende zaken zijn in beginsel in het jaar van betaling aftrekbaar. Daaraan doet niet af dat de wetgever met ingang van 2000 door de invoering van artikel 38, achtste lid van de Wet IB 1964 de aftrek heeft getemporiseerd. Aan de aftrekbaarheid van vooruitbetaalde onderhoudskosten dient de eis te worden gesteld dat de vooruitbetaling het vermogen van de betaler definitief heeft verlaten. Tevens dient ten tijde van de betaling voldoende zekerheid te bestaan dat de overeenkomst de vennootschap dwingt tot het verrichten van periodiek onderhoud en dient in de overeenkomst voldoende duidelijk te zijn vastgelegd op welk moment en welke wijze dit onderhoud wordt uitgevoerd. In het onderhavige geval is de overeenkomst gesloten met de vennootschap waarvan de belanghebbende directeur-enig aandeelhouder en tevens de enige werknemer is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2007/42.1.2
FutD 2007-1175
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr.04/01456

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, derde meervoudige Belastingkamer, op het beroep van X te Y (hierna: de belanghebbende) tegen de uitspraak van de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst Z (hierna: de Inspecteur) op het bezwaarschrift betreffende na te melden aanslag.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan de belanghebbende is voor het jaar 1999 een aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van fl. 30.509,= welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

1.2. De belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de belanghebbende een griffierecht geheven van € 37,=. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 14 december 2006 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

1.4. De belanghebbende en de Inspecteur hebben te dezer zitting elk een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de wederpartij. Het hof rekent deze pleitnota's tot de stukken van het geding. De Inspecteur heeft tevens zes bijlagen bij de pleitnota overgelegd. De gemachtigde heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen overlegging daarvan.

1.5. Het hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende vast:

2.1. De belanghebbende is geboren op 12 november 1939.

2.2. De belanghebbende heeft onder meer de volgende panden in eigendom gelegen aan de:

- A-straat 77, ---- -- G

- B-straat 70, ---- -- G

- C-straat 62, ---- -- G

- D-straat 50, ---- -- G

- E-straat 30, ---- -- G

- A-straat 81, ---- -- G

- A-straat 83, ---- -- G

- D-straat 49, ---- -- G

- C-straat 18L, ---- -- G

- F-straat 10, ---- -- G

- B-straat 72, ---- -- G

Deze panden (hierna: de panden) behoren tot zijn privé-vermogen en zijn verhuurd aan derden. Op het pand gelegen aan de E-straat 30 na bestaat het eigendom van de belanghebbende uit een appartementsrecht en is de belanghebbende uit dien hoofde lid van desbetreffende vereniging van eigenaren. Met betrekking tot zes panden zijn ook derden lid van desbetreffende vereniging van eigenaren. Ten aanzien van vier panden bezit de belanghebbende alle appartementsrechten en is desbetreffende vereniging van eigenaren niet actief.

2.3. De belanghebbende is directeur-enig aandeelhouder van H B.V. (hierna: de vennootschap). De belanghebbende is de enige werknemer van de vennootschap. De vennootschap bezit een pand aan de J-straat te G. De opbrengsten van de vennootschap bestaan nagenoeg geheel uit huuropbrengsten.

2.4. Bij een in december 1999 ondertekende overeenkomst (hierna: de overeenkomst) tussen de belanghebbende en de vennootschap is overeengekomen dat de vennootschap de genoemde panden gedurende tien jaren, te weten de jaren december 1999 tot en met 31 december 2009 in goede staat van onderhoud zal onderhouden en het daarvoor benodigde periodieke onderhoud zal laten verrichten tegen een prijs van fl. 500.000,= (inclusief omzetbelasting). Dit bedrag is gebaseerd op een globale opname per pand. Partijen hebben in de overeenkomst bepaald dat een onderhoudsplan wordt opgesteld en dat indien de kosten 5% of meer afwijken van de vorengenoemde voorlopige raming het verschil tussen partijen zal worden verrekend. In de overeenkomst is tevens opgenomen dat indien bij nacalculatie blijkt dat per pand de kosten 5% of meer afwijken van de begrote bedragen partijen de meer- of minderkosten eveneens zullen verrekenen.

