Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2007:BA6157

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
25-05-2007
Datum publicatie
01-06-2007
Zaaknummer
20-002059-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

zie ook LJN: AX8601: Alle redengevende feiten en omstandigheden zoals deze volgen uit de hiervoor vastgestelde feiten en de daaraan ten grondslag gelegde bewijsmiddelen, bezien in onderling verband en in samenhang met de waarneming van het hof tijdens de in het kader van artikel 318 van het wetboek van strafvordering gehouden plaatsopneming (schouw en reconstructie), is het hof van oordeel dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig is geweest door met een personenauto en caravan een zich rechts naast hem bevindende fietser kort voor een duidelijk waarneembare, door geparkeerde auto’s veroorzaakte, rijbaanversmalling te gaan inhalen en heeft hij daarmee, door haar onvoldoende bewegingsruimte te laten, haar val met dodelijk gevolg veroorzaakt.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2007, 131
JWR 2007/58
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 20-002059-06

Uitspraak : 25 mei 2007

TEGENSPRAAK

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Roermond van 9 mei 2006 in de strafzaak met parketnummer 04-660116-05 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1963],

wonende te [woonplaats], Burg v Deelensingel 60,

waarbij - zakelijk weergegeven - verdachte ter zake van schuld aan een dodelijk verkeersongeval is veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 80 uren alsmede een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 12 maanden.

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal mr. W.P.A. Korver en van hetgeen door verdachte en namens de verdachte door mr. P.G.C.P. Smits, advocaat te Venlo, naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het gerechtshof het beroepen vonnis zal vernietigen en de verdachte - opnieuw rechtdoende - voor het primair ten laste gelegde zal veroordelen tot het verrichten van een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis, alsmede tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van negen maanden, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.

De verdediging heeft:

a. geen verweren gevoerd met betrekking tot de bevoegdheid van de rechter, de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie of de geldigheid van de inleidende dagvaarding;

b. tot vrijspraak geconcludeerd zowel ten aanzien van het primaire als van het subsidiair ten laste gelegde;

c. verzocht om verdachte, bij bewezenverklaring, geen onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid op te leggen.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 08 juli 2005 te Velden, in elk geval in de gemeente Arcen

en Velden, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig

(personenauto met aanhangwagen [caravan]), daarmede rijdende over de weg, de

Oude Venloseweg (komende uit de richting van de Scholtisstraat en gaande in de

richting van de Julianastraat), welke Oude Venloseweg ter plaatse (ongeveer)

5.03 meter breed was, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te

wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer, althans aanmerkelijk,

onvoorzichtig en/of onoplettend,

- terwijl gezien zijn, verdachtes, rijrichting op de linker weghelft van die

Oude Venloseweg een of meer personenauto's (een Fiat Punto [met een breedte

van ongeveer 1,66 meter] en/of een Mitsubishi Space Star [met een breedte van

ongeveer 1,71 meter] waren/was geparkeerd en/of de breedte van voornoemde

aanhangwagen (caravan) ongeveer 2,08 meter was -

(ter hoogte van voornoemde geparkeerde personenauto's) (de bestuurster van)

een fiets in te halen en daarbij dusdanig te rijden of te sturen dat

- een botsing of aanrijding heeft plaatsgevonden tussen het door hem,

verdachte, bestuurde voertuig en (de bestuurster van) de fiets, waarna de

bestuurster van de fiets (tegen een paal) ten val is gekomen,

of

- de bestuurster van de fiets (teneinde een botsing of aanrijding met het door

hem, verdachte, bestuurde voertuig te voorkomen) zodanig heeft gestuurd of

gereden dat zij (met de door haar bestuurde fiets tegen een zich [gezien haar rijrichting] rechts van de weg gelegen trottoirband is gebotst of gereden en) ten val is gekomen,

door welk verkeersongeval [slachtoffer] (zijnde de bestuurster van de fiets) werd gedood, althans zwaar lichamelijk letsel (een hersenbloeding), of zodanig letsel werd toegebracht dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

althans indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling zou volgen:

