Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2007:BA7855

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
05-06-2007
Datum publicatie
22-06-2007
Zaaknummer
20-003861-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verweer: Misbruik van controlebevoegdheden. Verdachte is aangehouden in het kader van een verkeerscontrole, terwijl er in werkelijkheid sprake was van een verdenking van overtreding van de Opiumwet.

Hof: Controlebevoegdheid aantoonbaar niet uitsluitend gebruikt voor een ander doel dan waarvoor deze is verleend, nu verdachte (ondermeer) naar diens rijbewijs is gevraagd. Geen bewijsuitsluiting.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 160
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2007/74 met annotatie van WB
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 20-003861-06

Uitspraak : 5 juni 2007

TEGENSPRAAK

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Breda van 23 oktober 2006 in de strafzaak met parketnummer 02-626242-06 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1963],

wonende te [woonplaats], [adres].

Hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de eerste rechter zal vernietigen en opnieuw rechtdoende de verdachte zal veroordelen voor de feiten onder 1, 2, 3 en 4 subsidiair ten laste gelegd tot 120 uren werkstraf subsidiair 60 dagen hechtenis en

1 maand gevangenisstraf voorwaardelijk met 2 jaar proeftijd.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1. hij op of omstreeks 13 februari 2006, te Oosterhout, opzettelijk aanwezig heeft gehad

- (in een aan het [adres] gelegen woning/pand [nummer 31] [keukenlade]) ongeveer 48 gram, in elk geval een hoeveelheid, van een materiaal bevattende amfetamine en/of

- (in een aan het [adres] gelegen woning/pand [nummer 31] [keukentafel]) ongeveer 3 gram, in elk geval een hoeveelheid, van een materiaal bevattende amfetamine en/of

- (in een aan het [adres] gelegen woning/pand [nummer 31] [beautycase]) ongeveer 2 gram, in elk geval een hoeveelheid, van een materiaal bevattende MDMA en/of

- (in een aan het [adres] gelegen woning/pand [nummer 31] [beautycase]) zes, althans een (aantal), (gleuf-)tablet(ten) en/of delen daarvan, althans in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of

- (in een aan het [adres] gelegen woning/pand [nummer 31] [keukentafel]) acht, althans een (aantal), (gleuf-)tablet(ten), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of

- (in een voertuig, merk Volkswagen, type Golf), ongeveer 1 gram, in elk geval een hoeveelheid, van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine en/of MDMA (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2. hij op of omstreeks 13 februari 2006, te Oosterhout [pleegadres], opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een aan het [adres] gelegen woning/pand [nummer 31]) een hoeveelheid van ongeveer 1444 gram, in elk geval een hoeveelheid (van meer dan 30 gram), van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

3. hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2005 tot en met 13 februari 2006, te Oosterhout, in elk geval in Nederland, opzettelijk een kentekenbewijs (afgegeven voor een [personen-]auto, merk Volkswagen, type Polo, kenteken [kenteken]), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte, welk goed hij, verdachte, als gevonden voorwerp en aldus anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

4. hij op of omstreeks 29 juni 2001, te Oosterhout [pleegadres 2], met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een rugzak/rugtas (inhoudende onder meer een rijbewijs [ten name van [slachtoffer 2]]), in elk geval enig(e) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte;

subsidiair: hij in of omstreeks de periode van 29 juni 2001 tot en met 13 februari 2006, te Oosterhout, in elk geval in Nederland, opzettelijk een rijbewijs (ten name van [slachtoffer 2]), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte, welk goed hij, verdachte, als gevonden voorwerp en aldus anders dan door misdrijf, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

Vrijspraak

Het hof is van oordeel dat bij gebrek aan voldoende wettige bewijsmiddelen niet kan worden bewezen dat verdachte het onder 4 primair ten laste gelegde heeft begaan, zodat hij daarvan wordt vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht in tegenstelling tot de politierechter wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1. hij op 13 februari 2006, te Oosterhout, opzettelijk aanwezig heeft gehad

- (in een aan het [adres] gelegen woning/pand [nummer 31] [keukenlade]) 48 gram, in elk geval een hoeveelheid, van een materiaal bevattende amfetamine en/of

- (in een aan het [adres] gelegen woning/pand [nummer 31] [keukentafel]) 3 gram, in elk geval een hoeveelheid, van een materiaal bevattende amfetamine en/of

- (in een aan het [adres] gelegen woning/pand [nummer 31] [beautycase]) 2 gram, in elk geval een hoeveelheid, van een materiaal bevattende MDMA en/of

- (in een aan het [adres] gelegen woning/pand [nummer 31] [beautycase]) zes gleuftabletten van een materiaal bevattende MDMA en/of

- (in een aan het [adres] gelegen woning/pand [nummer 31] [keukentafel]) acht gleuftabletten, van een materiaal bevattende MDMA en/of

- (in een voertuig, merk Volkswagen, type Golf), 1 gram, in elk geval een hoeveelheid, van een materiaal bevattende amfetamine,

zijnde amfetamine en MDMA (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2. hij op 13 februari 2006, te Oosterhout, opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een aan het [adres] gelegen woning/pand [nummer 31]) een hoeveelheid van ongeveer 1444 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

