Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2007:BA6976

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
29-05-2007
Datum publicatie
13-06-2007
Zaaknummer
C0501069
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Nu gesteld noch gebleken is dat een eigendomsvoorbehoud als het onderhavige moet worden aangemerkt als een gewoonte of gebruikelijke handelwijze waaraan [bedrijf 2] is gebonden en, zoals hiervoor reeds is uiteengezet, [bedrijf 2] pas na de totstandkoming van de koopovereenkomst, aan de hand van de facturen, kennis heeft kunnen nemen van een eigendomsvoorbehoud (al dan niet op de voor- of achterzijde van de factuur), kan niet worden gezegd dat [bedrijf 2] ingevolge de artikelen 18 juncto 8 en 9 van het verdrag met dit eigendomsvoorbehoud heeft ingestemd en aldus heeft aanvaard. Nu aldus is komen vast te staan dat tussen appellante en [bedrijf 2] niet is overeengekomen dat de [type machine] onder eigendomsvoorbehoud zou worden geleverd, betekent zulks dat de vordering van appellante jegens geïntimeerde, uit hoofde van onrechtmatige daad, een grondslag ontbeert. Het hanteren van een sale en lease back-constructie kan immers op zich - als geenszins ongebruikelijk - niet als onrechtmatig jegens de leverancier van de desbetreffende machine worden aangemerkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

typ. MT

rolnr. C051069/HE

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

sector civiel recht,

eerste kamer, van 29 mei 2007,

gewezen in de zaak van:

de vennootschap naar Belgisch recht [APPELLANTE],

gevestigd te [plaats] (België),

appellante in principaal appel,

geïntimeerde in incidenteel appel,

procureur: mr. J.E. Lenglet,

tegen:

[GEÏNTIMEERDE],

wonende te [plaats], [gemeente],

geïntimeerde in principaal appel,

appellante in incidenteel appel,

procureur: mr. E.H.W. van Nijnatten,

op het bij exploot van dagvaarding d.d. 30 mei 2005 ingeleide hoger beroep van het vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch onder rolnummer 102471/HA ZA 03-2263 op 9 maart 2005 uitgesproken tussen appellante in principaal appel

-nader te noemen [appellante]- als eiseres en geïntimeerde in principaal appel -nader te noemen [geïntimeerde]- als gedaagde.

1. Het geding in eerste aanleg

Hiervoor verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2. Het geding in hoger beroep

Bij memorie van grieven heeft [appellante] in het principaal appel twee grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot als in die memorie is omschreven.

Bij memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in het incidenteel appel, heeft [geïntimeerde] de grieven in het principaal appel bestreden, in incidenteel appel twee grieven aangevoerd en geconcludeerd als in die memorie is omschreven.

[appellante] heeft daarna, onder overlegging van producties, een memorie van antwoord in incidenteel appel genomen.

[appellante] heeft vervolgens, op 30 juni 2006, ter griffie een blanco factuur van [appellante] gedeponeerd.

Partijen hebben vervolgens hun zaak doen bepleiten: [appellante] door mr. P.G.E. van Gremberghen en [geïntimeerde] door mr. E.H.W. van Nijnatten. [geïntimeerde] heeft bij gelegenheid van pleidooi een akte overlegging productie genomen.

Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de grieven verwijst het hof naar de memorie van grieven en de memorie van antwoord in het principaal appel tevens memorie van eis in het incidenteel appel.

4. De beoordeling

in principaal en in incidenteel appel:

4.1. In rechtsoverweging 1 van het beroepen vonnis heeft de rechtbank vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. Door [geïntimeerde] wordt bestreden dat [bedrijf 1] de machine van het type [type machine] (hierna: [type machine]) eerst op [datum 1] van [appellante] heeft gekocht. Het hof zal een nieuwe samenvatting geven van de feiten en een omschrijving van het geschil.

