Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2007:BA7225

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
08-05-2007
Datum publicatie
18-06-2007
Zaaknummer
C0601120
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellanten en geïntimeerde zijn buren. Geïntimeerde heeft een garage gebouwd op zijn grond. Appellanten heeft werkzaamheden doen uitvoeren aan zijn huis en tuin. Na beëindiging van deze werkzaamheden van appellanten is de slab en een deel van de daaronder gelegen fundering van de garage van geïntimeerde bloot komen te liggen. Stellende dat zijn oprit door de afgraving dreigde te verzakken heeft geïntimeerde betonnen paaltjes ter steun in de grond geplaatst. De rechtbank Maastricht heeft bij vonnis in de bodemzaak tussen appellanten en geïntimeerde van 5 april 2006 (zaaknr. 88739/ HA ZA 03-1149) geoordeeld dat geïntimeerde is geslaagd in het aan hem opgedragen bewijs dat de erven van partijen aanvankelijk op de erfgrens op gelijk niveau hebben gelegen en dat door de afgraving door appellanten van de grond op de erfgrens de fundering van de garage van geïntimeerde bloot is komen te liggen, waardoor er steun aan de oprit van geïntimeerde is ontnomen. Geïntimeerde is volgens de rechtbank niet geslaagd in het bewijs, dat de betonnen paaltjes aanvankelijk op het eigen terrein van geïntimeerde hebben gestaan en door het ontnemen van de steun zijn verzakt (naar het terrein van [appellanten], hof).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

typ. MM

rolnr. KG C0601120/MA

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

sector civiel recht,

eerste kamer, van 22 mei 2007,

gewezen in de zaak van:

1. [APPELlANT SUB 1],

wonende te [plaats],

2. [APPELLANTE SUB 2],

wonende te [plaats],

appellanten bij exploot van dagvaarding van 4 september 2006,

procureur: mr. I. Klein,

tegen:

1. [GEÏNTIMEERDE SUB 1],

wonende te [plaats],

2. [GEÏNTIMEERDE SUB 2],

wonende te [plaats],

geïntimeerden bij gemeld exploot,

procureur: mr. J.A.Th.M. van Zinnicq Bergmann,

op het hoger beroep van het door de voorzieningenrechter van de rechtbank Maastricht in kort geding gewezen vonnis van 10 augustus 2006 tussen appellanten - hierna in mannelijk enkelvoud: [appellanten] - als eisers en geïntimeerden - hierna in mannelijk enkelvoud: [geïntimeerden] - als gedaagden.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 112091/KG ZA 06-248)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2. Het geding in hoger beroep

Bij memorie van grieven heeft [appellanten] vijf grieven aangevoerd, één productie overgelegd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot alsnog toewijzing van zijn vorderingen, met veroordeling van [geïntimeerden] in de kosten van de procedure.

Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerden] de grieven bestreden en één productie overgelegd.

Partijen hebben daarna de stukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de grieven verwijst het hof naar de memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1.1. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

[appellanten] en [geïntimeerden] zijn buren. [geïntimeerden] heeft een garage gebouwd op zijn grond. [appellanten] heeft werkzaamheden doen uitvoeren aan zijn huis en tuin. Na beëindiging van deze werkzaamheden van [appellanten] is de slab en een deel van de daaronder gelegen fundering van de garage van [geïntimeerden] bloot komen te liggen. Stellende dat zijn oprit door de afgraving dreigde te verzakken heeft [geïntimeerden] betonnen paaltjes ter steun in de grond geplaatst.

4.1.2. De rechtbank Maastricht heeft bij vonnis in de bodemzaak tussen [appellanten] en [geïntimeerden] van 5 april 2006 (zaaknr. 88739/ HA ZA 03-1149) geoordeeld dat [geïntimeerden] is geslaagd in het aan hem opgedragen bewijs dat de erven van partijen aanvankelijk op de erfgrens op gelijk niveau hebben gelegen en dat door de afgraving door [appellanten] van de grond op de erfgrens de fundering van de garage van [geïntimeerden] bloot is komen te liggen, waardoor er steun aan de oprit van [geïntimeerden] is ontnomen. [geïntimeerden] is volgens de rechtbank niet geslaagd in het bewijs, dat de betonnen paaltjes aanvankelijk op het eigen terrein van [geïntimeerden] hebben gestaan en door het ontnemen van de steun zijn verzakt (naar het terrein van [appellanten], hof).

