Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2007:BA6242

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
24-04-2007
Datum publicatie
04-06-2007
Zaaknummer
C0500862-RO
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De redenen op grond waarvan de bank de kredietovereenkomst heeft opgezegd heeft de bank aan [bedrijf 1] en [bedrijf 2] medegedeeld bij brief d.d. 13 maart 2002 (prod. 4 dagv.). Uit die brief blijkt dat meer dan de helft van de crediteuren meer dan 90 dagen open stond, [bedrijf 1] en [bedrijf 2] forse schulden hadden aan het GAK, de fiscus en het personeel, dat sprake was van acute liquiditeitsproblemen en dat [bedrijf 1] en [bedrijf 2] een zeer dubieuze debiteur hadden, op grond van welke omstandigheden de bank concludeerde dat het bedrijf niet meer levensvatbaar was. Deze omstandigheden zijn door [appellant] niet gemotiveerd weersproken. Ook is niet weersproken dat beide vennootschappen niet tegen opzegging van het krediet hebben geprotesteerd. Gelet op dit alles kan niet worden geconcludeerd dat de bank misbruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid tot opzegging. Als pandhouder is de bank bevoegd de aan haar verpande rekening-courantvordering van [bedrijf 1] op [appellant] te innen. Hiervan uitgaande kunnen de door [appellant] genoemde omstandigheden, noch op zichzelf, noch in onderling verband, tot de conclusie leiden dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid tegenover [appellant] onaanvaardbaar zou zijn dat de bank haar bevoegdheid als pandhouder uitoefent.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 84
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 130
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2007/312

Uitspraak

typ. MT

rolnr. C0500862/RO

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

sector civiel recht,

vierde kamer, van 24 april 2007,

gewezen in de zaak van:

[APPELLANT],

wonende te [plaats], [gemeente],

appellant bij exploot van dagvaarding van 7 juni 2005,

procureur: mr. Ph.C.M. van der Ven,

tegen:

de coöperatie COÖPERATIEVE RABOBANK ECHT EN OMSTREKEN U.A.,

gevestigd te Echt,

geïntimeerde bij gemeld exploot,

procureur: mr. E.H.H. Schelhaas,

op het hoger beroep van het door de rechtbank Roermond gewezen vonnis van 9 maart 2005 tussen appellant - [appellant] - als gedaagde en geïntimeerde - de bank - als eiseres.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 58866/HA ZA 03-850)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven heeft [appellant] onder overlegging van één productie vijf grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot afwijzing van de vordering van de bank.

2.2. Bij memorie van antwoord heeft de bank de grieven bestreden.

2.3. Partijen hebben daarna ieder een akte genomen, [appellant] onder overlegging van producties, en vervolgens de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

De grieven strekken ten betoge dat de rechtbank de vordering van de bank ten onrechte heeft toegewezen.

4. De beoordeling

4.1. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

1. [appellant] is enig directeur en grootaandeelhouder van [bedrijf 1] (verder [bedrijf 1]). [bedrijf 1] was directeur en grootaandeelhouder van [bedrijf 2] (verder [bedrijf 2]). [bedrijf 2] heeft een onderneming gehad die zich toelegde op industriële automatiseringsprojecten.

2. [appellant] is gehuwd met [persoon 1] (verder [persoon 1]) onder uitsluiting van elke gemeenschap van goederen (akte van huwelijkse voorwaarden d.d. [datum 1]: prod. 3 cvd).

3. Op [datum 2] is [bedrijf 2] failliet verklaard. Het faillissement is inmiddels bij gebrek aan baten opgeheven op 24 augustus 2005 (mva punt 10).

4. De bank had op 13 maart 2002 wegens door haar aan [bedrijf 2] en [bedrijf 1] verstrekte gelden een bedrag van € 224.755,08 + pm te vorderen van [bedrijf 2] en [bedrijf 1] (prod. 4 dagv.).

