Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2007:BA6914

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
05-06-2007
Datum publicatie
12-06-2007
Zaaknummer
C0500497
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De gemeente heeft gesteld dat, indien in het kader van de vergunningverlening op de aanvraag van [datum 9] van [appellanten] de MER-procedure zou zijn gevolgd alvorens een vergunning te verlenen, een milieuvergunning voor 4944 vleesvarkens niet zou zijn verleend, omdat een MER-procedure meestal ruim anderhalf jaar duurt, de vergunningverlening alsdan in 2003 zou vallen en de milieuregelgeving in die periode zodanig is gewijzigd dat verlening van de vergunning niet mogelijk was (cva punt 46, cvd punt 20, pleitnotitie punt 19). [appellanten] heeft dat niet betwist, in ieder geval niet gemotiveerd. Bij pleidooi (punt 28-31) betoogt [appellanten] wel dat deze stelling van de gemeente onverlet laat dat de door hem gestelde schade een gevolg is van de onrechtmatig verleende vergunning, doordat deze vergunning het risico van het ontstaan van die schade in het leven heeft geroepen. Dat betoog is echter onjuist. De onrechtmatig verleende vergunning heeft dat risico niet in het leven geroepen. Dat risico bestond al, onafhankelijk van de onrechtmatig verleende vergunning. [appellanten] zou dus, indien aanstonds door de gemeente de MER-procedure zou zijn gevolgd, evenmin een milieuvergunning voor 4944 vleesvarkens hebben gekregen en de omzetderving op de nieuwe locatie ook dan hebben geleden. De gemeente heeft er overigens onweersproken op gewezen dat een milieuvergunning voor een kleiner aantal vleesvarkens onder de nieuwe milieuwetgeving niet is uitgesloten

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

typ. CB

rolnr. C0500497HE

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

sector civiel recht,

vierde kamer, van 5 juni 2007,

gewezen in de zaak van:

1. [APPELLANT SUB 1],

2. [APPELLANTE SUB 2],

echtgenoten, beiden wonende te [plaats],

appellanten bij exploot van dagvaarding van 24 maart 2005,

procureur: mr. J.E. Lenglet,

tegen:

DE GEMEENTE BLADEL,

gevestigd te [plaats],

geïntimeerde bij gemeld exploot,

procureur: mr. J.P.F.W. van Eijck,

op het hoger beroep van het door de rechtbank 's-Hertogenbosch gewezen vonnis van 29 december 2004 tussen appellanten - in enkelvoud aan te duiden als [appellanten] - als eiser en geïntimeerde - de gemeente - als gedaagde.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 91309/HA ZA 03-311)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven heeft [appellanten] onder overlegging van twee producties twee grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot toewijzing van zijn vordering.

2.2. Bij memorie van antwoord alsmede incidentele memorie van grieven heeft de gemeente onder overlegging van een productie de grieven bestreden.

2.3. Bij memorie van antwoord tevens akte houdende overlegging productie heeft [appellanten] gereageerd op voormelde memorie van de gemeente.

2.4. Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

De grieven van [appellanten] strekken ten betoge dat de rechtbank zijn vordering ten onrechte heeft afgewezen.

4. De beoordeling

4.1. Het hof merkt vooraf het volgende op. De memorie van antwoord alsmede incidentele memorie van grieven van de gemeente bevat geen grieven en geen conclusie in incidenteel appel. Het hof gaat er daarom vanuit dat de vermelding in de kop van die memorie "alsmede incidentele memorie van grieven" op een vergissing berust en dat geen incidenteel appel is ingesteld.