hij op of omstreeks 08 juli 2005 te Velden, in elk geval in de gemeente Arcen

en Velden, als bestuurder van een voertuig (personenauto met aanhangwagen

[caravan]), daarmee rijdende op de weg, de Oude Venloseweg (komende uit de

richting van de Scholtisstraat en gaande in de richting van de Julianastraat),

welke Oude Venloseweg ter plaatse (ongeveer) 5.03 meter breed was,

toen aldaar

- terwijl gezien zijn, verdachtes, rijrichting op de linker weghelft van die

Oude Venloseweg een of meer personenauto's (een Fiat Punto [met een breedte

van ongeveer 1,66 meter] en/of een Mitsubishi Space Star [met een breedte van

ongeveer 1,71 meter] waren/was geparkeerd en/of de breedte van voornoemde

aanhangwagen (caravan) ongeveer 2,08 meter was -

(ter hoogte van voornoemde geparkeerde personenauto's) (de bestuurster van)

een fiets heeft ingehaald en daarbij dusdanig heeft gereden of gestuurd dat

- een botsing of aanrijding heeft plaatsgevonden tussen het door hem,

verdachte, bestuurde voertuig en (de bestuurster van) de fiets, waarna de

bestuurster van de fiets (tegen een paal) ten val is gekomen,

of

- de bestuurster van de fiets (teneinde een botsing of aanrijding met het door

hem, verdachte, bestuurde voertuig te voorkomen) zodanig heeft gestuurd of

gereden dat zij (met de door haar bestuurde fiets tegen een zich [gezien haar

rijrichting] rechts van de weg gelegen trottoirband is gebotst of gereden en) ten

val is gekomen,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op de weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op de weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

De vaststaande feiten

Het hof stelt de volgende feiten vast:

In Velden ligt een kruising die gevormd wordt door de Scholtisstraat, de Wilhelminastraat en de Oude Venloseweg. De Scholtisstraat gaat na het kruisingsvlak in zijn verlengde over in de Oude Venloseweg. De breedte van de rijbaan van de Oude Venloseweg is ongeveer 5.03 meter.

Op 8 juli 2005 reed verdachte als bestuurder van een personenauto met caravan over de Scholtisstraat in de richting van deze kruising. De breedte van de caravan was ongeveer 2.08 meter. Voordat hij bij het kruisingsvlak was aangekomen had verdachte twee, eveneens in de richting van het kruisingsvlak, over de Scholtisstraat enige meters achter elkaar rijdende fietsers ingehaald. De voorste van deze twee fietsers was de 75 jarige [slachtoffer] (meisjesnaam).

Op de rijbaan van de Oude Venloseweg stonden, voor verdachte aan de linkerzijde, een aantal personenauto’s geparkeerd. De eerste en tweede geparkeerde auto’s waren een ongeveer 1.66 meter brede Fiat Punto en een ongeveer 1.71 meter brede Mitsubishi Space Star.

Op het moment dat verdachte op de Scholtisstraat ter hoogte van het hierboven genoemde kruisingsvlak was aangekomen, kwam hem over de Oude Venloseweg een personenauto tegemoet rijden.

Omdat hij vanaf het kruisingsvlak zijn weg over de Oude Venloseweg wilde vervolgen en dat op dat moment door de hem tegemoetkomende personenauto niet mogelijk was, bracht verdachte zijn personenauto en caravan kort voor het kruisingsvlak tot stilstand.

Nadat de hem tegemoet komende personenauto was gepasseerd, trok verdachte met zijn personenauto en caravan op en reed vanuit de Scholtisstraat over het kruisingsvlak de Oude Venloseweg in de richting van de Julianastraat.

Op het moment dat verdachte optrok reed rechts naast zijn personenauto de hierboven genoemde fietser.

Om ook bij de links van hem geparkeerde auto’s zijn weg te kunnen vervolgen, stuurde verdachte iets voor die geparkeerde auto’s enigszins naar rechts.