5. De bank had deze gelden verstrekt op grond van een tussen haar enerzijds en [bedrijf 2] en [bedrijf 1] anderzijds bij akte d.d. [datum 3] aangegane kredietverleningsovereenkomst ten bedrage van maximaal f. 500.000,-. Tot zekerheid voor de terugbetaling van dit krediet was de bank

- bij akte d.d. [datum 3] met [bedrijf 2] en [bedrijf 1] een verpanding van boekvorderingen van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] overeengekomen (prod. 2 dagv.) en

- bij akte d.d. [datum 4] een borgtocht met [persoon 1] tot een bedrag van f 200.000,- (€ 90.756,04). De borgtocht bestond al in het kader van een eerdere kredietverlening aan [bedrijf 1] en [bedrijf 2] (prod. 1 cva).

6. De akte d.d. [datum 3] is niet geregistreerd. In deze akte is - onder meer - vermeld dat [bedrijf 1] en [bedrijf 2] aan de bank in pand geven de vorderingen op derden en de vorderingen die zij op elkaar hebben. In de akte is tevens vermeld:

"De pandgever verleent aan de bank onherroepelijk volmacht om bedoelde vorderingen aan zichzelf te verpanden en bedoelde pandlijsten voor en namens de pandgever te ondertekenen."

7. Bij onderhandse akte d.d. [datum 5] (prod. 3 dagv.) heeft de bank, gebruik makend van voormelde volmacht, een stuk opgemaakt en ondertekend met als opschrift "Pandlijst", waarin als pandgever [bedrijf 1] is vermeld. De pandgever verklaart in deze akte dat zij 'tot zekerheid voor de betaling van al hetgeen u (= de bank: toev. hof) blijkens uw administratie ....van de pandgever te vorderen heeft of zult hebben" aan de bank verpandt "alle ten tijde van ondertekening van de pandlijst bestaande rechten/vorderingen van de pandgever en alle rechten/vorderingen die worden verkregen uit ten tijde van de ondertekening van de pandlijst bestaande rechtsverhoudingen tussen de pandgever en derden, zoals deze onder meer blijken uit de administratie, correspondentie of andere gegevens van de pandgever, daaronder begrepen intercompany-vorderingen en vorderingen in rekening-courant. Door middel van onderstaande overzichten en/of bijlagen geeft de pandgever een zo volledig mogelijk inzicht in de bestaande rechten/vorderingen". Deze akte is geregistreerd te [plaats] op [datum 6]. Overzichten of bijlagen als bedoeld in deze akte zijn niet opgemaakt.

8. Bij brief d.d. 3 juni 2002 (prod. 5 dagv) heeft de bank aan [appellant] medegedeeld dat haar is gebleken dat [appellant] een bedrag van f 152.521,- (= € 69.211,01) + rente vanaf 31 december 2000 tot en met 3 juni 2002 aan [bedrijf 1] verschuldigd is (dit betreft volgens de bank een schuld van [appellant] uit hoofde van de rekening-courantverhouding met [bedrijf 1] per 31 december 2000: prod. 8 cvr). De bank heeft in die brief betaling van dat bedrag gevorderd, zich beroepend op de verpanding in voormelde akte van [datum 5].

9. [appellant] heeft betaling geweigerd.

4.2. In dit geding heeft de bank betaling van [appellant] gevorderd van een bedrag van € 87.778,34 (de verpande rekening-courantvordering van [bedrijf 1] op [appellant] bleek nadien, aldus de bank, dit bedrag te bedragen), vermeerderd met wettelijke rente vanaf 17 juni 2002 en buitengerechtelijke kosten ad € 1.542,-.

4.2.1. De restant-schuld van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] bedraagt per 18 mei 2005 volgens de bank € 79.378,31 (mva punt 46 en 47). Zie hierover rov. 4.8.1.

4.3. De rechtbank heeft het gevorderde bedrag van € 87.778,34 met de wettelijke rente toegewezen. De buitengerechtelijke kosten heeft de rechtbank afgewezen.