4.2. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

a. In 1998 had [appellanten] een agrarisch bedrijf te [plaats] gelegen op twee locaties, te weten aan de [adres 1] en aan de [adres 2] (prod. 3A en prod. 5, pag. 5, inl. dagv.). Voor de bedrijfsuitoefening aan de [adres 1] beschikte [appellanten] over een milieuvergunning d.d. [datum 1], te weten voor het houden van 500 vleesstieren en 60 vleeskalveren met dierplaatsen en een aardappelschilbedrijf. In verband met de omschakeling van het bedrijf van vleesstieren en vleeskalveren naar vleesvarkens en uitbreiding van de inrichting heeft [appellanten] op [datum 2] een aanvraag ingediend voor een milieuvergunnning voor 4660 vleesvarkens en het verplaatsen van het bedrijf naar [adres 2] (cva in het incident alsmede eis in reconventie in het incident, prod. 2).

b. In 1998 had de gemeente vergevorderde plannen om aan de zuidzijde van het bedrijf van [appellanten] een agrarisch bedrijventerrein te ontwikkelen, waar agrarisch aanverwante bedrijven zich kunnen vestigen. Ook de bestaande stallen van [appellanten] zouden binnen dat bedrijventerrein vallen en de bestemming "aanverwante agrarische activiteiten" krijgen.

c. [appellanten] en de gemeente hebben in verband met de plannen van de gemeente overleg gevoerd over de verkoop van een tweetal percelen van [appellanten] aan de gemeente en de verplaatsing van de bedrijven van [appellanten] van de genoemde locaties naar een locatie elders op het perceel [adres 2]. In het te wijzigen bestemmingsplan zou in dat verband worden voorzien in een bouwblok aan [adres 3] - toen nog ongenummerd -, thans genummerd [nummer], waar [appellanten] een nieuwe stal kon bouwen. (prod. 3A inl. dagv.). De plannen van de gemeente strekten er (tevens) toe om een tweetal binnen de bebouwde kom van [plaats] gevestigde bedrijven, te weten het [bedrijf 1] ([bedrijf 1]) aan de [adres 4] te [plaats] en het veetransportbedrijf [bedrijf 2] ([bedrijf 2]) aan de [adres 5] te [plaats], te verplaatsen naar bedoeld bedrijventerrein, nadat de gemeente bedoelde percelen van [appellanten] in eigendom had verworven. In de "Notitie t.b.v. de ontwikkeling van het Agrarisch BedrijvenCentrum (ABC) aan het [adres 3] te [plaats]" d.d. 17 december 1998 (inl. dagv. prod. 5, pag. 5, 6 en 7) staat een en ander beschreven.

d. Op [datum 3] heeft [appellanten] in verband met de beoogde bedrijfsverplaatsing twee percelen grond aan de gemeente verkocht, in totaal groot circa 39.540 m2, tegen een prijs van f 1.581.600,-. In de koopovereenkomst (prod. 1 inl. dagv.) zij onder meer de volgende bepalingen opgenomen:

art. 16

"Deze overeenkomst heeft als doelstelling te komen tot bedrijfsverplaatsing van de bestaande gevestigde agrarische bedrijven aan de [adres 1] en aan de [adres 2] naar de [adres 3] ongenummerd in de vorm van een vleesvarkensbedrijf ter grootte van 4950 stuks. Uiterlijk binnen 3 jaren na verlening van een onherroepelijke bouw- en milieuvergunning ten behoeve van vorenbedoelde nieuwvestiging aan de [adres 3] ongenummerd dient verkoper een verzoek tot intrekking in te dienen van de op de [adres 1] van toepassing zijnde milieuvergunning. Daarna zullen de bedrijfsgebouwen aan de [adres 1] door verkoper binnen de periode van 6 maanden worden gesaneerd. (....)"

art. 21

"Indien bedrijfverplaatsing, zoals gesteld onder art. 16, geen doorgang vindt, dan kan de realisatie van het voorgenomen bedrijventerrein voor agrarisch verwante bedrijven op de aan te kopen percelen geen doorgang vinden. De aan te kopen percelen vertegenwoordigen alsdan slechts de waarde van landbouwgrond. De verkoper heeft alsdan onvoorwaardelijk het recht de gronden tegen de aankoopwaarde van f 1.581.600,00 terug te kopen van de gemeente dan wel de plicht om de overwaarde van het perceel, zijnde + 39.540 m2 x f 32,00 is f 1.265.280,00 aan de gemeente vergoeden."

