Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2007:BA6630

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
15-03-2007
Datum publicatie
07-06-2007
Zaaknummer
04/01843
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Tegenover de gemotiveerde betwisting door belanghebbende heeft de Inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat de door belanghebbende op 30 augustus 2000 betaalde erfpachtcanons voor de jaren 2000/2001 en 2001/2002, ad tweemaal f 13.850,--, een gedeeltelijke afkoop van toekomstige betalingsverplichtingen uit hoofde van erfpacht vormden.

De subsidiaire stelling van de Inspecteur, dat artikel 42a, eerste lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 zich verzet tegen de vooruitbetaling op 30 augustus 2000 van de erfpachtcanon voor het jaar 2001/2002, vindt onvoldoende steun in de tekst en de wetshistorie van genoemd artikel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2007/32.19 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 04/01843

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

PROCES-VERBAAL MONDELINGE UITSPRAAK

Uitspraak van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch, derde meervoudige Belastingkamer, op het beroep van de heer X te Y (hierna: belanghebbende), tegen de uitspraak van de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Z van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) op het bezwaarschrift betreffende zijn aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor het jaar 2000.

Het onderzoek ter zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 1 maart 2007 te 's-Hertogenbosch.

Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

Na behandeling van de zaak heeft het Hof heden, 15 maart 2007, de volgende mondelinge uitspraak gedaan.

De beslissing

Het Hof

- verklaart het beroep gegrond,

- vernietigt de bestreden uitspraak,

- vermindert de aanslag tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen van fl. 70.874,=,

- gelast dat aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 37,=,

- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 966,=, en

- wijst de Staat aan als de rechtspersoon die het griffierecht en de proceskosten moet vergoeden.

De gronden

1. Tegenover de gemotiveerde betwisting door belanghebbende heeft de Inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat de door belanghebbende op 30 augustus 2000 betaalde erfpachtcanons voor de jaren 2000/2001 en 2001/2002, ad tweemaal f 13.850,--, een gedeeltelijke afkoop van toekomstige betalingsverplichtingen uit hoofde van erfpacht vormden.

2. De subsidiaire stelling van de Inspecteur, dat artikel 42a, eerste lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 zich verzet tegen de vooruitbetaling op 30 augustus 2000 van de erfpachtcanon voor het jaar 2001/2002, vindt onvoldoende steun in de tekst en de wetshistorie van genoemd artikel.

3. Op grond van het onder 1. en 2. overwogene is het gelijk aan de zijde van belanghebbende. Partijen zijn het er voor dat geval over eens dat het belastbare inkomen fl. 70.874,= bedraagt.

Griffierecht

Gelet op artikel 8:74, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht dient aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht te worden vergoed.

Proceskosten

Nu het beroep gegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

Het Hof stelt deze kosten, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, op 2 (punten) x € 322,= (waarde per punt) x 1,5 (factor gewicht van de zaak) is € 966,=.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal.

Aldus gedaan door A.J. van Soest, voorzitter, N. van Beelen en J.W. Zwemmer, en voor wat betreft de beslissing in tegenwoordigheid van J.W.J. van der Heijden, griffier, in het openbaar uitgesproken op 15 maart 2007.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden

op: 19 maart 2007

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht.

d. de gronden van het beroep in cassatie

Tenzij de Hoge Raad anders bepaalt, zal het gerechtshof deze mondelinge uitspraak vervangen door een schriftelijke. In dat geval krijgt de indiener de gelegenheid de gronden van het beroep in cassatie alsnog aan te voeren of aan te vullen.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep ontvangt de indiener een nota griffierecht van de Hoge Raad.

In het beroepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.