4.4. In grief I stelt [appellant] met betrekking tot de hierboven vermelde pandlijst van [datum 5] het volgende:

- de pandlijst is bedoeld als uitwerking van de pandakte van [datum 3]. Die pandakte is niet geregisteerd, zodat daarmee geen geldig pandrecht is gevestigd;

- de pandlijst bevat geen gegevens over debiteuren en vorderingen en behelst alleen een blanco voorblad en geen bijlagen, terwijl het blijkens de tekst van het voorblad de bedoeling is dat gegevens omtrent debiteuren worden vermeld en een debiteurenlijst wordt bijgevoegd;

- nu op de pandlijst niets is vermeld aan de hand waarvan de beweerdelijk verpande vorderingen kunnen worden bepaald, is niet voldaan aan de eis dat aan de hand van de gegevens in de akte moet kunnen worden vastgesteld om welke vordering(en) het gaat (HR 14-10-1994, NJ 1995, 447);

- de pandlijst is niet door [bedrijf 1] ([appellant]) ondertekend, maar door de bank, zulks zonder overleg of toestemming van [bedrijf 1] ([appellant]);

- de bank heeft [bedrijf 1] ([appellant]) niet gevraagd een debiteurenlijst in te dienen, de pandlijst in te vullen en te ondertekenen;

- met de pandlijst wil de bank ook bewerkstelligen dat intercompany-vorderingen en vorderingen in rekening-courant aan haar worden verpand, terwijl de bank daarvoor geen toestemming had omdat die vorderingen niet onder de pandakte van [datum 3] vallen.

4.5. Voormelde stellingen van [appellant] kunnen naar het oordeel van het hof niet tot de conclusie leiden dat de rekening-courantvordering waarop de bank zich in casu beroept, niet aan de bank zou zijn verpand.

4.5.1. De akte van [datum 5] is, blijkens de daarop voorgedrukte tekst en het opschrift "Pandlijst", weliswaar bedoeld als schriftelijk stuk waarin (nader) opgave wordt gedaan van rechten/vorderingen die bij een eerdere akte zijn verpand, maar dat staat er niet aan in de weg dat deze akte (tevens) als een zelfstandige onderhandse akte van verpanding is aan te merken, nu de pandgever hierin verklaart rechten en vorderingen in pand te geven aan de bank.

Nu de akte tevens zodanige gegevens bevat dat aan de hand daarvan kan worden vastgesteld om welke vorderingen het gaat, is ook voldaan aan de eis dat de vorderingen in de akte "met voldoende bepaaldheid omschreven zijn" (art. 3:84, lid 2 BW). De akte geeft immers aan dat het gaat om "alle" rechten/vorderingen van de pandgever die op

[datum 5] bestaan en "alle" rechten/vorderingen van de pandgever die worden verkregen uit een op die datum bestaande rechtsverhouding tussen pandgever en derden, een en ander zoals deze - onder meer - blijken uit de administratie, correspondentie of andere gegevens van de pandgever. Tevens geeft de akte met zoveel worden aan dat ook intercompany-vorderingen en vorderingen in rekening-courant daaronder zijn begrepen.

4.5.2. De bank had op grond van de eerdere pandakte van [datum 3] volmacht van [bedrijf 1] om haar vorderingen op derden namens [bedrijf 1] (pandgever) in pand te geven aan de bank. Het feit dat deze akte niet is geregistreerd staat niet aan de rechtsgeldigheid van de volmacht in de weg. De bank had dus geen nadere toestemming van [bedrijf 1] voor de inpandgeving nodig, ook niet voor wat betreft de onderhavige rekening-courantvordering, nu dit een vordering is op een derde die ook reeds onder de akte, en daarmee onder de volmacht, van [datum 3] viel. Datzelfde geldt ook voor intercompany-vorderingen, nu in de akte van [datum 3] ook wordt gesproken van vorderingen die een of meer pandgevers op een of meer pandgevers hebben.

4.5.3. Hetgeen [appellant] voor het overige onder grief 1 heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. Grief 1 faalt dus.

4.5.4. Grief 3, waarin wordt betoogd dat de volmacht geen betrekking kan hebben op intercompany-vorderingen en rekening-courantvorderingen op directie of personeel, faalt ook. Ook een rekening-courantvordering van [bedrijf 1] op haar directeur is immers een vordering van [bedrijf 1] op een derde.