e. Op [datum 4] hebben B&W van de gemeente Bavel aan [appellanten] een milieuvergunning verleend voor "4900 vleesvarkens in verband met het veranderen van een agrarisch bedrijf gelegen aan de [adres 2] in [plaats]" (prod. 2 cva). De milieuvergunning van [datum 1] is in dat kader ingetrokken (zie de milieuvergunning van [datum 4] pag. 5 onderaan en pag. 6 en 7 onder ad. 1, 2 en 4).

f. Op [datum 5] zijn bedoelde percelen door [appellanten] in eigendom overgedragen aan de gemeente, waartegenover de gemeente een bedrag van f 1.625.884,48 (= de koopprijs + rente daarover vanaf 1 augustus 1998) aan [appellanten] heeft voldaan. In de daarvan opgemaakte notariële akte (prod. 2 inl. dagv.) zijn soortgelijke bepalingen opgenomen (art. 11 en 16) als genoemde artikelen 16 en 21 van de koopovereenkomst.

g. De gemeente heeft een deel van de van [appellanten] aangekochte percelen vervolgens op [datum 6] verkocht aan [bedrijf 2], geleverd op [datum 7] (prod. 12 cvr), en een ander deel op [datum 8] verkocht aan [bedrijf 1] (prod. 11 akte d.d. 23 juli 2003). Het resterende deel heeft de gemeente in eigendom gehouden. Dit deel heeft, na bestemmingsplanwijziging, de bestemming "Landschapselement" gekregen (cva punt 12).

h. De bedrijfsverplaatsing van [appellanten] naar het nieuwe bouwblok aan [adres 3] heeft uiteindelijk niet plaatsgevonden.

i. Aan het op 17 december 1998 door de gemeente vastgestelde (gewijzigde) bestemmingsplan, waarin was voorzien dat [appellanten] op het nieuwe bouwblok aan [adres 3] zijn agrarische bedrijf waarvoor op [datum 4] vergunning was verleend, kon gaan uitoefenen, werd door Gedeputeerde Staten bij besluit d.d. 6 juli 1999 de goedkeuring onthouden voor wat betreft het deel waarin het bouwblok voor [appellanten] was gelegen. Het daartegen door de gemeente en/of [appellanten] ingestelde beroep is bij besluit van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) van 15 juli 2001 (volgens [appellanten] 15 juni 2001) gegrond verklaard en de goedkeuring op dat deel is alsnog verleend.

j. Omdat de inrichting waarvoor op [datum 4] vergunning was verleend, qua situering echter niet paste in het nieuwe (bouwblok in het) bestemmingsplan, heeft [appellanten] op [datum 9] een aanvraag ingediend tot verkrijging van een revisievergunning. Eerder, op [datum 10], had [appellanten] een aanvraag tot wijziging van de vergunning van [datum 4] ingediend, maar deze aanvraag heeft hij op [datum 9] ingetrokken. Bij besluit van [datum 11] hebben B&W van de gemeente Bavel de gevraagde revisievergunning verleend (prod. 6 inl. dagv.). In de vergunning is vermeld dat een milieu-effectrapportage niet behoeft te worden opgesteld (pag. 3). In beroep is bij besluit van de ABRS d.d. 2 oktober 2002 de revisievergunning van [datum 11] vernietigd (prod. 4 inl. dagv.). De ABRS overwoog onder meer (rov 2.2.3.):

"(.....) Eerder is bij besluit van [datum 4] een revisievergunning verleend (hierna te noemen: de onderliggende vergunning), welke op [datum 5] onherroepelijk is geworden.(....) Bij de aanvraag om de onderliggende vergunning is geen milieu-effectrapport overgelegd. Voorts waren de stallen op de datum van het bestreden besluit niet opgericht.

(....)

