Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2007:BA6846

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
29-05-2007
Datum publicatie
12-06-2007
Zaaknummer
C0501028
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geïntimeerde heeft op [datum 1] conservatoir beslag gelegd op een auto, merk Opel Astra, kleur blauw met [kentekennummer], (verder de Opel) zulks ten laste van een zekere [persoon 1] (verder [persoon 1]) tot zekerheid voor de voldoening van een door geïntimeerde gestelde vordering op [persoon 1], begroot op € 45.000,-. De Opel is in beslag genomen op het woonadres van [persoon 1] aan de [adres 1] te [plaats] en in gerechtelijke bewaring gegeven aan [persoon 2], h.o.d.n. [bedrijf 1] (cva prod. 5). Appellant] stelt dat hij eigenaar is van die Opel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

typ. MT

rolnr. C0501028/MA

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

sector civiel recht,

vierde kamer, van 29 mei 2007,

gewezen in de zaak van:

[APPELLANT],

wonende te [plaats],

appellant bij exploot van dagvaarding van 27 juni 2005,

procureur: mr. J.A.Th.M. van Zinnicq Bergmann,

tegen:

[GEÏNTIMEERDE],

wonende te [plaats] (België),

geïntimeerde bij gemeld exploot,

procureur: mr. L.R.G.M. Spronken,

op het hoger beroep van de door de rechtbank Maastricht gewezen vonnissen van 25 augustus 2004 en 30 maart 2005 tussen appellant - [appellant] - als eiser en geïntimeerde - [geïntimeerde] - als gedaagde.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 92346/HA ZA 04-501)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven heeft [appellant] onder overlegging van producties drie grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van beide voormelde vonnissen en, kort gezegd, tot toewijzing van zijn vordering.

2.2. Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] onder overlegging van vier producties de grieven bestreden.

2.3. Partijen hebben daarna ieder onder overlegging van (een) productie(s) nog een akte genomen en vervolgens de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

De grieven strekken ten betoge dat de rechtbank ten onrechte het bewijs niet geleverd heeft geacht en de vordering van [appellant] heeft afgewezen.

4. De beoordeling

4.1. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

a. [geïntimeerde] heeft op [datum 1] conservatoir beslag gelegd op een auto, merk Opel Astra, kleur blauw met [kentekennummer], (verder de Opel) zulks ten laste van een zekere [persoon 1] (verder [persoon 1]) tot zekerheid voor de voldoening van een door [geïntimeerde] gestelde vordering op [persoon 1], begroot op € 45.000,-. De Opel is in beslag genomen op het woonadres van [persoon 1] aan de [adres 1] te [plaats] en in gerechtelijke bewaring gegeven aan [persoon 2], h.o.d.n. [bedrijf 1] (cva prod. 5).

b. [appellant] stelt dat hij eigenaar is van die Opel.

c. In kort geding heeft [appellant] opheffing van dat beslag gevorderd, welk kort geding op 21 april 2004 is geëindigd met een tussen partijen overeengekomen minnelijke regeling inhoudende dat het beslag wordt opgeheven tegen het stellen van zekerheid door [appellant] voor een bedrag van € 9.000,- en betaling van de proceskosten (prod. 1 en 2 cva).

d. [appellant] heeft in eerste aanleg gesteld dat hij eigenaar is geworden doordat hij deze Opel op [datum 2] heeft gekocht van mevrouw [persoon 2], wonende aan de [adres 2] te [plaats], destijds de echtgenote van [persoon 3], doch inmiddels van hem gescheiden, verder te noemen [persoon 2]. [appellant] stelt dat hij op [datum 2] de beschikking kreeg over de sleutels van de Opel, dat op die dag het kentekenbewijs (Deel II) op zijn naam is overgeschreven (prod. 1 inl. dagv.), hij het vrijwaringsbewijs heeft verkregen (prod. 2 inl. dagv.) en met ingang van die dag de Opel heeft verzekerd (prod. 3 inl. dagv.).

e. [geïntimeerde] betwist de door [appellant] gestelde eigendomsverkrijging en stelt dat [persoon 1] eigenaar was en ook na [datum 2] nog eigenaar was van de Opel nu [persoon 1] die Opel tot de beslaglegging op [datum 1] steeds in bezit heeft gehad en gebruikt met zijn gezin. De bezitter wordt vermoed rechthebbende te zijn (art. 3: 109 juncto 119 BW).