4.1.3. De rechtbank heeft in conventie [geïntimeerden], uitvoerbaar bij voorraad, geboden om binnen twee weken na betekening van het vonnis de grensoverschrijdende betonnen paaltjes van de oprit te verwijderen op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,-- per dag met een maximum van

€ 2.500,--.

In reconventie heeft de rechtbank [appellanten], uitvoerbaar bij voorraad, geboden om binnen twee weken na betekening van het vonnis die voorzieningen te treffen, waardoor er geen (verdere) schade kan ontstaan aan de garage en oprit van [geïntimeerden], op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,-- per dag met een maximum van € 5.000,--.

4.1.4. Het is het hof ambtshalve bekend dat [appellanten] van dit vonnis hoger beroep heeft ingesteld bij dit hof (rolnr. C06/00685). In deze zaak zijn partijen thans uitgeprocedeerd en is de zaak voor dagbepaling arrest verwezen naar de rol van 19 juni a.s.

4.1.5. Op 18 april 2006 heeft de raadsman van [geïntimeerden] aan de raadsman van [appellanten] verzocht aan te geven welke voorzieningen [appellanten] wilde gaan treffen. Na telefonisch contact tussen de raadslieden is op 28 april 2006 aan de raadsman van [geïntimeerden] bericht dat op 1 mei 2006 een aannemer bij [appellanten] zou langskomen, waarna de raadsman van [geïntimeerden] nader zou worden bericht.

4.1.6. Intussen had [geïntimeerden] het vonnis op 21 april 2006 aan [appellanten] laten betekenen. Op 9 mei 2006 heeft [appellanten] het vonnis aan [geïntimeerden] laten betekenen.

4.1.7. Vervolgens is er uitgebreid faxverkeer geweest tussen de beide raadslieden over de door [appellanten] te treffen voorzieningen. In de fax van 20 juni 2006 is door [appellanten] aangegeven dat de aannemer op 3 en/of 4 juli 2006 de voorzieningen wil gaan treffen, en is [geïntimeerden] nogmaals verzocht de paaltjes te verwijderen.

4.1.8. [geïntimeerden] heeft op 30 juni 2006 de betonnen paaltjes verwijderd.

4.1.9. Op 4 juli 2006 heeft de door [appellanten] uitgekozen aannemer laten weten door ziekte niet eerder dan 7 augustus 2006 (na de bouwvak) in staat te zijn de werkzaamheden uit te voeren.

4.1.10. Bij brief van 5 juli 2006, ontvangen op 6 juli 2006, schreef deurwaarder Haenen aan [appellanten] dat hij opdracht heeft ontvangen tot executie van het vonnis van 5 april 2006 over te gaan. [appellanten] werd in de gelegenheid gesteld om binnen 5 dagen na 5 juli 2006 een bedrag van € 5.000,-- ter voldoen, bij gebreke waarvan tot tenuitvoerlegging zou worden overgegaan.

4.1.11. [appellanten] heeft daarop de onderhavige procedure aangespannen omdat hij van mening was dat [geïntimeerden] ten onrechte over wilde gaan tot executie van het vonnis. [appellanten] stelde dat de executie onredelijk was nu hij bij de uitvoering van het vonnis afhankelijk was van [geïntimeerden], en nu er - gelet op de fax van de aannemer van 4 juli 2006 - thans sprake was van overmacht aan zijn zijde ter zake het treffen van de voorzieningen.

4.1.12. [appellanten] heeft op 7 augustus 2006 de benodigde voorzieningen getroffen.