Nu het aantal mestvarkens blijkens de aanvraag in de nieuw te bouwen stallen de in categorie 14 van onderdeel C van de bijlage opgenomen drempelwaarde overschrijdt, had op grond van artikel 7.2, eerste, van de Wet milieubeheer in samenhang met artikel 2, eerste lid, van het Besluit bij de aanvraag een milieu-effectrapport moeten worden overgelegd."

k. Inmiddels was de vergunning van [datum 4] op [datum 12] vervallen doordat de in die vergunning voorziene inrichting niet binnen drie jaar na onherroepelijk worden was gerealiseerd.

l. De beoogde bedrijfsverplaatsing van [appellanten] heeft daarmee definitief geen doorgang gevonden.

m. Bij brief d.d. 23 januari 2003 van zijn advocaat J.T.P. Palstra (prod. 7 inl. dagv.) heeft [appellanten] een beroep gedaan op art. 21 van de koopovereenkomst en aan de gemeente verzocht om - tegen terugbetaling van de oorspronkelijke koopsom door [appellanten] - de door [appellanten] aan de gemeente verkochte percelen aan hem terug te leveren in de staat waarin deze op [datum 3] zijn verkocht, derhalve, aldus de brief, voorzien van een milieuvergunning voor het houden van 4600 varkens, zulks onder voorbehoud van alle rechten, in het bijzonder het recht op schadevergoeding.

4.3. In de onderhavige procedure heeft [appellanten] - na wijziging van eis - gevorderd de gemeente te veroordelen tot vergoeding van de door [appellanten] geleden schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

4.3.1. Als schadecomponenten noemt [appellanten] - omzetderving (winstderving) doordat hij geen varkensbedrijf in de beoogde omvang kan uitoefenen, niet op de nieuwe locatie ([adres 3]: 4950 dieren) en niet op de oude locatie ([adres 2]: 4660 dieren) (zie akte d.d. 23-7-2003 punt 13);

- verlies van opgebouwde (varkens)rechten en ammoniakrechten (cvr punt 43);

4.3.2. Terzake van de schade wegens niet-teruglevering van de gronden stelt [appellanten] dat deze schade op de voet van art. 6: 104 BW kan worden begroot op het door de gemeente gerealiseerde voordeel, indien de gemeente daadwerkelijk voordeel heeft genoten bij de verkoop van gronden aan [bedrijf 2] en [bedrijf 1] (akte d.d. 23-7-2003 punt 14 en cvr punt 47).

4.4. Aan deze vordering legt [appellanten] het navolgende ten grondslag (akte d.d. 23-7-2003).

a. De gemeente is tekort geschoten in de nakoming van art. 21 koopovereenkomst doordat zij heeft geweigerd de gronden terug te leveren. Tot teruglevering is de gemeente verplicht, nu de beoogde bedrijfsverplaatsing van [appellanten] geen doorgang heeft gevonden.

b. De gemeente heeft onrechtmatig gehandeld, bestaande uit het navolgende.

- Het besluit d.d. [datum 11] tot verlening van de milieuvergunning was onrechtmatig, nu dit besluit door ABRS is vernietigd vanwege het feit dat de gemeente dit besluit heeft genomen zonder dat zij beschikte over de door de wet vereiste milieueffectrapportage (MER). [appellanten] was door de gemeente er ook niet over ingelicht dat overlegging van deze rapportage verplicht was en de gemeente ging er overigens ook zelf - ten onrechte - vanuit dat een procedure tot opstellen van een MER (MER-procedure) niet verplicht was.

- Doordat het bouwblok pas in juni 2001 definitief is geworden, bleek eerst toen dat het nodig was een revisievergunning in te dienen en kon een aanvraag daartoe ook eerst toen worden ingediend. Deze vertraging is aan de gemeente te wijten (inl. dagv. punt 1.8 en akte d.d. 23-7-2003 punt 9).

- De gemeente heeft zich in een positie gemanoeuvreerd waarin zij de realisatie van het agrarisch bedrijventerrein niet meer kon terugdraaien en daardoor niet meer aan haar terugleveringsverplichting kon voldoen, terwijl de verleende milieuvergunning van [datum 11] nog blootstond aan vernietiging (bezwaarschriften/ MER-procedure) en dus nog onzeker was of [appellanten] op de nieuwe locatie ([adres 3]) een volwaardig varkensbedrijf( 4950 dieren) kon uitoefenen.