4.2. [appellant] heeft in de onderhavige (bodem)procedure een verklaring voor recht gevorderd dat het beslag op de Opel niet terecht is gelegd, nu die Opel aan hem in eigendom toebehoort.

4.3. Bij tussenvonnis van 25 augustus 2004 heeft de rechtbank [appellant] toegelaten te bewijzen dat hij op [datum 2] eigenaar is geworden van de Opel.

4.4. [appellant] heeft ter uitvoering van de bewijsopdracht op 21 januari 2005 een getuige doen horen, te weten bovengenoemde [persoon 2], in het proces-verbaal aangeduid als [persoon 2]. Zij is een zus van de echtgenote van [persoon 1], degene ten laste van wie [geïntimeerde] beslag op de Opel had gelegd. De vader van [persoon 2] is een broer van de vader van de echtgenote van [geïntimeerde]. [persoon 2] is dus een nicht van de echtgenote van [geïntimeerde].

4.5. Bij eindvonnis van 30 maart 2005 heeft de rechtbank het bewijs niet geleverd geacht en de vordering van [appellant] afgewezen.

4.6. [appellant] heeft geen grieven aangevoerd tegen het tussenvonnis van 25 augustus 2004, ofschoon hij in de memorie van grieven wel vernietiging van dat vonnis heeft gevorderd. Nu daartegen geen grieven zijn aangevoerd, dient [appellant] niet ontvankelijk te worden verklaard in zijn beroep tegen het tussenvonnis.

4.7. In de toelichting op grieven 1 en 2 handhaaft [appellant] zijn stelling dat hij in februari 2004, toen het beslag door [geïntimeerde] werd gelegd, eigenaar was van de Opel.

4.8. Partijen gaan kennelijk uit van de toepasselijkheid van Nederlands recht ([geïntimeerde] uitdrukkelijk en [appellant] stilzwijgend), zodat het hof ervan uitgaat dat partijen voor de toepassing van Nederlands recht hebben gekozen.

4.9. In eerste aanleg heeft [appellant] gesteld dat hij op [datum 2] de Opel heeft gekocht van [persoon 2] en van haar in eigendom heeft verworven. Ter onderbouwing van de stelling dat de Opel eigendom van [persoon 2] was heeft [appellant] in eerste aanleg bij akte d.d. 8 september 2004 een faxbericht van [persoon 2] in het geding gebracht waaruit blijkt dat zij vanaf 5 juni 2003 ten laste van haar [bankrekeningnummer] d.d. 9 juni 2003 de verzekeringspremie voor de Opel betaalde.

4.10. Blijkens de door [persoon 2] in eerste aanleg als getuige afgelegde verklaring en een door haar ondertekende schriftelijke verklaring, gedateerd 7 november 2004, gewaarmerkt met de letter B en gehecht aan het proces-verbaal van getuigenverhoor, hebben [persoon 2] en haar zwager [persoon 1] in 2003 en 2004 met betrekking tot de Opel als volgt gehandeld.

a. [persoon 1] heeft [persoon 2] op enig moment gevraagd de Opel te ruilen met de Mazda van [persoon 2] en haar toenmalige echtgenoot [persoon 3], in die zin dat de Opel op naam kwam te staan van [persoon 2] en de Mazda op naam van [persoon 1]. Die wisseling van tenaamstelling zou hebben plaatsgevonden circa 4 à 5 maanden voor [datum 2].

b. Er was geen sprake van een echte ruil of koop van de Opel. Ieder bleef in de eigen auto rijden. [persoon 1] betaalde de verzekeringspremie van de Mazda ad circa f 90,- per kwartaal en [persoon 2] betaalde de verzekeringspremie van de Opel ad meer dan f 200,-, maar het verschil vergoedde [persoon 1] aan [persoon 2] door storting op haar rekening.

c. Destijds wist [persoon 2] niet wat de reden was waarom [persoon 1] die wisseling van tenaamstelling wilde, maar later is zij er achter gekomen dat [persoon 1] problemen had met het restaurant in [plaats] en een stroman zocht om de Opel aan eventueel verhaal van een schuldeiser te kunnen onttrekken.

