Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2007:BA6968

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-05-2007
Datum publicatie
13-06-2007
Zaaknummer
C0501223
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBBRE:2005:AU2205, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Op grond van het in rov. 4.11. overwogene moet het hof ervan uitgaan dat [persoon 1] de operatie volgens de standaard-werkwijze heeft uitgevoerd en dat er daarbij geen complicaties zijn opgetreden. Tussen partijen staat vast dat bij alle onderzoeken die inmiddels hebben plaatsgevonden (zie rov. 4.1. sub e), niet enig verband is gevonden tussen de door [persoon 1] uitgevoerde operatie en de gezondheidsklachten van [appellante] direct na de operatie. Het feit dat geen gedetailleerd verslag van de operatie is opgemaakt, biedt op zichzelf onvoldoende grond om te kunnen concluderen dat de operatie heeft geleid tot de gestelde klachten. Op dit punt heeft appellante te weinig gesteld. Voor bewijslevering is derhalve geen plaats, ook niet door middel van een nieuwe deskundigenonderzoek naar de vraag of operatieve verrichtingen van [persoon 1] op [datum 1] kunnen hebben geleid tot de gezondheidsklachten van appellante.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 462
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
GJ 2007/104
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

typ. MM

rolnr. C0501223/BR

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

sector civiel recht,

vierde kamer, van 22 mei 2007,

gewezen in de zaak van:

[APPELLANTE],

wonende te [plaats],

appellante bij exploot van dagvaarding van 24 augustus 2005 en herstelexploot van 31 augustus 2005,

procureur: mr. Ph. C.M. van der Ven,

tegen:

de Stichting STICHTING ELISABETH ZIEKENHUIS TILBURG,

gevestigd te Tilburg,

geïntimeerde bij gemeld exploot,

procureur: mr. J.E. Benner,

op het hoger beroep van het door de rechtbank Breda gewezen vonnis van 22 juni 2005 tussen appellante - [appellante] - als eiseres en geïntimeerde - het Ziekenhuis - als gedaagde.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 133938/HA ZA 04-1027)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven heeft [appellante] één grief aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot toewijzing van haar vordering.

2.2. Bij memorie van antwoord heeft het Ziekenhuis de grief bestreden.

2.3. Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

De grief strekt ten betoge dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat het Ziekenhuis heeft voldaan aan de in casu bestaande verzwaarde stelplicht.

In de memorie van grieven punt 18 stelt [appellante] tevens dat zij het geschil in volle omvang voorlegt aan het hof.

4. De beoordeling

4.1. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

a. Op [datum 1] is [appellante] onder volledige narcose

geopereerd door plastisch chirurg [persoon 1] (hierna [persoon 1]) in het ziekenhuis te Tilburg dat door het Ziekenhuis wordt geëxploiteerd. De operatie betrof een buikwandplastiek, waarbij een (oppervlakkige) buikwandfistel werd verwijderd en een navelreconstructie plaatsvond (hierna: de operatie). Bij een eerdere chirurgische ingreep, drie jaar voordien, was de navel van [appellante] verwijderd.

b. [persoon 1] heeft in het "medisch contact formulier", bestemd voor het medisch dossier van [appellante], omtrent de toestand van [appellante] vóór de operatie onder "diagnose(n)" vermeld "uitgebreid adherent actief littekenproces buik; status na navelexcisie". In datzelfde formulier heeft [persoon 1] onder "therapeutische verrichting(en)" vermeld "buikwandplastiek + reconstr. navel" alsmede de datum [datum 1]. Voor het overige is door [persoon 1] geen verslag gemaakt van de verrichte medische handelingen bij [appellante] op [datum 1].

c. Vrijwel direct na het ontwaken uit de narcose heeft [appellante] klachten geuit over onder meer pijn en een "doof gevoel" in de beide benen en moeilijkheden met lopen. Sinds de operatie is zij rolstoelafhankelijk. Voorts heeft [appellante] sedertdien last van aandrangklachten en incontinentie voor urine, geduid als "stress-incontinentie".

d. Vóór de operatie had [appellante] deze klachten en verschijnselen niet. Zij was vóór de operatie werkzaam als verpleegkundige bij een serviceappartement. Na de operatie is zij op grond van genoemde klachten volledig arbeidsongeschikt geacht.

e. Voor deze klachten zijn geen medische en/of neurologische verklaringen gevonden, noch bij chirurgisch en neurologisch onderzoek in het ziekenhuis, noch bij aanvullende onderzoeken in het Academisch Ziekenhuis Utrecht, het Academisch Ziekenhuis Nijmegen en het Groene Hart Ziekenhuis te Gouda.

f. Bij brief d.d. 3 december 2003 (prod. 1 inl. dagv.) heeft [appellante] gesteld dat de operatie door [persoon 1] niet zorgvuldig is uitgevoerd en dat geen operatieverslag aanwezig blijkt te zijn. [appellante] heeft het Ziekenhuis aansprakelijk gesteld voor haar schade (materieel en immaterieel). Het Ziekenhuis heeft zijn aansprakelijkheid betwist.