- Gelet op het feit dat de gemeente zelf haar doelstellingen heeft kunnen realiseren en de bedrijven van [bedrijf 2] en [bedrijf 1] heeft begunstigd bij de verkoop van grond in verband met hun bedrijfsverplaatsing, handelt de gemeente jegens [appellanten] in strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur, de zorgvuldigheid, evenredigheid en het gelijkheidsbeginsel doordat zij [appellanten] met zijn verliezen laat zitten (pleitnotitie punt 18-20, 24 en 25).

4.5. De rechtbank heeft de vordering van [appellanten] afgewezen. De rechtbank overwoog daartoe - kort gezegd - dat de gestelde schade geen gevolg was van het gestelde onrechtmatig handelen (rov. 4.4. slot), noch van het gestelde tekortschieten van de gemeente (rov. 4.6. slot).

4.6. Grief I van [appellanten] is gericht tegen het oordeel van de rechtbank, dat de schade geen gevolg is van het gestelde onrechtmatig handelen van de gemeente.

4.7. Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

4.7.1. De gemeente heeft gesteld dat, indien in het kader van de vergunningverlening op de aanvraag van [datum 9] van [appellanten] de MER-procedure zou zijn gevolgd alvorens een vergunning te verlenen, een milieuvergunning voor 4944 vleesvarkens niet zou zijn verleend, omdat een MER-procedure meestal ruim anderhalf jaar duurt, de vergunningverlening alsdan in 2003 zou vallen en de milieuregelgeving in die periode zodanig is gewijzigd dat verlening van de vergunning niet mogelijk was (cva punt 46, cvd punt 20, pleitnotitie punt 19). [appellanten] heeft dat niet betwist, in ieder geval niet gemotiveerd. Bij pleidooi (punt 28-31) betoogt [appellanten] wel dat deze stelling van de gemeente onverlet laat dat de door hem gestelde schade een gevolg is van de onrechtmatig verleende vergunning, doordat deze vergunning het risico van het ontstaan van die schade in het leven heeft geroepen. Dat betoog is echter onjuist. De onrechtmatig verleende vergunning heeft dat risico niet in het leven geroepen. Dat risico bestond al, onafhankelijk van de onrechtmatig verleende vergunning. [appellanten] zou dus, indien aanstonds door de gemeente de MER-procedure zou zijn gevolgd, evenmin een milieuvergunning voor 4944 vleesvarkens hebben gekregen en de omzetderving op de nieuwe locatie ook dan hebben geleden. De gemeente heeft er overigens onweersproken op gewezen dat een milieuvergunning voor een kleiner aantal vleesvarkens onder de nieuwe milieuwetgeving niet is uitgesloten (cva punt 16 en cvd punt 21).

4.8. Voorzover [appellanten] de gestelde onrechtmatigheid baseert op het feit dat eerst in juni 2001 het bouwblok definitief is komen vast te staan en hij eerst daarna een revisievergunning kon aanvragen, is het hof van oordeel dat inzoverre van onrechtmatig handelen of nalaten van de gemeente geen sprake is. De vertraging met betrekking tot de goedkeuring van het gewijzigde bestemmingsplan is niet aan de gemeente toe te rekenen, zoals de gemeente in cva punt 13 onweersproken heeft betoogd. Die vertraging stond er bovendien niet aan in de weg dat [appellanten] al aanstonds nadat het bestemmingsplan was vastgesteld op 17 december 1998 een aanvraag voor een revisievergunning indiende, aangezien het bewuste bouwblok toen al bij hem bekend was en hij dus kon constateren dat de inrichting waarvoor de milieuvergunning van [datum 4] was verleend niet op dat bouwblok paste, zoals de gemeente eveneens onweersproken heeft gesteld (zie cva punt 14, cvd punt 23). Ook als de definitieve situering van het bouwblok voor de beoordeling van de milieuvergunningsaanvraag van belang is (onder meer) in verband met de stankcirkels rond de te bouwen stallen, zoals [appellanten] stelt in mvg punt 34, laat dat onverlet dat de vertraging niet aan de gemeente kan worden toegerekend en [appellanten] de aanvraag voor een revisievergunning eerder had kunnen indienen. De mening en de mededeling van de gemeente dat geen MER-procedure behoefde te worden gevolgd (mvg punt 35), hebben niet tot deze vertraging geleid of bijgedragen, nu [appellanten] op eigen initiatief de definitieve situering van het bouwblok heeft afgewacht voordat hij een aanvraag voor een revisievergunning indiende (zie akte d.d. 23-7-2003, punt 9).