Terwijl verdachte met zijn personenauto en caravan de links van hem geparkeerd staande auto’s voorbij reed, bevond de hierboven genoemde fietser zich op enig moment rechts naast de caravan. Terwijl zij zich nog naast die caravan bevond is die fietser gevallen, waarbij zij met haar hoofd tegen een paal van een afscheidingshekwerk, direct grenzend aan het, gezien in de rijrichting van verdachte en de fietser, rechts naast de rijbaan van de Oude Venloseweg gelegen verhoogd trottoir, is gevallen. Ten gevolge van het daardoor opgelopen letsel is de fietser overleden. De afstand tussen de hoek Wilhelminastraat (begrenzing kruisingsvlak) en de paal bedraagt 21.80 meter.

Naar het oordeel van het hof verwoordt het primair ten laste gelegde drie, aan verdachte te wijten, oorzaken voor de val van de fietser:

a. de caravan en de fietser hebben elkaar geraakt;

b. de fietser is tegen de verhoogde trottoirband gereden;

c. de val is anderszins aan het rijgedrag van verdachte te wijten.

Deelvrijspraken

Ad a.

Hoewel de getuige [getuige 1] (de echtgenoot van het slachtoffer die enige meters achter haar fietste) heeft verklaard dat hij heeft gezien dat het slachtoffer door de caravan is geraakt, vindt die verklaring naar het oordeel van het hof onvoldoende steun in overige bewijsmiddelen. Getuigenverklaringen van een zelfde strekking zijn er niet en ook technisch onderzoek heeft één en ander niet onomstotelijk uitgewezen. Verdachte zal voor zover het primair ten laste gelegde ziet op een botsing of aanrijding worden vrijgesproken.

Ad b.

Hoewel het algemene beeld dat het verkeersongeval oproept deze mogelijkheid niet uitsluit en het gelet op de situatie zoals het hof die ter plaatse heeft gezien zelfs denkbaar is, vindt deze oorzaak geen steun in wettige bewijsmiddelen. Er zijn geen verklaringen waaruit dit valt af te leiden en ook het technisch onderzoek wijst niet onomstotelijk in deze richting. Verdachte zal ook voor zover het primair ten laste gelegde ziet op het met de fiets botsen of rijden tegen een trottoirband worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Ad c.

Zoals uit de hierboven weergegeven vaststaande feiten volgt is verdachte met zijn personenauto en caravan gaan rijden op een moment dat de fietser zich rechts naast zijn auto bevond. Verdachte, die de situatie ter plaatse goed kent, is daartoe overgegaan in de wetenschap dat de doorrijdruimte na een relatief korte afstand zich aanmerkelijk versmalde en dat hij gekomen ter hoogte van die versmalling enigszins naar rechts moest sturen om zijn weg ongestoord te kunnen vervolgen. Zoals het hof tijdens de opneming ter plaatse en de ter plaatse gehouden reconstructie heeft waargenomen heeft verdachte daardoor de rechts van hem rijdende fietser weinig ruimte - in het gunstigst gemeten geval slechts één meter - gelaten een ruimte waarin het een fietser, zoals het hof ook heeft waargenomen, aanzienlijke moeite kost om met een personenauto en een caravan direct links naast hem en een verhoogd trottoir direct rechts naast hem “op de been” te blijven. Gold bij de reconstructie dat de personen die de rol van fietser vervulden betrekkelijk jong waren en er van te voren op bedacht waren wat er in die smalle ruimte zou gaan gebeuren dan heeft dat des te meer te gelden voor een 75 jarige fietser, een omstandigheid die, gelet op de kenbaarheid daarvan voor andere verkeersdeelnemers, mede in de risicosfeer van verdachte valt, zeker nu uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is komen vast te staan dat verdachte de betreffende fietser kende en daardoor ook kennis had van haar gevorderde leeftijd.

