Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2007:BA7859

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
21-05-2007
Datum publicatie
22-06-2007
Zaaknummer
20-011665-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Voorwaardelijk opzet op levensberoving bij poging tot doodslag;

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2007, 209
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 20-011665-05

Uitspraak : 21 mei 2007

TEGENSPRAAK

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 2 november 2005 in de strafzaak met parketnummer 01-845078-05 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971,

wonende te [woonplaats], [adres],

thans uit anderen hoofde verblijvende in P.I. Noord - De Grittenborgh te Hoogeveen.

Hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep moet, blijkens het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, worden begrepen als uitdrukkelijk te zijn beperkt tot de veroordeling ter zake van hetgeen aan de verdachte onder 1, 2 en 3 - voorzover het daarin tenlastegelegde ziet op het voorhanden hebben van een pistool (merk Walther kaliber 9 mm kort) en munitie van categorie III, te weten een kogelpatroon (merk Sellier&Bellot type centraalvuur, kaliber 9 mm Browning Cort) - is ten laste gelegd. Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De vordering van de advocaat-generaal houdt in dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende:

- primair: verdachte ten aanzien van de onder 1 primair, 2 en 3 - voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen - ten laste gelegde feiten zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht;

- subsidiair, wanneer het hof tot vrijspraak van het primair ten laste gelegde zou beslissen: verdachte ten aanzien van de onder 1 subsidiair, 2 en 3 - voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen - ten laste gelegde feiten zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor duur van 26 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht;

- de teruggave aan verdachte zal gelasten van de inbeslaggenomen nog niet teruggegeven voorwerpen.

Vonnis waarvan beroep

Het hof kan zich op onderdelen niet met het beroepen vonnis verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

primair

hij op of omstreeks 27 maart 2005 te Rosmalen, gemeente 's-Hertogenbosch, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet, met een vuurwapen door/op het hoofd van die [slachtoffer] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair

hij op of omstreeks 27 maart 2005 te Rosmalen, gemeente 's-Hertogenbosch, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte toen daar opzettelijk dreigend een (geladen) vuurwapen op/tegen het hoofd van die [slachtoffer] gezet, althans op het hoofd/lichaam van die [slachtoffer] gericht;

en/of

hij op of omstreeks 27 maart 2005 te Rosmalen, gemeente 's-Hertogenbosch, grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onachtzaam en/of nalatig een (geladen) vuurwapen op/tegen het hoofd van [slachtoffer] heeft gezet, althans op het hoofd van [slachtoffer] heeft gericht en/of de trekker van dat vuurwapen heeft overgehaald, waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest dat die [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel, te weten (een) schotverwonding(en) in het hoofd, heeft bekomen, althans zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van de ambts- of beroepsbezigheden van deze is ontstaan;

2.

hij op of omstreeks 27 maart 2005 te Rosmalen, gemeente 's-Hertogenbosch, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres]) een hoeveelheid van ruim 47 kilogram hennep(toppen), in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3.

hij op of omstreeks 27 maart 2005 te Rosmalen, gemeente 's-Hertogenbosch en/of Waalwijk, een wapen van categorie III, te weten een pistool (merk Walther kaliber 9mm kort) en/of munitie van categorie III, te weten een kogelpatroon (merk Sellier&Bellot, type centraalvuur, kaliber 9mm Browning Cort) voorhanden heeft gehad.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

primair

hij op 27 maart 2005 te Rosmalen, gemeente 's-Hertogenbosch, ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet, met een vuurwapen door het hoofd van die [slachtoffer] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op 27 maart 2005 te Rosmalen, gemeente 's-Hertogenbosch, opzettelijk heeft bewerkt (in een pand aan de [adres]) een hoeveelheid van ruim 47 kilogram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

3.

hij op 27 maart 2005 te Rosmalen, gemeente 's-Hertogenbosch, een wapen van categorie III, te weten een pistool (merk Walther kaliber 9mm kort), en munitie van categorie III, te weten een kogelpatroon (merk Sellier&Bellot, type centraalvuur, kaliber 9mm Browning Cort), voorhanden heeft gehad.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan wordt vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

De door het hof gebruikte bewijsmiddelen worden in het geval van beroep in cassatie vermeld in de aanvulling als bedoeld in artikel 365a van het Wetboek van Strafvordering, welke aanvulling in dat geval aan het arrest wordt gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

Zijdens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep ten verweer betoogd dat hij van het onder 1 primair ten laste gelegde moet worden vrijgesproken.