d. Toen [persoon 2] en [persoon 3] gingen scheiden, wenste [persoon 2] haar Mazda te verkopen. Zij heeft toen de Mazda te [plaats] verkocht aan een derde.

e. Op [datum 2] is de tenaamstelling van de Opel teruggedraaid. [persoon 1] heeft [persoon 2] gezegd dat een zekere [appellant] de Opel wilde kopen.

f. Op verzoek van [persoon 1] heeft [persoon 2] een schriftelijke verklaring d.d. 20 februari 2004 (gehecht aan het proces-verbaal van getuigenverhoor, gewaarmerkt A) ondertekend die niet door haarzelf is opgesteld.

g. De schriftelijke verklaring van 7 november 2004 heeft [persoon 2] wel zelf opgesteld en als getuige verklaart zij dat deze juist is. In die schriftelijke verklaring staat dat zij [appellant] niet kent, dat er geen sprake was van verkoop en dat [appellant] aan haar geen € 7.000,- heeft betaald.

4.11. In hoger beroep legt [appellant] bij memorie van grieven een schriftelijke verklaring d.d. 12 augustus 2005 over die - naar hij stelt - afkomstig is van [persoon 2] (prod. 2 mvg). Voorts legt [appellant] een schriftelijke verklaring d.d. 7 juni 2005 over van [persoon 3] zelf, thans wonende te [plaats] (Turkije), waarin deze verklaart dat hij, [persoon 3], de Opel op [datum 3] heeft gekocht van [persoon 1] en dat hij ongeveer 9 maanden later, toen hij toevallig [appellant] tegenkwam op de [adres 3] in [plaats], de Opel "noodgedwongen" en na overleg met zijn gewezen echtgenote [persoon 2] voor een bedrag van

€ 7.000,- heeft verkocht aan [appellant] (prod. 1 mvg).

4.12. De door [appellant] in hoger beroep overgelegde verklaring, volgens [appellant] afkomstig van [persoon 2] d.d. 12 augustus 2005 houdt - kort gezegd - het volgende in.

- Zij bevestigt voormelde door [persoon 3] op schrift gestelde verklaring d.d. 7 juni 2005, die hij naar [appellant] heeft gestuurd;

- Zij corrigeert haar getuigenverklaring.

- Zij zegt dat zij eerder een schriftelijke verklaring naar [appellant] had toegestuurd - na overleg met haar man [persoon 3] - waarin stond dat zij zelf de Opel aan [appellant] had verkocht, maar dat dat niet waar was. Haar ex-echtgenoot heeft de Opel (die op haar naam stond) aan [appellant] verkocht;

4.13. Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] als prod. 3 een door [persoon 2] geschreven verklaring d.d. 12 december 2005 overgelegd waarin zij verklaart dat de hierboven vermelde verklaring van 12 augustus 2005 niet door haar is opgesteld en ondertekend en dat hetgeen zij bij de rechtbank als getuige heeft verklaard de waarheid is.

4.14. Daarop heeft [appellant] bij akte d.d. 4 april 2006 een kopie van een enveloppe overgelegd waarmee - naar het hof hem begrijpt - de verklaring van 12 augustus 2005 door [persoon 2] aangetekend aan [appellant] zou zijn gezonden.

4.15. Vervolgens heeft [geïntimeerde] op zijn beurt bij antwoordakte d.d. 2 mei 2006 een schriftelijke verklaring d.d.

28 april 2006 van [persoon 2] overgelegd waarin zij verklaart dat zij op 18 juli 2005 geen brief heeft gestuurd en dat [persoon 1] haar en [persoon 3] geld heeft aangeboden om voor hem op de rechtbank te komen getuigen.

4.16. [appellant] biedt, zonodig, aan genoemde twee personen [persoon 2](1) en [persoon 3] (2) als getuigen te horen, alsmede als getuigen te horen de navolgende te [plaats] wonende personen: [persoon 4] (3), [persoon 5](4), [persoon 6] (5), [persoon 7] (6), [persoon 1] zelf (7) en diens echtgenote (8).