4.6. In grief 2 stelt [appellant] het volgende.

[persoon 1] heeft op 29 november 2002 als borg aan de bank € 88.188,00 betaald, waardoor zij ingevolge art. 7:866, lid 1 BW een regresvordering kreeg op [bedrijf 1]. [bedrijf 1] had een rekening-courantverhouding met [appellant] en [persoon 1] (beiden dus), in welke rekeningcourant privé-bestedingen van [appellant] en [persoon 1] ten laste van hen werden gedebiteerd en inkomsten van [appellant] en [persoon 1] uit [bedrijf 1] ten gunste van hen werden gecrediteerd (zie brief d.d. 7 mei 2004 van [persoon 2] RA: prod. 2 cvd). Voormelde betaling van [persoon 1] uit hoofde van de borgtocht mag in deze rekening-courant ten laste van [bedrijf 1] worden gedebiteerd, nu [persoon 1] dat bedrag van [bedrijf 1] te vorderen heeft. Als gevolg van deze verrekening heeft [bedrijf 1], en dus de bank als pandhouder, per 31 december 2002 niets meer te vorderen van [appellant], doch, integendeel, hebben [appellant] en [persoon 1] € 381,- te vorderen van [bedrijf 1] (zie pag. 2 van voormelde brief van Verboord).

4.7. Ook deze stelling verwerpt het hof. Het hof gaat er hierbij veronderstellenderwijs, met [appellant], vanuit dat de rekening-courantverhouding een verhouding was tussen [bedrijf 1] enerzijds en [appellant] en [persoon 1] anderzijds.

4.7.1. Ingevolge art. 6: 130, lid 1 BW is een schuldenaar (ic. [appellant] en [persoon 1]) weliswaar bevoegd ondanks de overgang (i.c. de verpanding met mededeling aan de schuldenaar) een tegenvordering op de oorspronkelijke schuldeiser (i.c. de regresvordering op [bedrijf 1]) in verrekening te brengen met de rekening-courantschuld aan [bedrijf 1], maar dan moet, voorzover in dit geval van belang, wel voldaan zijn aan de eis dat de tegenvordering uit dezelfde rechtsverhouding als de overgegane vordering voortvloeit. Aan die eis is niet voldaan. De overgegane vordering betreft immers de per [datum 5] bestaande rekening-courantvordering van [bedrijf 1] en deze vloeit niet voort uit dezelfde rechtsverhouding als de regresvordering van [persoon 1] (vgl. HR 14 november 2003, NJ 2004, 115).

4.7.2. Al hetgeen [appellant] voor het overige onder deze grief aanvoert leidt niet tot een ander oordeel. Hetzelfde geldt ten aanzien van hetgeen [appellant] in de nadien genomen akte d.d. [datum 7] omtrent dit onderwerp aanvoert.

4.8. Grief 4 is gericht tegen een overweging van de rechtbank die de beslissing niet draagt, zodat bespreking van deze grief daarom achterwege kan blijven.

4.8.1. Overigens merkt het hof het volgende op. De stelling van [appellant] dat de rechtbank had moeten bepalen dat al hetgeen de bank op de - eveneens aan haar verpande - vorderingen van [bedrijf 2] zal innen, in mindering moet worden gebracht op het in dit geding toegewezen bedrag, faalt, aangezien daarvoor geen (rechts)grond bestaat. De bank moet de door haar geïnde gelden wel in mindering brengen op hetgeen zij van [bedrijf 2] en [bedrijf 1] te vorderen heeft, maar dat heeft de bank kennelijk ook gedaan, waarna nog een bedrag van € 79.378,31 te betalen resteert, te vermeerderen met rente en kosten, zoals door de rechtbank is bepaald (zie mva punt 46 en 47).