4.1.13. De voorzieningenrechter heeft in zijn thans beroepen vonnis de vordering van [appellanten] afgewezen, omdat hij oordeelde dat het initiatief tot het starten van de werkzaamheden van [appellanten] diende te komen, en het op diens weg lag om (in een eerder stadium dan thans is geschied) aan te geven wanneer de werkzaamheden zouden beginnen, zodat [geïntimeerden] de paaltjes voordien had kunnen verwijderen. Een en ander heeft zich ook zo verwezenlijkt, aldus de voorzieningenrechter, immers [appellanten] heeft aangegeven dat de werkzaamheden op 3 of 4 juli 2006 zouden beginnen, en op 30 juni 2006 heeft [geïntimeerden] de paaltjes verwijderd.

Indien al zou moeten worden geoordeeld dat het feit dat de werkzaamheden eerst op 7 augustus 2006 konden worden uitgevoerd door ziekte bij de aannemer, zijdens [appellanten] overmacht oplevert, dan ligt het volgens de voorzieningenrechter in de rede dat als [appellanten] tijdig bedoeld initiatief had genomen de werkzaamheden ook tijdig zouden zijn afgerond. Hieraan voegde de voorzieningenrechter toe dat de dwangsom derhalve al moet worden geacht te zijn verbeurd op het moment dat na 1 juli 2006 bleek dat de aannemer de werkzaamheden niet voor 7 augustus 2006 zou kunnen uitvoeren.

4.1.14. Tegen dit oordeel en deze overwegingen zijn de grieven gericht.

4.2.1. Het hof zal de grieven gezamenlijk behandelen.

Hierbij stelt het hof voorop dat krachtens art. 430 lid 3 jo art. 611a lid 3 Rv de betekening van een veroordelende uitspraak het moment fixeert waarop het verbeurd zijn van een dwangsom een aanvang neemt.

In een executiegeschil waarbij het erom gaat of dwangsommen zijn verbeurd omdat een bevel tot nakoming niet of onvoldoende is nageleefd, zoals in het onderhavige geval, heeft de rechter niet tot taak de door de bodemrechter besliste rechtsverhouding zelfstandig opnieuw te beoordelen, maar dient hij zich ertoe te beperken de ter uitvoering van het veroordelend vonnis verrichte handelingen te toetsen aan de inhoud van de veroordeling zoals deze door uitleg moet worden vastgesteld. Daarbij dient de rechter het doel en de strekking van de veroordeling tot richtsnoer te nemen in dier voege dat de veroordeling niet verder strekt dan tot het bereiken van het daarmee beoogde doel (vgl. HR 15 november 2002, NJ 2004, 410).

4.2.2. Het vonnis van 5 april 2006 verplichtte zowel [appellanten] als [geïntimeerden] tot het verrichten van bepaalde handelingen: [geïntimeerden] diende de betonnen paaltjes te verwijderen en [appellanten] diende voorzieningen te treffen. Zij zijn hiertoe veroordeeld omdat de paaltjes van [geïntimeerden] op de grond van [appellanten] stonden, en daarmee door [geïntimeerden] inbreuk werd gemaakt op het eigendomsrecht van [appellanten], en omdat de afgraving door [appellanten] een verzakking bij [geïntimeerden] veroorzaakte en daaraan een eind moest worden gemaakt.

4.2.3. Uit het veroordelend vonnis vloeit voort dat voorshands juist is de overweging van de voorzieningenrechter dat partijen van elkaar afhankelijk waren bij het nakomen van de veroordeling ([appellanten] kon geen voorzieningen treffen als de paaltjes van [geïntimeerden] nog op zijn grond stonden, en [geïntimeerden] kon de paaltjes niet weghalen als er geen voorzieningen bij [appellanten] waren getroffen). Dat neemt niet weg, dat voorbereidingen om tijdig aan de veroordeling te voldoen, niet van de wederpartij afhankelijk zijn, en, naar het oordeel van het hof, van [appellanten] - degene die voorbereidingen moest treffen - gevergd kan worden dat hij in het onderhavige geval reeds voor de betekening van het vonnis deze voorbereidingen zou hebben getroffen (vgl. HR 27 april 1979, NJ 1980, 169).