Daartoe is aangevoerd dat verdachte geen opzet heeft gehad - ook niet in voorwaardelijke

zin - op levensberoving van [slachtoffer]; immers, hij had niet die bedoeling en voorts was er in casu sprake van een opgezet schot waarbij verdachte het pistool bewust tegen de kaak van het slachtoffer heeft gezet en in een dusdanige stand heeft gehouden dat, bij het afgaan van een schot, geen vitale delen in het hoofd getroffen werden. Aldus heeft verdachte een eventueel bestaande aanmerkelijke kans dat het slachtoffer als gevolg van een schot om het leven zou komen, niet aanvaard.

Uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep en het strafdossier zijn de volgende feiten en omstandigheden af te leiden:

- in de nacht van 26 op 27 maart 2005 zijn verdachte en het slachtoffer [slachtoffer] - beiden vrienden van elkaar - samen op stap geweest, waarbij zij grote hoeveelheden drank en drugs tot zich hebben genomen;

- op de vroege ochtend van 27 maart 2005 zijn zij bij verdachte thuis gekomen, hebben daar nog drank en drugs genuttigd waarna vervolgens in de garage in ieder geval verdachte een pistool ter hand heeft genomen;

- op enig moment heeft verdachte het pistool, dat hij in zijn handen had, tegen het hoofd van het slachtoffer gehouden, waarna er een schot is afgegaan;

- de afgevuurde kogel is bij het slachtoffer aan de rechterzijde van het hoofd, net onder het oor, het lichaam binnengetreden en er aan de linkerzijde, ter hoogte van het jukbeen, weer uitgegaan.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft verdachte - zakelijk weergegeven - onder meer verklaard dat hij niet de bedoeling had om het slachtoffer door het hoofd te schieten, maar dat het een ongeluk was. Ten slotte heeft hij nog verklaard dat hij weet dat, als je een geladen pistool op iemands hoofd zet en het pistool afvuurt, die ander de aanmerkelijke kans loopt om als gevolg daarvan te overlijden.

Nopens het opzet van verdachte op de levensberoving van [slachtoffer] overweegt het hof het volgende.

Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg - in dit geval de levensberoving - is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden.

De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Van deze aanmerkelijke kans moet verdachte wetenschap hebben gehad en hij moet die aanmerkelijke kans hebben aanvaard.

Bij dat laatste verdient het opmerking dat bepaalde gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm zo zeer zijn gericht op een bepaald gevolg dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat de verdachte die aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.

Verdachte heeft - naar zijn eigen verklaring - een pistool tegen het hoofd (ter hoogte van het rechteroor) van [slachtoffer] gezet en gehouden. Van te voren had hij de patroonhouder verwijderd.

Vervolgens is een schot met dat pistool afgegaan.

Verdachte had zich er voordien niet van vergewist dat het pistool niet doorgeladen was en dat er zich geen kogel in de kamer bevond.

Deze handelwijze roept de aanmerkelijke kans in het leven dat die [slachtoffer] als gevolg daarvan komt te overlijden en daarvan heeft verdachte, gezien zijn verklaring ter terechtzitting in hoger beroep, wetenschap gehad.

Voorts is het plaatsen van een doorgeladen pistool tegen het hoofd van [slachtoffer] en het daarmee schieten, naar zijn uiterlijke verschijningsvorm zo zeer gericht op de levensberoving van die [slachtoffer] dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op vorenbedoeld gevolg ook heeft aanvaard. De door de raadsman aan het verweer ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden, die als contra-indicatie voor deze vaststelling zouden moeten gelden, zijn uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep geenszins aannemelijk geworden en ook overigens zijn van zodanige contra-indicaties uit dat onderzoek gebleken.

Gelet op het vorenoverwogene heeft verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij [slachtoffer] van het leven zou beroven. Dat dit gevolg niet is ingetreden is uitsluitend te danken aan omstandigheden buiten de wil van verdachte.