Alle redengevende feiten en omstandigheden zoals deze volgen uit de hiervoor vastgestelde feiten en de daaraan ten grondslag gelegde bewijsmiddelen, bezien in onderling verband en in samenhang met de waarneming van het hof tijdens de in het kader van artikel 318 van het wetboek van strafvordering gehouden plaatsopneming (schouw en reconstructie), is het hof van oordeel dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig is geweest door met een personenauto en caravan een zich rechts naast hem bevindende fietser kort voor een duidelijk waarneembare, door geparkeerde auto’s veroorzaakte, rijbaanversmalling te gaan inhalen en heeft hij daarmee, door haar onvoldoende bewegingsruimte te laten, haar val met dodelijk gevolg veroorzaakt.

De verdediging heeft gesteld dat verdachte de inhaalmanoeuvre van de fietser reeds vóór de betreffende rijbaanversmalling geheel had uitgevoerd, maar het hof acht dat, gelet op de relatief korte afstanden ter plaatse, het gegeven dat de fietser voortdurend in voortgaande beweging is geweest en op wat de getuige [getuige 2] ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard niet aannemelijk. Dat, zoals de raadsvrouw heeft aangevoerd, de getuige [getuige 2] eerst bij gelegenheid van de plaatsopneming en reconstructie zodanig heeft verklaard, maakt die verklaring daarom nog niet onbruikbaar, te meer niet omdat de verklaring steun vindt in de overige bewijsmiddelen.

De verdediging heeft gesteld dat het laten van te weinig ruimte nog geen schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 oplevert. Gelet op de specifieke verkeerssituatie ter plaatse, de aanzienlijke mate van voorzienbaar gevaar, de niet bestaande althans niet gebleken noodzaak voor verdachte om de fietser te gaan inhalen - verdachte had toen hij vanuit stilstand optrok en de fietser rechts naast zich zag achter de fietser moeten en kunnen blijven rijden tot voorbij de rijbaanversmalling - en gelet op het grote verschil in bestuurde voertuigen heeft verdachte naar het oordeel van het hof op in artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 verwijtbare zin onvoldoende oog gehad voor de te respecteren verkeersveiligheid van een ten opzichte van hem kwetsbare verkeersdeelnemer.

De verdediging heeft nog aangevoerd dat niet uit te sluiten is dat de val van het slachtoffer het enkele gevolg is geweest van haar eigen onzekerheid in het verkeer ten gevolge van verminderde lichamelijke conditie in combinatie met het gegeven dat zij voor het ongeval met haar – nieuwe – elektrische fiets nog maar ongeveer 30 kilometer had gereden. Tegen de achtergrond van wat hiervoor is overwogen en gelet op de medische gegevens zoals deze onder meer zijn verwoord in de brief van de huisarts Goddijn-Wessel van 9 februari jl. acht het hof dit niet aannemelijk.

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 8 juli 2005 te Velden, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig

(personenauto met aanhangwagen [caravan]), daarmede rijdende over de weg, de

Oude Venloseweg (komende uit de richting van de Scholtisstraat en gaande in de

richting van de Julianastraat), welke Oude Venloseweg ter plaatse ongeveer

5.03 meter breed was, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te

wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig

- terwijl gezien zijn, verdachtes, rijrichting op de linker weghelft van die

Oude Venloseweg personenauto's (een Fiat Punto met een breedte

van ongeveer 1,66 meter en een Mitsubishi Space Star met een breedte van

ongeveer 1,71 meter) waren geparkeerd en de breedte van voornoemde

aanhangwagen (caravan) ongeveer 2,08 meter was -

de bestuurster van een fiets in te halen en daarbij dusdanig te rijden dat de bestuurster van de fiets met de door haar bestuurde fiets ten val is gekomen,

door welk verkeersongeval [slachtoffer] (zijnde de bestuurster van de fiets) werd gedood.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan wordt vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is voorzien bij artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994

en strafbaar gesteld bij artikel 175, eerste lid, aanhef en onder a. (oud) van die wet.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het wordt gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

De rechtbank heeft verdachte voor het primair ten laste gelegde veroordeeld tot een werkstraf van 80 uur en een voorwaardelijke rijontzegging van 12 maanden.