Voorts is uit de feiten duidelijk dat enkele dagen nadat [appellanten] aankondigde dat de werkzaamheden bij hem zouden beginnen, [geïntimeerden] daadwerkelijk de paaltjes tijdig daarvoor heeft weggehaald, waardoor het uitvoeren van de werkzaamheden bij [appellanten], voor zover deze inderdaad afhankelijk zouden zijn van [geïntimeerden], ongehinderd een aanvang kon nemen.

4.2.4. Uiteindelijk komt het er op neer dat het veroordelend vonnis, daterend van 5 april 2006 op 21 april 2006 aan [appellanten] is betekend, dat [appellanten] op 20 juni 2006 aankondigde dat er op 3 of 4 juli a.s. zou worden gewerkt, maar dat de werkzaamheden pas op 7 augustus 2006 hebben plaatsgehad. Rekening houdend met alle omstandigheden van het geval, zoals met name de voorshands aannemelijk geachte wederzijdse afhankelijkheid en het uitvoerige overleg tussen partijen over de wijze van uitvoering van de door [appellanten] geplande werkzaamheden, kon [geïntimeerden] van [appellanten] verwachten dat er daadwerkelijk op 3 of 4 juli 2006 zou worden gewerkt, en behoefde hij geen verder uitstel te dulden. De versterking van de veroordeling met een dwangsom is ook juist bedoeld om er zeker van te zijn, dat de wederpartij tot handelen wordt aangezet en dat onredelijk uitstel niet behoeft te worden getolereerd. Dat er begin juli 2006 (weer) een kink in de kabel kwam aan de zijde van [appellanten], is een omstandigheid die gelet op het hiervoor overwogene geheel voor rekening en risico van [appellanten] dient te blijven.

4.2.5. Nu tevens vaststaat dat tussen 4 juli 2006 en 7 augustus 2006 meer dan 10 dagen zijn verstreken staat ook vast dat [geïntimeerden] aanspraak kan maken op het totale bedrag aan dwangsommen.

4.2.6. De stelling van [appellanten], dat de raadsman van [geïntimeerden] zou hebben toegezegd het veroordelend vonnis wel te zullen betekenen, maar niet te zullen executeren, is door [geïntimeerden] betwist door er onder meer op te wijzen dat zijn raadsman heeft gezegd de executie achterwege te zullen laten wanneer de voorzieningen door [appellanten] op de meest korte termijn zouden worden getroffen. Voorshands acht het hof de stelling van [appellanten], gelet op de gemotiveerde betwisting door [geïntimeerden], niet aannemelijk. Dat betekent dat de stelling door [appellanten] zou moeten worden bewezen. Een kort geding als het onderhavige leent zich echter niet voor bewijsvoering, zodat het hof deze stelling van [appellanten] zal passeren.

4.2.7. Dit alles betekent dat de grieven, in onderling verband beschouwd, falen en de voorzieningenrechter terecht heeft geoordeeld dat de vorderingen van [appellanten] tot stopzetting van de executie van het veroordelend vonnis door [geïntimeerden] en de terugbetaling aan [appellanten] van hetgeen hij in verband met deze executie reeds aan [geïntimeerden] heeft voldaan, terecht zijn afgewezen.

4.2.8. Het vonnis zal onder aanvulling van de gronden waarop het berust worden bekrachtigd, en als in het ongelijk gestelde partij zal [appellanten] in de kosten van het hoger beroep worden verwezen.

5. De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt onder aanvulling van de gronden waarop het berust het beroepen vonnis op 10 augustus 2006 tussen partijen gewezen;

veroordeelt [appellanten] in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerden] gevallen tot op heden begroot op € 296,-- aan verschotten en € 894,-- aan salaris procureur.

Dit arrest is gewezen door mrs. Begheyn, Fikkers en Riemens en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof op 22 mei 2007.