4.9. De gemeente heeft jegens [appellanten] ook niet onrechtmatig gehandeld door zich in een positie te manoeuvreren waarin zij de realisatie van het agrarisch bedrijventerrein niet meer kon terugdraaien en daardoor niet meer aan haar terugleveringsverplichting kon voldoen.

4.9.1. [appellanten] gaat er ten onrechte van uit dat de gemeente, zolang niet zeker was dat de beoogde bedrijfsverplaatsing van [appellanten] kon doorgaan, zich jegens hem van het nemen van elke maatregel diende te onthouden die aan teruglevering van de verkochte gronden met daarop de oorspronkelijke agrarische bestemming in de weg zou staan. Een dergelijke verplichting vloeit niet voort uit de tussen de gemeente en [appellanten] gesloten koopovereenkomst (zie hierna onder rov. 4.13.3.). Nu de koopovereenkomst daartoe al niet verplicht, zijn er zeker geen gronden om te concluderen dat deze verplichting zou voortvloeien uit de door de gemeente jegens [appellanten] in acht te nemen maatschappelijke zorgvuldigheid. Integendeel, de gemeente mocht er, gelet op de tussen partijen gesloten koopovereenkomst, van uitgaan dat, indien zij zou zorgen dat het bestemmingsplan werd gewijzigd zodanig dat beoogde bedrijfsverplaatsing voor [appellanten] mogelijk werd, [appellanten] zijnerzijds alles in het werk zou stellen teneinde de inrichting waarvoor hem op [datum 4] een milieuvergunning was verleend, te kunnen oprichten en (tijdig) zou oprichten, onder meer door daarvoor tijdig een bouwvergunning aan te vragen.

4.10. Ook het feit dat de gemeente zelf haar doelstellingen heeft kunnen realiseren en gronden aan de bedrijven van [bedrijf 2] en [bedrijf 1] heeft verkocht tegen een - naar [appellanten] stelt - gunstige prijs per m2, brengt niet mee dat de gemeente jegens [appellanten] onrechtmatig handelt door hem niet financieel tegemoet te komen in zijn verlies nu hij het beoogde vleesvarkensbedrijf voor 4950 dieren niet kan oprichten.

4.10.1. [appellanten] verliest hier uit het oog dat hij bij de verkoop van de twee percelen aan de gemeente niet een prijs op basis van agrarische waarde heeft ontvangen (f 8,- per m2 maal 39.540 m2 = f 316.320,-), maar een prijs op basis van de waarde van agrarische bouwgrond (f 40,- per m2). De gemeente heeft aan [appellanten] voor de aangekochte percelen dus een bedrag van f 1.309.564 meer betaald dan de agrarische waarde van die percelen (f 1.625.884,48 (verkoopprijs + rente) minus f 316.320,-).

Gelet hierop kan niet worden geconcludeerd dat de gemeente jegens [appellanten] onzorgvuldig, onevenredig of in strijd met de door [appellanten] genoemde beginselen heeft gehandeld.

4.11. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat grief I faalt.

4.12. Grief II is in de eerste plaats gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de gestelde schending van art. 21 van de koopovereenkomst de gestelde schade niet tot gevolg heeft gehad (grief IIa). Voorts richt grief II zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de schade van [appellanten] beperkt is tot omzetderving doordat hij noch op de nieuwe locatie, noch op de oude locatie een varkensbedrijf kan exploiteren. De schade omvat volgens [appellanten] ook het enkele feit dat hij zijn grond niet terugkrijgt (grief IIb).