4.2. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

a. [appellante] heeft in 2000 een [type machine] verkocht en geleverd aan [bedrijf 1], thans [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2]) voor een bedrag van f 951.232,39 (€ 431.650,44).

b. De [type machine] is bij factuur van [datum 1] aan [bedrijf 2] in rekening gebracht. Onderaan deze factuur was vermeld: "de goederen blijven onze eigendom tot volledige betaling heeft plaatsgevonden". De factuur is tot een bedrag van € 332.071,34 onbetaald gebleven.

c. [appellante] hanteert algemene voorwaarden. Artikel 6 van deze voorwaarden luidt als volgt:

Eigendom van de geleverde goederen gaat eerst op de koper over nadat deze aan ons al het door hem uit oorzaak van deze levering verschuldigde, met inbegrip van de eventuele kosten, rente en penaliteit, heeft voldaan. De koper kan derhalve over de nog niet volledig betaalde goederen op geen enkele wijze beschikken, meer in het bijzonder kan hij ze niet aan derden in onderpand en/of in zijn eigendom overdragen.

d. [bedrijf 2] heeft de [type machine] op [datum 2] verkocht aan [bedrijf 3] en deze vervolgens van [bedrijf 3] teruggeleased (sale and lease back). De betreffende leaseovereenkomst was namens [bedrijf 2] door [geïntimeerde] als C.F.O. (financieel directeur) ondertekend. [geïntimeerde] heeft de leaseovereenkomst tevens ondertekend als gevolmachtigde van [bedrijf 4], een aan [Holding bedrijf 2] gelieerde vennootschap.

e. In de periode van 14 april 1997 tot 1 september 2001 was [Holding bedrijf 2] bestuurder van [bedrijf 2]. [geïntimeerde] was tot mei 2001 statutair directeur van [Holding bedrijf 2], de moedermaatschappij van [International bedrijf 2], waarvan hij financieel directeur was. Vanaf 1 september 2001 was deze vennootschap bestuurder van [bedrijf 2].

f. [bedrijf 2] is bij vonnis van [datum 3] van de rechtbank Almelo in staat van faillissement verklaard. Op dezelfde dag heeft de Ontvanger bodembeslag gelegd bij [bedrijf 2], waarbij de [type machine] door dat beslag is getroffen. Ook [Holding bedrijf 2] en [International bedrijf 2] zijn op [datum 3] gefailleerd.

g. De curator van [bedrijf 2] heeft het eigendomsvoorbehoud van [appellante] ter zake van de [type machine] eind oktober 2001 erkend. Medio 2002 is de beslagen [type machine] (na afgifte van een bankgarantie) door de Ontvanger vrijgegeven aan [appellante]. De rechtbank Rotterdam heeft bij vonnis van 30 juni 2004 (JOR 2004/259), gewezen tussen de Ontvanger en [appellante], geoordeeld dat [appellante] sterkere rechten heeft op de [type machine] dan de Ontvanger. De Ontvanger is van dit vonnis in hoger beroep gegaan bij het hof 's-Gravenhage.

h. In eerste aanleg heeft [appellante] - na eiswijziging - gevorderd [geïntimeerde], [persoon 1] (voormalig bestuurder van [International bedrijf 2] en zijn echtgenote [persoon 2] (hoofdelijk) te veroordelen aan [appellante] te betalen de restanthoofdsom van € 322.071,34, te vermeerderen met de contractuele rente, althans tot betaling van de schade op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, en proces- en beslagkosten. [appellante] heeft aan haar vordering - kort samengevat - ten grondslag gelegd dat [geïntimeerde] en/of [persoon 1] jegens haar onrechtmatig heeft/hebben gehandeld doordat [bedrijf 2] de [type machine] aan [bedrijf 3] heeft verkocht, terwijl de eigendom van de [type machine] aan [appellante] was voorbehouden en [bedrijf 2] heeft nagelaten uit de verkoopopbrengst van de [type machine] de schuld aan [appellante] af te lossen.

i. De rechtbank heeft in het beroepen vonnis overwogen dat [geïntimeerde] weliswaar onrechtmatig jegens [appellante] heeft gehandeld, doch tevens dat niet is komen vast te staan dat de door [appellante] gestelde schade (het deels onbetaald laten van de factuur van [datum 1]) door de onrechtmatige gedraging van [geïntimeerde] is veroorzaakt. De rechtbank heeft de vorderingen van [appellante] vervolgens afgewezen, met veroordeling van [appellante] in de proceskosten. De rechtbank heeft in haar vonnis vastgesteld dat [persoon 1] ten tijde van het aangaan van de leaseovereenkomst niet kon worden aangemerkt als (indirect) bestuurder en heeft de vorderingen jegens [persoon 1] (en bijgevolg tevens de vorderingen jegens zijn vrouw [persoon 2]) afgewezen.