2.5. Ergens in de periode 2000-september 2003 is het onder 2.3 bedoelde onderhoudsplan opgesteld. De totale onderhoudskosten over een periode van tien jaren voor de panden bedragen volgens dit stuk (bijlage 8 bij het verweerschrift) fl. 525.900,=.

2.6. De vennootschap betaalt op 21 december 1999 fl. 250.000,= ter aflossing van de rekening-courantschuld aan de belanghebbende. Op dezelfde datum betaalt de belanghebbende het in de overeenkomst genoemde bedrag fl. 500.000,= aan de vennootschap. De belanghebbende financiert dit bedrag met de aflossing van de rekening-courantvordering op de vennootschap ad fl. 250.000,= en voor het restant uit opnamen van zijn spaarrekeningen.

2.7. De vennootschap wendt het per saldo van de belanghebbende ontvangen bedrag ad fl. 250.000,= aan voor de koop voor een bedrag van fl. 266.228,= van het pand gelegen aan de D-straat 51 te G.

2.8. De vennootschap passiveert het uit hoofde van de overeenkomst ontvangen bedrag ad fl. 500.000,= als 'voorziening onderhoudsreserve'. In het jaar 2000 wordt een bedrag aan onderhoudskosten ad fl. 50.200,= afgeboekt op deze voorziening.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

I. Is in 1999 sprake van door de belanghebbende aan de vennootschap betaalde in het jaar 1999 aftrekbare kosten van onderhoud?

II. Zo vraag I bevestigend moet worden beantwoord: Kan het door de belanghebbende aan de vennootschap betaalde bedrag ad fl. 500.000,= geheel in aftrek worden gebracht?

De belanghebbende is van oordeel dat deze vragen bevestigend moeten worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, waaronder de onder 1.4 vermelde pleitnota's met bijlagen, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Ter zitting hebben zij hieraan nog het volgende, kort weergegeven, toegevoegd:

De belanghebbende

- Terzake van punt 5.10 op pagina 4 van mijn pleitnota wordt opgemerkt dat met het overeengekomen bedrag bedoeld wordt het in de overeenkomst genoemde bedrag van fl. 500.000,=

- Terzake van punt 5.11, laatste zin op pagina 4 van mijn pleitnota wordt opgemerkt dat in plaats van 'de andere partij' moet worden gelezen 'de wederpartij'.

- Er wordt geen beroep gedaan op opgewekt vertrouwen ter zake van de wijze waarop de vennootschapsbelasting is geregeld.

- Het aanbod om getuigen, K (collega L) en M (zoon), als getuigen te doen horen ziet op het leveren van het bewijs dat de overeenkomst in 1999 is opgesteld en ondertekend. Gelet op de door de Inspecteur tijdens de zitting gegeven verklaring dat hij niet betwist dat overeenkomst in 1999 is opgesteld vervalt het in de stukken en hiervoor tijdens de zitting (pleitnota onder 5.14 op pagina 5 en onder 6.2 op pagina 8) gedane aanbod getuigen te doen horen.

- De in de overeenkomst genoemde globale schatting is gemaakt door door de panden te lopen door mijn zoon en mijzelf.

- De panden zullen niet worden verkocht; daarom is voor die situatie niets geregeld.

- Met betrekking tot de pleitnota van de Inspecteur:

- 4.1: De overeenkomst wordt wel nageleefd.

- 4.3: Het is niet noodzakelijk om alles te regelen om een overeenkomst te doen ontstaan.

- 4.4: Dit aspect is niet van belang.

- 4.6.1: De door de Inspecteur genoemde zekerheid is niet noodzakelijk.

- 4.6.5: De aannemer stuurt de facturen c.q. de rekeningen rechtstreeks naar de appartementseigenaren.

- 4.6.11: Er vindt geen onderhoud plaats dat voor rekening van de huurders dient te komen.