4.2. [appellante] heeft in dit geding - kort gezegd - gevorderd te bepalen dat het Ziekenhuis op grond van art. 7: 462, lid 1 BW aansprakelijk is voor de door haar geleden en nog te lijden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

4.3. Bij vonnis d.d. 22 juni 2005 heeft de rechtbank de vordering afgewezen.

4.4. De rechtbank heeft daartoe - kort gezegd - het volgende overwogen.

a. Gelet op de door het Ziekenhuis verstrekte feitelijke informatie, heeft het Ziekenhuis voldaan aan zijn stelplicht ter motivering van zijn betwisting van de stellingen van [appellante]. Het ontbreken van een (uitgebreid) operatieverslag doet daaraan niet af. (rov. 3.6.).

b. In het midden kan blijven of het ontbreken van het operatieverslag op zichzelf reeds een tekortkoming vormt, omdat deze tekortkoming niet heeft geleid tot de schade waarvan [appellante] vergoeding vordert (rov. 3.7.).

c. De stelling van [appellante] dat [persoon 1] tijdens de operatie een kunstfout heeft gemaakt doordat hij een of meer zenuwen heeft beschadigd, is onvoldoende onderbouwd (rov. 3.8.).

d. De enkele - gestelde - omstandigheid dat de klachten en beperkingen waarvan [appellante] direct na de operatie last heeft gekregen, tijdens de operatie zijn ontstaan, levert, zou dit al komen vast te staan, op zichzelf onvoldoende grond op voor de conclusie dat [persoon 1] een verwijtbare medische fout heeft gemaakt (rov. 3.9.).

4.5. [appellante] stelt in haar toelichting op de grief dat voor haar gezondheidsheidsklachten weliswaar vooralsnog geen verklaring is gevonden, maar dat wel vaststaat dat de gezondheidsklachten als het gevolg moeten worden gezien van hetgeen heeft plaatsgevonden tijdens de ingreep.

4.6. Voorzover [appellante] met het tweede deel van deze stelling wil betogen dat vaststaat dat haar gezondheidsklachten een gevolg zijn van de verrichtingen van [persoon 1], is die stelling onjuist. Het geschil tussen partijen gaat juist over de vraag of de gezondheidsklachten van [appellante] een gevolg zijn van de operatieve verrichtingen van [persoon 1].

4.7. [appellante] stelt dat de oorzaak van de gezondheidsklachten hoogstwaarschijnlijk moet worden verklaard door aan te nemen dat [persoon 1] weefselstructuren heeft beschadigd doordat hij dieper in de buik is gaan exploreren dan de onderhuidse vetlaag tot op de fascie.

4.8. Het Ziekenhuis heeft verschillende feitelijke gegevens verschaft ter motivering van zijn betwisting van de (veronder)stelling van [appellante] dat [persoon 1] dieper in de buik is gaan exploreren. In de eerste plaats heeft het Ziekenhuis erop gewezen dat er in casu sprake was van een standaard-ingreep die volgens een vast patroon wordt uitgevoerd, zoals beschreven in punt 2.3. conclusie van antwoord. Daarom ook is de verslaglegging van de ingreep beperkt gebleven tot de aantekening: buikwandplastiek met reconstructie van de navel (cvd punt 2.2. op pag. 3). Indien zich bijzonderheden of complicaties hadden voorgedaan zou daarvan melding zijn gemaakt. Er behoefde geen andere werkwijze te worden toegepast vanwege de aanwezigheid van (oppervlakkige) fistelvorming en deze fistelvorming heeft de ingreep ook niet bemoeilijkt (cvd punt 2.2. op pag. 2). [persoon 1] is niet verder gegaan dan de fascie van de rechte en schuine buikspier. De weefselstructuren die daarbij zijn beschadigd of doorgenomen, kunnen niet de oorzaak zijn van de uitvals- en pijnverschijnselen van de benen of de incontinentieproblematiek (cva punt 4.1.). Het Ziekenhuis heeft voorts gesteld dat slechts indien zenuwen worden beschadigd die zich aan de achterzijde van de buikholte bevinden - in het retroperitoneum - uitval van de functie van de benen zou kunnen optreden. [persoon 1] is van dat gebied ver verwijderd gebleven. Indien weefselstructuren zouden zijn doorgenomen of beschadigd die de uitvals- en pijnverschijnselen en de incontinentieproblematiek kunnen verklaren, zou dit zeker zijn vastgesteld, hetgeen niet het geval is (cvd punt 3.2.). Het ziekenhuis heeft [appellante] bovendien inzage gegeven in het volledige dossier, waaronder het verpleegkundige dossier.

4.9. Volgens [appellante] heeft het Ziekenhuis met het voorgaande onvoldoende feitelijke gegevens verstrekt ter motivering van zijn betwisting van de stellingen van [appellante]. Voormeld betoog van het Ziekenhuis berust, aldus [appellante], niet op een beschrijving van de operatie zoals die feitelijk door [persoon 1] heeft plaatsgevonden. Er is immers geen operatieverslag.