j. [appellante] vordert in hoger beroep alsnog toewijzing van haar vordering jegens [geïntimeerde], met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten. De door [appellante] in principaal appel opgeworpen grieven richten zich tegen het oordeel van de rechtbank dat het causaal verband tussen de gestelde schade en het onrechtmatig handelen van [geïntimeerde] ontbreekt.

4.3. Het hof zal eerst de grieven in het incidenteel appel behandelen.

4.3.1. Met deze grieven bestrijdt [geïntimeerde] het oordeel van de rechtbank dat [bedrijf 2] de levering van de [type machine] onder eigendomsvoorbehoud heeft aanvaard. De rechtbank heeft daartoe onder meer in rov. 3.6. overwogen dat nu [bedrijf 2] niet heeft geprotesteerd tegen de op de voorzijde van de factuur van [datum 1] vermelde zinsnede "de goederen blijven eigendom tot volledige betaling heeft plaatsgevonden", zij de levering onder eigendomsvoorbehoud heeft aanvaard op grond van de artikelen 18 lid 3 juncto de artikelen 8 en 9 van het Weens Koopverdrag. De rechtbank heeft de vraag naar de toepasselijkheid van de door [appellante] gehanteerde algemene voorwaarden, die, aldus [appellante], op de achterzijde van de factuur zouden zijn afgedrukt, en waarin tevens, in artikel 6, een eigendomsvoorbehoud was opgenomen, in het midden gelaten. [appellante] heeft haar eigendomsvoorbehoud in hoger beroep tevens gegrond op haar algemene voorwaarden, zodat het hof ook op deze grondslag zal dienen te beslissen.

4.3.2. Vooropgesteld dient te worden dat, gelijk ook de rechtbank heeft geoordeeld, de tussen [appellante] en [bedrijf 2] gesloten koopovereenkomst ingevolge artikel 1 aanhef en onder a Weens Koopverdrag wordt beheerst door dit eenvormig kooprecht. Tot de door het Weens Koopverdrag geregelde onderwerpen behoort de vraag of een partij haar toestemming heeft verleend tot de totstandkoming van een koopovereenkomst en de daarvan deel uitmakende algemene voorwaarden (HR 28-01-2005, NJ 2006, 517). De vraag of [appellante] en [bedrijf 2] een eigendomsvoorbehoud zijn overeengekomen en/of [bedrijf 2] de toepasselijkheid van de door [appellante] gehanteerde algemene voorwaarden, en het daarin opgenomen eigendomsvoorbehoud heeft aanvaard, moet derhalve moeten worden beantwoord aan de hand van de bepalingen over aanbod en aanvaarding (artikel 14 en 19 van het Weens Koopverdrag) en door uitleg van (het verdrag), met name in de context van de artikelen 8 en 9 van dat verdrag.

4.3.3. Niet in geschil is dat [appellante] en [bedrijf 2] reeds jarenlang, in elk geval vanaf 1998, zaken met elkaar hebben gedaan. Evenmin is in geschil dat op de voorzijde van de door [appellante] aan [bedrijf 2] gezonden facturen, en zo ook op de onderhavige factuur van [datum 1], was vermeld dat de levering plaatsvond onder eigendomsvoorbehoud. [geïntimeerde] betwist dat de algemene voorwaarden op de achterzijde van de facturen van [appellante] waren afgedrukt. Tussen partijen staat vast dat van de betreffende transactie een schriftelijke koopovereenkomst is opgemaakt (die volgens [appellante] in het ongerede is geraakt). Gesteld noch gebleken is evenwel dat in de betreffende koopovereenkomst melding is gemaakt van een eigendomsvoorbehoud respectievelijk van de toepasselijkheid van de door [appellante] gehanteerde algemene voorwaarden.