- 4.6.12: De nacalculatie dient pas na tien jaren plaats te vinden.

- 4.7: Het verschil van fl. 900,= tussen de globale schatting en het onderhoudsplan is van zo'n ondergeschikt belang dat geen verrekening nodig werd geacht. De belanghebbende kan niet zomaar geld uit de vennootschap halen en hij heeft dat ook niet gedaan.

- Voor de panden A-straat en B-straat geldt dat de belanghebbende alle appartementsrechten bezit en dat daarom in feite geen vereniging van eigenaren nodig is.

- Aanspraak wordt gemaakt op vergoeding van de kosten van bezwaar en de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Uitsluitend wordt aanspraak gemaakt op vergoeding van de kosten van de aan de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar bij de Inspecteur en van het beroep bij het Hof door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, vastgesteld overeenkomstig het in de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht opgenomen tarief.

De Inspecteur

- Op de vraag van uw hof of er een verliesbeschikking van nihil is vastgesteld wordt geantwoord dat dit niet blijkt uit het aanslagbiljet.

- Er wordt betwist dat de belanghebbende de gemachtigde heeft benaderd.

- Met betrekking tot de pleitnota van de belanghebbende:

- 5.3 en 5.6: Er wordt betwist dat de appartementseigenaren ieder hun eigen factuur krijgen. De belanghebbende heeft ten aanzien van deze punten geen bescheiden overgelegd die zijn stellingen onderbouwen.

- 5.8: De glijclausule heeft in het onderhavige geval geen effect.

- 5.10: In 1999 zijn geen werkzaamheden op naam en voor risico van de vennootschap verricht.

- 5.11: Uit niets blijkt dat een nacalculatie pas na tien jaren plaats zou moeten vinden.

- 5.12: Punt 4 van de overeenkomst wordt niet nageleefd doordat het verschil van fl. 900,= tussen de globale schatting en het onderhoudsplan niet wordt verrekend.

- De overeenkomst is pas in het jaar 2000 of later voldoende bepaald om te kunnen spreken van een overeenkomst.

- 5.13: Subsidiair wordt gesteld dat de aftrek moet worden beperkt tot de contante waarde van de onderhoudskosten.

- 5.14: De vennootschap is niet meer dan een betaaladres, maar in werkelijkheid niet de opdrachtgever. De belanghebbende is in wezen de opdrachtgever.

- 5.15: De marge is maximaal 5%.

- 5.16: De rente is tot en met het jaar 2003 in de heffing van inkomstenbelasting betrokken. Daartegen is geen bezwaar gemaakt. Bovendien blijkt uit het arrest HR 18 april 2003 dat met betrekking tot de inkomsten- en vennootschapsbelasting verschillende standpunten kunnen worden ingenomen.

- 6.2: Met betrekking de tweede alinea, laatste zin op pagina 8 wordt opgemerkt dat wordt betwist dat de belanghebbende het bedrag ad fl. 500.000,= niet kan opeisen en voorts wordt betwist dat dit bedrag zijn vermogen heeft verlaten.

- Het onderhoudsplan is niet eerder dan in het jaar 2000 gereed gekomen.

- Ik betwist niet dat het papier 'overeenkomst tot periodiek onderhoud aan onroerende zaken' op 23 december 1999 is opgemaakt en ondertekend.

- Met betrekking tot 4.6.12 van mijn pleitnota wordt opgemerkt, dat uit niets blijkt dat de nacalculatie pas na tien jaren behoort plaats te vinden.

3.3. De belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de bestreden uitspraak en vermindering van de aanslag tot een aanslag opgelegd naar een belastbaar inkomen van nihil. De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

Vraag I

4.1. In 1999 vooruitbetaalde kosten van onderhoud van verhuurde onroerende zaken zijn in beginsel in het jaar van betaling aftrekbaar. Daaraan doet niet af dat de wetgever met ingang van 2000 door de invoering van artikel 38, achtste lid van de Wet IB 1964 de aftrek heeft getemporiseerd.