Het verweer wordt mitsdien verworpen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde onder 1 primair is als misdrijf voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 45, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht iuncto artikel 287 van die wet, zoals deze bepalingen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Het bewezen verklaarde onder 2 is als misdrijf voorzien bij artikel 3, aanhef en onder B, van de Opiumwet en strafbaar gesteld bij artikel 11, tweede lid, van die wet, zoals deze bepalingen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Het bewezen verklaarde onder 3 is - voorzover betreffende het voorhanden hebben van een wapen van categorie III - als misdrijf voorzien bij artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en strafbaar gesteld bij artikel 55, tweede lid, aanhef en onder a, van die wet, zoals deze bepalingen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Het bewezen verklaarde onder 3 is - voorzover betreffende het voorhanden hebben van munitie van categorie III - als misdrijf voorzien bij artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en strafbaar gesteld bij artikel 55, eerste lid, van die wet, zoals deze bepalingen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het wordt gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van het hof kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.

Daarbij is rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Voorts heeft het hof - ten nadele van verdachte - rekening gehouden met het volgende.

Verdachte heeft ter voltooiing van het onder 1 primair bewezen verklaarde een doorgeladen pistool tegen het hoofd van het slachtoffer [slachtoffer] gezet en vervolgens met dat pistool geschoten. Hierdoor werd het slachtoffer door zijn hoofd geschoten.

Het is een feit van algemene bekendheid dat een dergelijke handelwijze eenvoudig tot de dood van het slachtoffer had kunnen leiden. Dat dit gevolg niet is ingetreden is uitsluitend te danken aan omstandigheden buiten de wil van verdachte en daarom geenszins aan hem toe te rekenen. Het slachtoffer heeft dus grenzeloos geluk gehad dat hij het voorval kan navertellen

en - in het bijzonder - dat hij van het bewezen verklaarde geen enkel blijvend letsel heeft overgehouden.

Voorts leidt het gewelddadige karakter van het onder 1 primair bewezen verklaarde tot gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving.

In directe relatie tot het onder 1 primair bewezen verklaarde staat het onder 3 bewezen verklaarde voorhanden hebben van een pistool en bijbehorende munitie, beiden behorende tot categorie III van de Wet wapens en munitie. Het betrof hier een schietklaar vuurwapen waarmee dodelijke schoten kunnen worden afgelost.

Het is algemeen bekend dat het voorhanden hebben van een dergelijk wapen grote veiligheidsrisico's met zich brengt. Het - illegale - bezit van vuurwapens vormt vanwege de daaraan verbonden gevaarzetting een maatschappelijk kwaad dat ernstig dient te worden bestraft.

Ten slotte heeft verdachte in zijn garage een hoeveelheid van 47 kilogram van een materiaal bevattende hennep bewerkt door het daar te laten drogen.

Deze handelwijze staat in directe relatie met de handel in softdrugs, welke handel (vaak) allerlei maatschappelijk onwenselijke effecten, zoals het ontduiken van belastingen en de diefstal van stroom, bevordert; daarnaast is wetenschappelijk aangetoond dat het frequent gebruik van softdrugs de volksgezondheid kan schaden, met name waar het geestelijke aandoeningen betreft.

Ten voordele van verdachte heeft het hof rekening gehouden met het feit dat verdachte blijkens een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 2 april 2007 nog niet eerder terzake soortgelijke feiten als onder 1 primair en 2 bewezen verklaard, is veroordeeld.

Alle omstandigheden in aanmerking genomen, acht het hof een gevangenisstraf van na te melden duur alleszins passend.

De in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen moeten worden teruggegeven aan verdachte, zijnde degene die blijkens het onderzoek ter terechtzitting redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet, de artikelen 45, 57, 63 en 287 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 26, 55 en 56 van de Wet wapens en munitie, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

1.

Poging tot doodslag;

2.

Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod;

3.

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet Wapens en Munitie en het feit begaat met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet Wapens en Munitie.

Verklaart verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaren.

Bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de eventuele tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Gelast de teruggave aan verdachte van de inbeslaggenomen voorwerpen, ten aanzien waarvan nog geen last tot teruggave is gegeven, te weten:

- 1.00 STK geldbedrag van EUR 1.975,--;

- 1.00 STK geldbedrag van EUR 860,-- (43x20 euro);

- 1.00 STK videorecorder;

- 1.00 STK trui.

Aldus gewezen door

mr. A.M.G. Smit, voorzitter,

mrs. J.P.F. Rijken en M.A.M. Wagemakers,

in tegenwoordigheid van mr. C.P.J. Scheele, griffier,

en op 21 mei 2007 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. M.A.M. Wagemakers is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.