4.8.2. Al hetgeen [appellant] voor het overige onder deze grief aanvoert leidt niet tot een ander oordeel.

4.9. In grief 5 stelt [appellant] zich op het standpunt dat de bank in strijd handelt met de redelijkheid en billijkheid door onder de gegeven omstandigheden de kredietovereenkomst met [bedrijf 1] en [bedrijf 2] op te zeggen en [appellant] in privé aan te spreken wegens de - aan de bank verpande - rekening-courantvordering van [bedrijf 1] op hem. [appellant] heeft bedoelde omstandigheden nader toegelicht onder grief 5.

4.10. Ook deze stelling verwerpt het hof.

4.10.1. De redenen op grond waarvan de bank de kredietovereenkomst heeft opgezegd heeft de bank aan [bedrijf 1] en [bedrijf 2] medegedeeld bij brief d.d. 13 maart 2002 (prod. 4 dagv.). Uit die brief blijkt dat meer dan de helft van de crediteuren meer dan 90 dagen open stond, [bedrijf 1] en [bedrijf 2] forse schulden hadden aan het GAK, de fiscus en het personeel, dat sprake was van acute liquiditeitsproblemen en dat [bedrijf 1] en [bedrijf 2] een zeer dubieuze debiteur hadden, op grond van welke omstandigheden de bank concludeerde dat het bedrijf niet meer levensvatbaar was. Deze omstandigheden zijn door [appellant] niet gemotiveerd weersproken. Ook is niet weersproken dat beide vennootschappen niet tegen opzegging van het krediet hebben geprotesteerd. Gelet op dit alles kan niet worden geconcludeerd dat de bank misbruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid tot opzegging. Als pandhouder is de bank bevoegd de aan haar verpande rekening-courantvordering van [bedrijf 1] op [appellant] te innen. Hiervan uitgaande kunnen de door [appellant] genoemde omstandigheden, noch op zichzelf, noch in onderling verband, tot de conclusie leiden dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid tegenover [appellant] onaanvaardbaar zou zijn dat de bank haar bevoegdheid als pandhouder uitoefent. Onjuist is met name het standpunt van [appellant] dat de bank in strijd handelt met de redelijkheid en billijkheid door niet een aan haar verpande vordering op [bedrijf 3] (een debiteur van [bedrijf 2]) ad € 158.823,- te innen en wel de onderhavige vordering op [appellant]. De bank is jegens [appellant] niet verplicht eerstgenoemde vordering te innen.

Ook grief 5 faalt dus.

4.11. In de akte d.d. [datum 7] heeft [appellant] zich voorts beroepen op het feit dat hij een tegenvordering op [bedrijf 1] heeft ten bedrage van f 284.919,-, te vermeerderen met rente, op grond van het feit dat hij op [datum 8] met [bedrijf 1] een lijfrenteovereenkomst heeft gesloten (prod. 1 akte) die door [bedrijf 1] niet is nagekomen. [appellant] stelt dat hij deze tegenvordering mag verrekenen met zijn rekening-courantschuld aan [bedrijf 1] en dat na verrekening geen rekening-courantvordering van [bedrijf 1] op hem resteert, zodat de bank als pandhouder niets meer van hem kan vorderen.

4.11.1. Ook deze stelling moet worden verworpen, omdat, veronderstellenderwijs ervan uitgaande dat deze tegenvordering bestaat, deze tegenvordering niet voortvloeit uit dezelfde rechtsverhouding als de overgegane (i.c. verpande) rekening-courantvordering, terwijl ook niet is gebleken dat deze tegenvordering reeds voor de overgang (i.c. verpanding) aan [appellant] is opgekomen en opeisbaar is geworden. De verrekening met deze tegenvordering stuit dus eveneens af op het feit dat niet voldaan is aan de vereisten die art. 6: 130, lid 1 BW stelt aan verrekening na overgang van een vordering.

4.12. Nu alle grieven falen, dient het beroepen vonnis te worden bekrachtigd.

[appellant] dient als de in het ongelijk gestelde partij te worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

5. De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis d.d. 9 maart 2005, waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van dit geding, welke kosten, voorzover aan de zijde van de bank gevallen, worden begroot op € 2.680,- wegens griffierecht en op € 2.446,50 wegens salaris van de procureur;

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. Bod, Huijbers-Koopman en Hofkes en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 24 april 2007.