4.2. Aan de aftrekbaarheid van vooruitbetaalde onderhoudskosten dient de eis te worden gesteld dat de vooruitbetaling het vermogen van de betaler definitief heeft verlaten. Tevens dient ten tijde van de betaling voldoende zekerheid te bestaan dat de overeenkomst de vennootschap dwingt tot het verrichten van periodiek onderhoud en dient in de overeenkomst voldoende duidelijk te zijn vastgelegd op welk moment en welke wijze dit onderhoud wordt uitgevoerd.

4.3. In het onderhavige geval is de overeenkomst gesloten met de vennootschap waarvan de belanghebbende directeur-enig aandeelhouder en tevens de enige werknemer is.

4.4. Ten tijde van het totstandkomen van de overeenkomst is - mede gelet op het feit dat het onderhoudsplan in het jaar 2000 of later tot stand is gekomen - niet vastgelegd wanneer en welke werkzaamheden plaats dienden te vinden. De Inspecteur heeft gesteld dat het in wezen de belanghebbende zelf is die bepaalt wanneer en in welke mate onderhoud wordt uitgevoerd en dat de vennootschap slechts als papieren betaal- en factureringsadres fungeert. Mede gelet op hetgeen onder 4.3 is overwogen is het hof van oordeel, dat de belanghebbende deze stellingen van de Inspecteur onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. Voorts kan de overeenkomst ook in onderling overleg worden ontbonden, waarbij de belanghebbende aanspraak heeft op terugbetaling van de betaalde vergoeding, verhoogd met een wettelijke rente, zonder dat rekening wordt gehouden met de eventueel reeds door de vennootschap verrichte werkzaamheden.

4.5. Op grond van het onder 4.3 en 4.4 overwogene is het hof van oordeel, dat eind 1999 hetgeen de belanghebbende en de vennootschap op papier hebben gezet qua inhoud onvoldoende bepaald dan wel bepaalbaar is om te kunnen concluderen dat eind 1999 tussen de belanghebbende en de vennootschap wilsovereenstemming is bereikt met betrekking tot de aard en omvang van het periodiek onderhoud aan de panden. Reeds dit staat naar het oordeel van het hof aan aftrek van het litigieuze bedrag van fl. 500.000,= in het onderhavige jaar in de weg.

4.6. Zelfs indien - anders dan het hof onder 4.5 heeft overwogen - aangenomen zou worden dat eind 1999 wèl wilsovereenstemming tussen de belanghebbende en de vennootschap is bereikt, en dat derhalve in civielrechtelijke zin wel een overeenkomst tot stand is gekomen, is hetgeen op 23 december 1999 is vastgelegd dermate vaag dat het hof, mede gelet op hetgeen het hof onder 4.3 en 4.4 heeft overwogen, van oordeel is dat aan de overeenkomst met betrekking tot de Wet IB 1964 realiteit dient te worden ontzegd.

4.7. Voorts leidt het hof uit het onder 4.3 en 4.4 overwogene af dat het door de belanghebbende in 1999 aan de vennootschap betaalde bedrag dient te worden aangemerkt als een depotstorting waarover de belanghebbende zelf vrijelijk kon beschikken. Alsdan zijn de kosten van onderhoud aftrekbaar in het jaar waarin deze kosten door de vennootschap worden gemaakt en ten laste van de depotstorting worden geboekt.

4.8. Vraag I moet ontkennend worden beantwoord.

Vraag II

4.9. Gelet op de ontkennende beantwoording van vraag I behoeft vraag II geen beantwoording meer.

Slotsom

4.10. Gelet op het vorenstaande is het gelijk aan de zijde van de Inspecteur.

4.11. De overige stellingen van de Inspecteur behoeven geen behandeling meer.

5. Kosten van bezwaar en proceskosten

Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten van het bezwaar en de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. Beslissing

Het hof verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan op: 3 mei 2007 door P. Fortuin, voorzitter, N. van Beelen en J.W. Zwemmer, in tegenwoordigheid van J.W.J. van der Heijden, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 3 mei 2007

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het beroepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.