4.3.4. Ingevolge artikel 18 lid 1 van het verdrag geldt een stilzwijgen of een niet reageren op een aanbod op zichzelf niet als aanvaarding. [appellante] beroept zich ook niet zozeer op hetgeen [appellante] en [bedrijf 2] uitdrukkelijk of stilzwijgend zijn overeengekomen, doch baseert de geldigheid van haar eigendomsvoorbehoud louter op de door haar gestelde herhaalde verwijzing op (de voorzijde en achterzijde van) haar facturen, die eerst na de totstandkoming van de overeenkomst aan [bedrijf 2] zijn overhandigd of toegezonden. [appellante] beroept zich evenmin op gewoonten of gebruikelijke handelwijzen waaraan partijen ingevolge artikel 9 van het verdrag zouden zijn gebonden.

4.3.5. De vraag die zich derhalve aandient, is of [appellante] zich, ondanks het bepaalde in artikel 18 van het verdrag, jegens [bedrijf 2] op het eigendomsvoorbehoud kan beroepen, op grond van het feit dat partijen niet één keer hebben gecontracteerd, maar reeds gedurende een aantal jaren. Deze vraag dient in het licht van genoemde artikelen van het Weens Koopverdrag ontkennend te worden beantwoord. Nu gesteld noch gebleken is dat een eigendomsvoorbehoud als het onderhavige moet worden aangemerkt als een gewoonte of gebruikelijke handelwijze waaraan [bedrijf 2] is gebonden en, zoals hiervoor reeds is uiteengezet, [bedrijf 2] pas na de totstandkoming van de koopovereenkomst, aan de hand van de facturen, kennis heeft kunnen nemen van een eigendomsvoorbehoud (al dan niet op de voor- of achterzijde van de factuur), kan niet worden gezegd dat [bedrijf 2] ingevolge de artikelen 18 juncto 8 en 9 van het verdrag met dit eigendomsvoorbehoud heeft ingestemd en aldus heeft aanvaard.

4.3.6. Nu aldus is komen vast te staan dat tussen [appellante] en [bedrijf 2] niet is overeengekomen dat de [type machine] onder eigendomsvoorbehoud zou worden geleverd, betekent zulks dat de vordering van [appellante] jegens [geïntimeerde], uit hoofde van onrechtmatige daad, een grondslag ontbeert. Het hanteren van een sale en lease back-constructie kan immers op zich - als geenszins ongebruikelijk - niet als onrechtmatig jegens de leverancier van de desbetreffende machine worden aangemerkt. [appellante] heeft ook niet gesteld dat dat op zich onrechtmatig was. Ook het niet gebruiken van de ontvangen gelden van de leasemaatschappij om de koopsom af te lossen is zonder bijkomende omstandigheden, die gesteld noch gebleken zijn, niet onrechtmatig jegens de leverancier. [appellante] heeft dat overigens ook niet gesteld. De conclusie is aldus dat deze in incidenteel appel gevoerde grief slaagt.

4.4. De in principaal appel opgeworpen grieven tegen het oordeel van de rechtbank dat het causaal verband tussen de gestelde schade en het onrechtmatig handelen van [geïntimeerde] ontbreekt, behoeven mitsdien geen bespreking meer.

4.5. Uit het vorenstaande volgt dat het beroepen vonnis, onder verbetering van de gronden zal worden bekrachtigd. [appellante] zal als de in het ongelijk gestelde partij in principaal en in incidenteel appel in de kosten worden veroordeeld.

5. De uitspraak

Het hof:

in principaal en incidenteel appel:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 9 maart 2005 onder verbetering van de gronden zoals hiervoor is overwogen;

in principaal appel:

veroordeelt [appellante] in de proceskosten van het hoger beroep, welke kosten aan de zijde van [geïntimeerde] tot de dag van deze uitspraak worden begroot op € 1.100,-- aan verschotten en € 9.789,-- aan salaris procureur;

verklaart voormelde veroordeling uitvoerbaar bij vooraad;

in incidenteel appel:

veroordeelt [appellante] in de proceskosten van het hoger beroep, welke kosten aan de zijde van [geïntimeerde] tot de dag van deze uitspraak worden begroot op € 4.894,50 aan salaris procureur.

Dit arrest is gewezen door mrs. Begheyn, Riemens en Feith en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 29 mei 2007.