4.17. Het hof overweegt het volgende.

In eerste aanleg is [appellant] in de gelegenheid gesteld bewijs te leveren van zijn stelling dat hij op [datum 2] eigenaar is geworden van de Opel. Hij heeft toen één getuige, [persoon 2], doen horen.

[appellant] wenst thans in hoger beroep opnieuw in de gelegenheid te worden gesteld dat bewijs te leveren.

Anders dan in eerste aanleg legt [appellant] aan die stelling thans ten grondslag dat [persoon 3] de Opel op [datum 3] van [persoon 1] heeft gekocht, dat [persoon 3] tot [datum 2] daarvan eigenaar was en dat [persoon 3] de Opel op

[datum 2] met instemming van [persoon 2] aan hem, [appellant], heeft verkocht voor € 7.000,-.

4.17.1. Het hof is van oordeel dat, in het licht van de inmiddels vaststaande feiten, aan de aldus gestelde eigendomsverkrijging onvoldoende feiten en omstandigheden ten grondslag zijn gelegd om te kunnen concluderen dat [appellant] eigenaar is geworden van de Opel.

4.17.2. [geïntimeerde] heeft immers onweersproken als verweer aangevoerd dat de Opel steeds in (gebruik en) bezit is geweest van [persoon 1].

Daar komt bij dat de in hoger beroep over en weer in het geding gebrachte, doch tussen partijen omstreden producties, voorzover beweerdelijk afkomstig van [persoon 2], het hof geen aanleiding geven te twijfelen aan de door haar in eerste aanleg als getuige onder ede afgelegde verklaring en haar schriftelijke verklaring van 7 november 2004. Op basis daarvan heeft in hoger beroep als uitgangspunt te gelden dat noch [persoon 2], noch haar toenmalige echtgenoot [persoon 3] vóór [datum 1] het bezit hebben gehad van de Opel. [appellant] heeft geen feiten gesteld op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat [persoon 2], dan wel [persoon 3], destijds beiden wonende te [plaats] aan de [adres 2], dat bezit wel hebben (heeft) gehad en dat [persoon 3] dat bezit ten titel van de gestelde koopovereenkomst aan [appellant] heeft kunnen verschaffen.

4.18. In de toelichting op grief 2 stelt [appellant] dat "men er niet om heen (kan)" dat hij eigenaar is geworden van de Opel "omdat de vorige eigenaren dit uitdrukkelijk verklaren" en dat irrelevant is "onder welke condities hij eigenaar is geworden".

4.18.1. Het hof merkt hieromtrent in de eerste plaats op dat [persoon 2] ten overstaan van de rechter als getuige onder ede uitdrukkelijk anders heeft verklaard dan [appellant] stelt. Voorts is een van de essentiële voorwaarden voor eigendomsverkrijging van een roerend goed dat in de macht van de vervreemder is, dat deze vervreemder aan de verkrijger het bezit van de zaak verschaft (art. 3:90, lid 1 BW). Door [appellant] zijn, tegenover de onweersproken stelling van [geïntimeerde] omtrent het bezit van de Opel van [persoon 1] en tegenover de getuigenverklaring van [persoon 2], geen feiten gesteld waaruit blijkt dat de Opel in de periode juni 2003 - februari 2004 in de macht van [persoon 3] is gekomen en dat [persoon 3] aldus in staat was het bezit van de Opel op [datum 2] aan [appellant] te verschaffen.

4.19. Nu [appellant] in hoger beroep niet aan zijn stelplicht heeft voldaan, passeert het hof zijn bewijsaanbod. De grieven falen. Het beroepen eindvonnis moet worden bekrachtigd.

4.20. Als de in het ongelijk gestelde partij wordt [appellant] veroordeeld in de kosten van dit geding in hoger beroep.

5. De uitspraak

Het hof:

verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in zijn beroep tegen het tussenvonnis van 25 augustus 2004;

bekrachtigt het eindvonnis van 30 maart 2005, waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep, welke kosten aan de zijde van [geïntimeerde] tot de dag van deze uitspraak worden begroot op € 291,- aan verschotten en € 894,- aan salaris procureur;

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. Bod, De Klerk-Leenen en Hofkes en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 29 mei 2007.