Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2007:BA6902

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
15-05-2007
Datum publicatie
12-06-2007
Zaaknummer
C0501013
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

De voorzieningenrechter heeft tot uitgangspunt genomen dat [geïntimeerde] voor de uitoefening van zijn taken als (mede)directeur van de drie vennootschappen en als adviseur van FMSI toegang dient te hebben tot het bedrijfspand (r.o. 3.3.1). Hiertegen zijn geen grieven gericht, terwijl gesteld noch gebleken is dat in de positie van [geïntimeerde] ten opzichte van de drie vennootschappen en/of FMSI enige wijziging is opgetreden. Het hof gaat er eveneens van uit dat [geïntimeerde] in beginsel toegang tot het bedrijfspand dient te hebben.

Zowel in eerste aanleg als thans in hoger beroep verschillen partijen van mening over de vraag of de ontstane situatie is te wijten aan [geïntimeerde] doordat hij zijn taak niet naar behoren uitoefent, met als gevolg dat hij ook geen toegang meer behoeft te hebben, dan wel aan FMSI die hem bij de uitoefening van zijn taak stelselmatig tegenwerkt. Op basis van de stellingen van partijen en van de producties die door hen over en weer zijn overgelegd, kan niet worden vastgesteld dat het gelijk geheel aan de zijde van één der partijen ligt. Voor nader feitelijk onderzoek is in een kort geding als dit geen plaats; daarvoor dienen andere wegen bewandeld te worden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

typ. MT

rolnr. KG C0501013/MA

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

sector civiel recht,

vijfde kamer, van 15 mei 2007,

gewezen in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid FULL MEDIA SERVICE INTERNATIONAL BV,

gevestigd en kantoorhoudende te Maastricht,

appellante,

procureur: mr. J.E. Lenglet,

t e g e n :

[GEÏNTIMEERDE],

wonende te [plaats] (Duitsland),

geïntimeerde,

procureur: mr. H.E.G. van der Flier,

op het bij exploot van dagvaarding van 14 juli 2005 ingeleide hoger beroep van het door de voorzieningenrechter van de rechtbank Maastricht tussen appellante, FMSI, als gedaagde en geïntimeerde, [geïntimeerde], als eiser onder zaaknummer 101289/KG ZA 05-171 gewezen vonnis in kort geding van 16 juni 2005.

1. De eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar het vonnis waarvan beroep, dat zich bij de processtukken bevindt.

2. Het geding in hoger beroep

Van dit vonnis is FMSI tijdig in hoger beroep gekomen.

Bij memorie van grieven heeft FMSI onder overlegging van vier producties twee grieven aangevoerd en geconcludeerd zoals in het petitum van deze memorie nader staat omschreven.

Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] onder overlegging van 20 producties de grieven bestreden en geconcludeerd tot afwijzing van het appel, met veroordeling van FMSI in de kosten van het geding in hoger beroep.

Vervolgens hebben partijen de stukken overgelegd en uitspraak verzocht.

3. De grieven

Voor de exacte inhoud van de grieven verwijst het hof naar de memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1 De vaststelling van de feiten in het vonnis waarvan beroep onder 2.1 is niet bestreden, zodat het hof hiervan ook in hoger beroep uitgaat.

4.2 Het gaat in dit kort geding, kort samengevat, om het volgende.

a) [geïntimeerde] en zijn broer [broer geïntimeerde] houden zich via diverse vennootschappen, waaronder FMSI, bezig met het verhandelen van tijdschriften.

b) De relatie tussen beide broers is verslechterd geraakt. In verband hiermee is op [datum 1] een Herstructureringsovereenkomst gesloten met als doel dat zij zich op een termijn van tien jaar uit FMSI terugtrekken.

c) FMSI verricht beheers- en administratiewerkzaamheden ten behoeve van (onder andere) drie andere vennootschappen in het conglomeraat, te weten [bedrijf 1], [bedrijf 2] en [bedrijf 3]. Laatstgenoemde vennootschap is eigenaar van beide andere vennootschappen.

d) De directie van [bedrijf 3] bestaat uit [geïntimeerde], [broer geïntimeerde] en [persoon 1]. [geïntimeerde] en [broer geïntimeerde] zijn ieder voor 50% aandeelhouder van [bedrijf 3]. Een zoon van [broer geïntimeerde] is directeur van FMSI.

e) Op grond van een adviseursovereenkomst tussen FMSI en [geïntimeerde] heeft de laatste recht op een adviseursvergoeding van € 6.534,44 en een autokostenvergoeding van € 1.512,45 per maand. Sinds 1 augustus 2004 zijn deze vergoedingen niet meer aan [geïntimeerde] betaald.

f) FMSI heeft [geïntimeerde] op 12 april 2005 de toegang tot het bedrijfspand ontzegd.

4.3 In dit kort geding vordert [geïntimeerde], kort gezegd, toelating tot het bedrijfspand om zijn werk voor FMSI en de drie andere vennootschappen te doen en een verbod op het misbruik maken van de wanprestatie van de drie vennootschappen, een en ander op straffe van een dwangsom, en betaling van de overeengekomen vergoedingen over de periode augustus 2004-april 2005, in totaal € 72.423,01. FMSI heeft de vorderingen bestreden.

4.4 Bij het vonnis waarvan beroep heeft de voorzieningenrechter met matiging van de dwangsom de vordering tot toelating tot het bedrijfspand en de vordering tot betaling van € 72.423,01 toegewezen en de vordering inzake het misbruik maken van wanprestatie afgewezen. Deze laatste vordering speelt in dit hoger beroep geen rol meer.