4.13. Het hof overweegt naar aanleiding van grief IIa het volgende.

4.13.1. Voorzover [appellanten] zich op het standpunt stelt dat hij op grond van art. 21 van de koopovereenkomst niet alleen een terugkooprecht heeft indien en zolang op de door hem verkochte percelen een agrarische bestemming rust (landbouwgrond: cvr punt 32), maar ook indien daarop een gewijzigde bestemming is komen te rusten (bedrijfsgrond: mvg punt 49), verwerpt het hof dat standpunt. Art. 21 van de koopovereenkomst voorziet alleen in een terugleveringsplicht voor de situatie waarin de bedrijfsverplaatsing van [appellanten] geen doorgang vindt en tevens de realisatie van het bedrijventerrein geen doorgang vindt. In die situatie vertegenwoordigen de percelen slechts een waarde van landbouwgrond, zoals in art. 21 is bepaald, en alleen in die situatie heeft de verkoper een terugkooprecht. Voor de situatie waarin de realisatie van het bedrijventerrein wel doorgang vindt, doch de bedrijfsverplaatsing van [appellanten] niet, is in de koopovereenkomst niet voorzien in een terugkooprecht. 4.13.2. Nu in de situatie die zich in het onderhavige geval voordoet geen terugleveringsplicht voor de gemeente geldt, is van een tekortkoming op dit punt zijdens de gemeente geen sprake.

4.13.3. De eisen van redelijkheid en billijkheid, waarmee de koopovereenkomst moet worden uitgevoerd, brengen niet mee dat de gemeente jegens [appellanten] verplicht was ervoor te zorgen dat, zolang de bedrijfsverplaatsing van [appellanten] niet was zekergesteld, [appellanten] zijn terugkooprecht kon blijven uitoefenen. Dat zou immers meebrengen dat de gemeente ervoor diende te zorgen dat de beoogde wijziging van de bestemming van de gronden niet onherroepelijk werd zolang de beoogde bedrijfsverplaatsing [appellanten] niet was veiliggesteld; na onherroepelijk worden van (de wijziging van) het bestemmingsplan zou teruglevering van die gronden met daarop de oorspronkelijke agrarische bestemming immers voor de gemeente definitief onmogelijk worden. Een dergelijke, uit de koopovereenkomst voortvloeiende, verplichting van de gemeente kan echter niet worden aangenomen, nu partijen, in het bijzonder ook [appellanten] zelf, van het bestaan van een dergelijke verplichting niet zijn uitgegaan. Immers, [appellanten] heeft zelf bewust het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan afgewacht alvorens hij een aanvraag voor een revisievergunning is gaan indienen. Dit brengt mee dat de gemeente, vooruitlopend op het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan, jegens [appellanten] ook niet verplicht was zich te onthouden van verkoop en levering van percelen aan [bedrijf 2] en [bedrijf 1], waardoor de gemeente de percelen niet meer kon terugleveren aan [appellanten].

4.14. Naar aanleiding van grief IIb overweegt het hof het volgende

4.14.1. Doordat [appellanten] de eigendom van de landbouwgronden niet terugkrijgt lijdt [appellanten] geen vermogenschade. Hij heeft immers voor die gronden een bedrag van f 1.581.000,- van de gemeente ontvangen. Voorzover [appellanten] zich erop beroept dat hij daardoor deze gronden in de toekomst niet meer kan exploiteren als landbouwgrond, heeft te gelden dat [appellanten] deze gronden aan de gemeente heeft verkocht in het kader van en met het oog op de bestemmingswijziging van deze gronden, welke bestemmingswijziging - ook met zijn instemming - onherroepelijk is geworden. De onmogelijkheid van exploitatie van deze gronden als landbouwgronden is dan ook geen gevolg van een tekortschieten of onrechtmatig handelen van de gemeente.