Er is zelfs geen verklaring van [persoon 1] in het geding gebracht, waarin deze achteraf weergeeft hoe de operatie is verlopen. Bij gebreke van relevante gegevens omtrent het daadwerkelijk verloop van de operatie, kan [appellante] niet aangeven wat de verklaring is van de gezondheidsklachten die tijdens de ingreep zijn ontstaan. Dit moet volgens [appellante] gevolgen hebben voor het bewijs van het causale verband tussen de operatieve ingreep en de daarna ontstane gezondheidsklacht van [appellante].

4.10. Het hof overweegt het volgende.

Aan de conclusie van antwoord is een brief d.d. [datum 2] gehecht van de klachtencommissie van het Ziekenhuis. In die brief is vermeld dat [persoon 1] op [datum 3] een gesprek heeft gehad met [appellante] en de dochter van [appellante]. Voorts is in die brief vermeld dat de klachtbrief van [appellante] d.d. [datum 4] voor een schriftelijke reactie is doorgestuurd naar - onder meer - [persoon 1], dat [persoon 1] heeft gereageerd en dat diens reactie is toegestuurd aan [appellante], waarop [appellante] haar zienswijze heeft gegeven bij brief d.d. [datum 5]. [appellante] en [persoon 1] hebben voorts een gesprek gehad met de klachtencommissie op [datum 6].

De Klachtencommissie heeft overwogen dat [persoon 1] heeft aangegeven dat de operatie volgens de regels van het vak is verlopen en zonder enige complicatie.

Dit alles is door [appellante] niet bestreden. Het hof concludeert op grond van dit een en ander dat [appellante] door [persoon 1] kort na de operatie uitvoerig is ingelicht over de gang van zaken tijdens de operatie die zij op [datum 1] heeft ondergaan.

4.11. Hetgeen onder 4.8. en 4.10. is overwogen laat geen andere conclusie toe dan dat het Ziekenhuis voldoende feitelijke gegevens heeft verschaft die de conclusie wettigen dat de onderhavige operatie van [appellante] door [persoon 1] is uitgevoerd volgens de standaard-werkwijze en dat daarbij geen complicaties zijn opgetreden. Het feit dat dit niet met zoveel woorden in het dossier met betrekking tot de behandeling van [appellante] is vermeld, brengt niet mee dat reeds op grond daarvan moet worden aangenomen dat het Ziekenhuis niet voldoende feitelijke gegevens heeft verschaft ter motivering van zijn betwisting van de stellingen van [appellante] en dat [appellante] om die reden niet kan aangeven wat de verklaring is voor haar gezondheidsklachten. Het Ziekenhuis heeft zijn verweer dus voldoende feitelijk onderbouwd, zodat het Ziekenhuis in zoverre aan zijn stelplicht heeft voldaan.

4.12. [appellante] herhaalt in hoger beroep het bewijsaanbod dat zij in punt 7 van de inleidende dagvaarding heeft gedaan.

4.13. Het hof gaat aan dit bewijsaanbod voorbij.

Op grond van het in rov. 4.11. overwogene moet het hof ervan uitgaan dat [persoon 1] de operatie volgens de standaard-werkwijze heeft uitgevoerd en dat er daarbij geen complicaties zijn opgetreden. Tussen partijen staat vast dat bij alle onderzoeken die inmiddels hebben plaatsgevonden (zie rov. 4.1. sub e), niet enig verband is gevonden tussen de door [persoon 1] uitgevoerde operatie en de gezondheidsklachten van [appellante] direct na de operatie.

Het feit dat geen gedetailleerd verslag van de operatie is opgemaakt, biedt op zichzelf onvoldoende grond om te kunnen concluderen dat de operatie heeft geleid tot de gestelde klachten. Op dit punt heeft [appellante] te weinig gesteld. Voor bewijslevering is derhalve geen plaats, ook niet door middel van een nieuwe deskundigenonderzoek

naar de vraag of operatieve verrichtingen van [persoon 1] op [datum 1] kunnen hebben geleid tot de gezondheidsklachten van [appellante].

4.14. De grief faalt dus.

4.15. Het hof heeft in de memorie van grieven verder geen geconcretiseerde bezwaren tegen het beroepen vonnis aangetroffen, zodat het beroepen vonnis moet worden bekrachtigd.

4.16. Als de in hoger beroep in het ongelijk gestelde partij moet [appellante] worden veroordeeld in de kosten van dit geding in hoger beroep.

5. De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis d.d. 22 juni 2005, waarvan beroep;

veroordeelt [appellante] in de proceskosten van het hoger beroep, welke kosten aan de zijde van het Ziekenhuis tot de dag van deze uitspraak worden begroot op € 291,- aan verschotten en € 894,- aan salaris procureur.

Dit arrest is gewezen door mrs. Bod, Huijbers-Koopman en Hofkes en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 22 mei 2007.