De advocaat-generaal heeft voor het primair ten laste gelegde een werkstraf van 40 uur en een voorwaardelijke rijontzegging van negen maanden gevorderd.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat bij een bewezenverklaring verdachte geen onvoorwaardelijke rijontzegging dient te worden opgelegd en heeft daarbij nog aangevoerd dat zowel verdachte als het slachtoffer afkomstig zijn uit een kleine gemeenschap, waardoor het gebeuren ook voor verdachte zeer ingrijpend is geweest en ook hij nog dagelijks met de gevolgen wordt en zal worden geconfronteerd.

Het hof overweegt als volgt.

Volgens het gebruikelijke straftoemetingsbeleid, zoals dat is neergelegd in de zogenaamde rechterlijke oriëntatiepunten, is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden en één jaar onvoorwaardelijke rijontzegging passend bij een bewezen verklaard feit als het onderhavige.

Het hof merkt daarbij als eerste op dat die oriëntatiepunten zijn gebaseerd op een op artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 gestelde strafbedreiging die van later datum is dan de datum van het ongeval en in zoverre dient ten voordele van verdachte rekening te worden gehouden met het bepaalde in artikel 1, lid 2 van het wetboek van strafrecht.

Daarnaast is het hof van oordeel dat ten voordele van verdachte in belangrijke mate rekening gehouden dient te worden met de omstandigheden:

- dat verdachte steeds een grote betrokkenheid met de nabestaanden heeft getoond [verdachte is ook bij de uitvaart van het slachtoffer geweest];

- dat het gebeuren voor verdachte een grote persoonlijke belasting is gebleken, mede ingegeven door de omstandigheid dat zowel hij als het slachtoffer afkomstig zijn uit dezelfde, kleine, gemeenschap;

- dat verdachte vanaf het begin van het onderzoek volstrekte opening van zaken heeft gegeven en zijn volledige medewerking aan het onderzoek heeft verleend, waarbij niet uit het oog verloren mag worden dat de rechtsgang in het geheel en in het bijzonder de schouw, zoals in deze zaak door het hof is gehouden, voor verdachte enorm belastend moet zijn geweest;

- dat verdachte niet eerder ter zake van strafbare feiten met de rechter in aanraking is geweest en daarom niet als onverantwoordelijke verkeersdeelnemer te boek staat..

De aard en ernst van het feit en de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en waarbij sprake is geweest van een aanzienlijke mate van voorzienbaar gevaar, welk gevaar zich ook heeft gemanifesteerd in een ongeval met dodelijke afloop afwegend tegen alle ten voordele van verdachte sprekende omstandigheden acht het hof enerzijds een gevangenisstraf en onvoorwaardelijke rijontzegging niet opportuun. Anderzijds is het hof van oordeel dat de door de advocaat-generaal geëiste strafoplegging onvoldoende recht doet aan de ernst van het feit.

Alles overziend acht het hof, ter vergelding, een werkstraf van 80 uur passend en geboden. Daarnaast en vooral met het oog op de bescherming van de verkeersveiligheid zal het hof een voorwaardelijke rijontzegging van 1 jaar opleggen. Tegen de achtergrond van het gegeven dat verdachte voor zijn werk op het behoud van de rijbevoegdheid aangewezen is en wat hiervoor ten voordele van verdachte is overwogen is het hof van oordeel, dat in de specifieke omstandigheden van dit geval met het opleggen van een onvoorwaardelijke rijontzegging thans geen met de strafrechtspleging na te streven doel wordt gediend.

Met oplegging van de combinatie onvoorwaardelijke werkstraf en voorwaardelijke rijontzegging wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 1, 9, 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994,

één en ander zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde feit..

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood.

Verklaart verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis.

Ontzegt verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 1 (één) jaar.

Bepaalt, dat de bijkomende straf van ontzegging niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat verdachte zich vóór het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Aldus gewezen door

mr. C.H.W.M. Sterk, voorzitter,

mr. C.R.L.R.M. Ficq en mr. J.W. de Ruijter,

in tegenwoordigheid van dhr. P.N.M. de Bruijn, griffier,

en op 25 mei 2007 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. C.R.L.R.M. Ficq is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.