4.14.2. Wat betreft de schade bestaande uit het verlies van het varkensbedrijf waarvoor [appellanten] op [datum 13] een milieuvergunning had verkregen, is het hof van oordeel dat deze schade niet een gevolg is van het feit dat [appellanten] zijn gronden niet terugkrijgt, maar een gevolg is van het feit dat die milieuvergunning inmiddels van rechtswege is vervallen. Tussen partijen staat vast dat [appellanten] zijn stierenbedrijf al had gestaakt vóór het sluiten van de overeenkomst van [datum 14] en dat hij zijn vleesvarkensbedrijf heeft gestaakt op een tijdstip waarop er nog geen enkele zekerheid bestond of bedrijfsverplaatsing mogelijk was (cva punt 48). Nu tussen partijen vaststaat dat de verleende milieuvergunning van [datum 4] van rechtswege vervalt wanneer gedurende 3 jaar de inrichting waarvoor de vergunning is verleend, niet is gerealiseerd (cva punt 15, cvd punt 10), en die realisatie in casu door [appellanten] niet heeft plaatsgevonden, moet de conclusie zijn dat het verlies van het varkensbedrijf een gevolg is van het van rechtswege vervallen van die vergunning. Het feit dat die realisatie niet heeft plaatsgevonden, is, zoals uit het bovenstaande blijkt, dan ook niet een gevolg van een tekortschieten dan wel een onrechtmatig handelen van de gemeente. Hetzelfde geldt met betrekking tot het door [appellanten] gestelde verlies van de door hem opgebouwde varkens- en ammoniakrechten.

4.15. [appellanten] gaat er overigens ten onrechte van uit dat hij op de oude locatie een vleesvarkensbedrijf van 4660 dieren kon exploiteren. Vast staat dat [appellanten] daarvoor geen vergunning had en zijn stelling dat hem een dergelijke vergunning zonder meer zou zijn verleend (cvr punt 7 en 19), heeft [appellanten] tegenover de betwisting daarvan door de gemeente (cva punt 51) niet feitelijk onderbouwd. In hoger beroep handhaaft [appellanten] weliswaar die stelling (mvg punt 55), maar ook daar onderbouwt [appellanten] die stelling niet. De stelling dat hij de rechten uit deze - destijds aan hem nog te verlenen - milieuvergunning heeft ingezet ten behoeve van de vergunning op de nieuwe locatie onder het uitdrukkelijk voorbehoud dat voor de nieuwe locatie vergunning zou worden verkregen (mvg punt 38), heeft de gemeente gemotiveerd betwist (mva punt 67). De stelling kan [appellanten] niet baten. Het door [appellanten] gestelde voorbehoud, zo al mogelijk, betreft de door hem gepretendeerde rechten, rechten dus die hij op dat moment nog niet had. Het bewijsaanbod op dit punt van [appellanten] is dan ook niet terzake dienend.

4.16. Het betoog van [appellanten] in mvg punt 49, 50 en 51 omtrent de door de gemeente gestelde kosten en baten van de ontwikkeling van het bedrijventerrein behoeft, gelet op het bovenstaande, verder geen bespreking. Een begroting van de schade op de voet van art. 6: 104 BW op het bedrag van de gemeente genoten winst komt immers niet aan de orde.

4.17. Ook grief II faalt en de bewijsaanbiedingen van [appellanten] worden gepasseerd als niet terzake dienend omdat het gestelde, indien bewezen, niet tot een ander oordeel kan leiden.

4.18. Als de in hoger beroep in het ongelijk gestelde partij dient [appellanten] te worden veroordeeld in de kosten van dit geding in hoger beroep.

5. De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis d.d. 29 december 2004, waarvan beroep;

veroordeelt [appellanten] in de proceskosten van het hoger beroep, welke kosten, voorzover aan de zijde van de gemeente gevallen tot de dag van deze uitspraak worden begroot op € 291,- aan griffierecht en € 894,- aan salaris procureur;

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. Bod, Huijbers-Koopman en Hofkes en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 5 juni 2007.