3. hij in de periode van 1 januari 2005 tot en met 13 februari 2006, te Oosterhout, opzettelijk een kentekenbewijs (afgegeven voor een [personen-]auto, merk Volkswagen, type Polo, kenteken [kenteken]), toebehorende aan [slachtoffer 1], welk goed hij, verdachte, als gevonden voorwerp en aldus anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

4. subsidiair: hij in de periode van 29 juni 2001 tot en met 13 februari 2006, te Oosterhout, opzettelijk een rijbewijs (ten name van [slachtoffer 2]), toebehorende aan [slachtoffer 2], welk goed hij, verdachte, als gevonden voorwerp en aldus anders dan door misdrijf, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan wordt vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

Namens de verdachte is door de raadsvrouwe betoogd dat hij van het ten laste gelegde behoort te worden vrijgesproken. Daartoe is aangevoerd - zakelijk weergegeven - als volgt.

De politie heeft haar controlebevoegdheden op grond van de Wegenverkeerswet 1994 misbruikt, nu mijn cliënt is aangehouden in het kader van een verkeerscontrole, terwijl er in werkelijkheid een verdenking was van overtreding van de Opiumwet.

Verbalisanten hebben, nadat zij mijn cliënt in zijn auto zagen rijden, het kenteken opgevraagd. Er bleken geen bijzonderheden te zijn aan het voertuig en de te naamgestelde. Toen mijn cliënt hen passeerde werd hij door verbalisanten herkend als zijnde een drugsgebruiker, waarna zij besloten hem en zijn auto te controleren op grond van de Wegenverkeerswet 1994. Na zijn staande houding zag een van de verbalisanten een gripzakje met wit poeder in de auto liggen, waarna cliënt werd aangehouden voor het in bezit hebben van harddrugs. Hem werd vervolgens gevraagd of zij de auto mochten doorzoeken. Mijn cliënt zou daarvoor toestemming hebben gegeven. Ik betwist echter dat er sprake is geweest van het geven van toestemming. Cliënt had geen andere keus, nu er al drugs gevonden waren. In de kofferbak van de auto werd vervolgens een vuilniszak met hennepafval aangetroffen. Dit heeft tot gevolg dat het bewijs onrechtmatig verkregen is, hetgeen tot bewijsuitsluiting zou moeten leiden. Nu het onderzoek in zijn woning het directe gevolg was van de onrechtmatige doorzoeking van cliënts auto, dient ook het resultaat van die doorzoeking van het bewijs te worden uitgesloten. Bij gebrek aan overig bewijs dient mijn cliënt te worden vrijgesproken.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het hof is van oordeel dat de politie op grond van de Wegenverkeerswet 1994 bevoegd was de verdachte een stopteken te geven en hem naar zijn rijbewijs te vragen. Hierin ligt besloten dat de politieambtenaren hun bevoegdheid in ieder geval mede hebben uitgeoefend om zich te vergewissen van de naleving van de bij of krachtens de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde voorschriften conform artikel 160, vierde lid, van de Wegenverkeerswet 1994. Nu verdachte (ondermeer) naar diens rijbewijs is gevraagd, is de controlebevoegdheid aantoonbaar niet uitsluitend gebruikt voor een ander doel (het verrichten van opsporingshandelingen) dan waarvoor deze is verleend. De resultaten van de vervolgens met toestemming van verdachte uitgevoerde zoekingen mogen derhalve voor het bewijs worden gebruikt.

Het hof verwerpt het verweer.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde is voorzien bij artikel 2, aanhef en onder C, van de Opiumwet en strafbaar gesteld bij artikel 10, derde lid, van de Opiumwet, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Het onder 2 bewezen verklaarde is voorzien bij artikel 3, aanhef en onder C, van de Opiumwet en strafbaar gesteld bij artikel 11, tweede lid, van de Opiumwet, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Het onder 3 en 4 subsidiair bewezen verklaarde is telkens voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 321 van het Wetboek van Strafrecht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het wordt gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straffen

Gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht het hof oplegging van een taakstraf in de vorm van een werkstraf van na te melden duur passend en geboden.

Met oplegging voorts van een voorwaardelijke gevangenisstraf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 2, 3, 10 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57 en 321 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen, dat verdachte het onder 4 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1, 2, 3 en 4 subsidiair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het onder 1, 2, 3 en 4 subsidiair bewezen verklaarde oplevert:

1. Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet

gegeven verbod.

2. Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder C, van de Opiumwet

gegeven verbod.

3. en 4. telkens: Verduistering.

Verklaart verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van

120 (honderd twintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht naar de maatstaf van 2 (twee) uren per dag.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand.

Bepaalt, dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat verdachte zich vóór het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Aldus gewezen door

mr. H. Harmsen, voorzitter,

mr. A. de Lange en mr. H. de Doelder,

in tegenwoordigheid van mw. H. Van Zandbeek, griffier,

en op 5 juni 2007 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. H. de Doelder is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.