4.5 Met grief 1 komt FMSI op tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat FMSI [geïntimeerde] dient toe te laten tot het bedrijfspand om hem in staat te stellen aldaar diens gebruikelijke werkzaamheden voor FMSI te verrichten conform de advsieursovereenkomst. Volgens FMSI geeft [geïntimeerde], die naar aanleiding van het vonnis van 16 juni 2005 weer toegang tot het pand heeft gekregen, geen uitvoering gegeven aan zijn verplichtingen uit hoofde van de adviseursovereenkomst en heeft hij zich niet ingespannen om problemen bij de afdelingen boekhouding en automatisering op te lossen. FMSI verwijst hierbij naar een logboek van de gebrekkige of ontbrekende communicatie tussen [geïntimeerde] en medewerkers van deling boekhouding sinds 14 februari 2006 (prod. 3 mvg) en een vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Maastricht van 24 augustus 2006 (prod. 4 mvg). Dit vonnis betreft de executie van dwangsommen door [geïntimeerde] vanwege de door hem gestelde overtreding van het gebod om hem tot het bedrijfspand toe te laten. De vordering van FMSI tot staking van de executie werd daarbij toegewezen op de grond, kort gezegd, dat [geïntimeerde] te weinig heeft gedaan om verandering te brengen in de houding van FMSI die volgens [geïntimeerde] te weinig medewerking verleende.

4.6 [geïntimeerde] betwist de juistheid van een en ander en wijst er van zijn kant op dat FMSI er alles aan gedaan heeft om hem het functioneren onmogelijk te maken, onder meer door tegen hem gerichte instructies aan het personeel en de verplaatsing van (een deel van) de afdelingen naar [plaats]. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft [geïntimeerde] bij memorie van antwoord eveneens een aantal producties in het geding gebracht.

4.7 De voorzieningenrechter heeft tot uitgangspunt genomen dat [geïntimeerde] voor de uitoefening van zijn taken als (mede)directeur van de drie vennootschappen en als adviseur van FMSI toegang dient te hebben tot het bedrijfspand (r.o. 3.3.1). Hiertegen zijn geen grieven gericht, terwijl gesteld noch gebleken is dat in de positie van [geïntimeerde] ten opzichte van de drie vennootschappen en/of FMSI enige wijziging is opgetreden. Het hof gaat er eveneens van uit dat [geïntimeerde] in beginsel toegang tot het bedrijfspand dient te hebben.

4.8 Zowel in eerste aanleg als thans in hoger beroep verschillen partijen van mening over de vraag of de ontstane situatie is te wijten aan [geïntimeerde] doordat hij zijn taak niet naar behoren uitoefent, met als gevolg dat hij ook geen toegang meer behoeft te hebben, dan wel aan FMSI die hem bij de uitoefening van zijn taak stelselmatig tegenwerkt. Op basis van de stellingen van partijen en van de producties die door hen over en weer zijn overgelegd, kan niet worden vastgesteld dat het gelijk geheel aan de zijde van één der partijen ligt. Voor nader feitelijk onderzoek is in een kort geding als dit geen plaats; daarvoor dienen andere wegen bewandeld te worden. Al met al is ook naar het oordeel van het hof niet voldoende aannemelijk geworden dat zich een situatie voordoet die rechtvaardigt dat wordt afgeweken van het hiervoor onder 4.7 aangeduide uitgangspunt. Dit brengt mee dat grief 1 wordt verworpen.

4.9 Met grief 2 komt FMSI op tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat de vordering van [geïntimeerde] betreffende de vergoedingen van in totaal € 72.423,01 toegewezen kan worden. Ook aan deze grief legt FMSI blijkens de daarop gegeven toelichting ten grondslag dat [geïntimeerde] zijn werk niet goed heeft gedaan. FMSI voegt hieraan toe dat [geïntimeerde] sinds februari 2003 in gebreke is gebleven met het leveren van een toereikend investeringsaandeel. [geïntimeerde] betwist de stellingen van FMSI. Volgens hem is de kwestie achterhaald doordat de vordering deel uitmaakt van een regeling die partijen op

22 juni 2006 hebben getroffen tijdens een volgend kort geding (prod. 16 mva). Volgens die regeling zijn de vergoedingen tot en met mei 2006 afgerekend en hebben partijen elkaar over en weer finale kwijting verleend.

4.10 Tussen partijen staat vast dat FMSI aan [geïntimeerde] over de periode augustus 2004-april 2005 in totaal € 72.423,01 aan vergoedingen verschuldigd is. Door FMSI zijn geen feiten of omstandigheden gesteld die de conclusie rechtvaardigen dat FMSI is bevrijd van haar verplichting om deze vergoedingen te betalen. Hetgeen zij in dit verband naar voren heeft gebracht, betreft omstandigheden waarover - zoals gezegd - in dit kort geding geen uitsluitsel verkregen kan worden. Afgezien van de kwestie van de door [geïntimeerde] aangevoerde algehele regeling (waarop FMSI nog niet heeft kunnen reageren en die het hof daarom buiten beschouwing laat) is de conclusie dat FMSI het gevorderde bedrag verschuldigd is geworden en is gebleven, zodat grief 2 wordt verworpen.

4.11 Nu beide grieven zijn verworpen, zal het vonnis waarvan beroep worden bekrachtigd met veroordeling van FMSI als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het hoger beroep.

5. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt FMSI in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 1.100,= aan verschotten en op € 1.631,= aan salaris procureur.

Dit arrest is gewezen door mrs. Brandenburg, Meulenbroek en Feddes en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 15 mei 2007.