Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2007:BA6155

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
24-04-2007
Datum publicatie
01-06-2007
Zaaknummer
20-012110-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 3 lid 1 Boswet: niet voldoen aan verplichting tot herbeplanting.

Bespreking verweren (gerechtigd handelen?; aanvraag/verkrijging uitstel herplantplicht?).

Wetsverwijzingen
Boswet 3, geldigheid: 2007-04-24
Wet op de economische delicten, geldigheid: 2007-04-24
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Parketnummer: 20-012110-05

Uitspraak : 24 april 2007

TEGENSPRAAK

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

economische kamer

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Roermond van 3 november 2005 in de strafzaak met parketnummer 04-068109-04 tegen:

[verdachte],

geboren te [gemeente] op [1951],

wonende te [woonplaats], [adres].

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is het hoger beroep niet gericht tegen de in eerste aanleg toegestane wijziging tenlastelegging.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep d.d. 10 april 2007, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het beroepen vonnis zal worden vernietigd en dat het hof opnieuw rechtdoende verdachte ter zake van het ten laste gelegde zal veroordelen tot een geldboete van EUR 1.500,--, subsidiair 30 dagen hechtenis.

Vonnis waarvan beroep

Het hof kan zich op onderdelen niet met het beroepen vonnis verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

hij in de gemeente [gemeente], als eigenaar van een perceel grond, kadastraal bekend: gemeente [gemeente], sectie S, nummer 58, op welk perceel grond in of omstreeks het jaar 2000 een houtopstand, anders dan bij wijze van dunning was geveld en/of op andere wijze tenietgegaan, al dan niet opzettelijk, niet binnen het tijdvak van drie jaren na die velling of dat tenietgaan van die houtopstand, immers nog niet op 17 mei 2004, heeft voldaan aan zijn verplichting tot herbeplanting door beplanting op bosbouwkundig verantwoorde wijze van de grond waarop zich bedoelde aldus gevelde en/of op andere wijze tenietgegane houtopstand bevond, of - voorzover de directeur van het Staatsbosbeheer daartoe toestemming had verleend - van andere grond.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd.

De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in de gemeente [gemeente], als eigenaar van een perceel grond, kadastraal bekend: gemeente [gemeente], sectie S, nummer 58, op welk perceel grond in of omstreeks het jaar 2000 een houtopstand, anders dan bij wijze van dunning was geveld, opzettelijk, niet binnen het tijdvak van drie jaren na die velling van die houtopstand, immers nog niet op 17 mei 2004, heeft voldaan aan zijn verplichting tot herbeplanting door beplanting op bosbouwkundig verantwoorde wijze van de grond waarop zich bedoelde aldus gevelde houtopstand bevond.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan wordt vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Strafbaarheid

De raadsvrouwe heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat op de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Het hof heeft het betoog van de raadsvrouwe aldus begrepen dat zij stelt dat feitelijk op verdachte geen plicht tot herbeplanting rustte welk betoog door haar is gestoeld op een tweetal gronden.

A1.

Als eerste grond is naar voren gebracht dat verdachte - uiteindelijk - gerechtigd zou zijn over te gaan tot het kappen van de bomen op perceel sectie S nummer 58 te [gemeente] (hierna: perceel S58) zodat dientengevolge geen sprake kan zijn van strafbaar niet herbeplanten. Ter onderbouwing heeft de raadsvrouwe aangevoerd dat perceel S58 onderdeel uitmaakt van percelen die begrepen waren in een uitbreidingsplan betreffende de visvijver van hengelsportvereniging [naam vereniging]. In het kader van dat uitbreidingsplan was reeds in 1998 een ontgrondingsvergunning voor een aantal percelen rondom perceel S58 afgegeven. Weliswaar was daartegen bezwaar gemaakt door eigenaren van omliggende varkensbedrijven in verband met de zogeheten “stankcirkel”, maar met één van die bezwaarmakers was verdachte inmiddels tot overeenstemming gekomen terwijl bovendien op 1 januari 2007 de Stankwet vervangen is door de Geurwet, zodat de bezwaren met betrekking tot de ‘stankcirkel’ thans geen opgeld meer doen, aldus de raadsvrouwe.

Het voorgaande leidt ertoe dat verdachte, tegen de achtergrond van de gewijzigde omstandigheden, vertrouwend op de goede afloop van de procedure eigenlijk gerechtigd was tot de kap, zodat hij niet strafbaar is nu hij niet is overgegaan tot herbeplanting.

A2

Als tweede grond is naar voren gebracht dat aan verdachte door Laser uitstel is verleend zodat de omstandigheid dat hij in de ten laste gelegde periode niet heeft herbeplant, niet strafbaar is.

Ter ondersteuning van het standpunt dat uitstel is verleend, is aangevoerd dat:

- verdachte zelf bij brief van 5 september 2002 om uitstel heeft gevraagd;

- de overheid zelf ook ervan uitgaat dat uitstel is verleend aangezien in de brief van

7 november 2006 de provincie [naam provincie] aan verdachte tot 1 mei 2007 de tijd biedt tot herbeplanting.

De raadsvrouwe heeft in dit verband tevens gesteld dat de omstandigheid dat verdachte de hem toegestuurde formulieren “uitstel van de herplantplicht” niet heeft geretourneerd, niet mag worden tegengeworpen nu de overheid geen nadere regels mag stellen aan een verzoek tot uitstel.

B1

Het hof overweegt met betrekking tot het onder A1 weergegeven deel van het verweer als volgt.

Het hof begrijpt dat de raadsvrouwe met de Stankwet en de Geurwet doelt op respectievelijk de Wet stankemissie veehouderijen in landbouwontwikkelings- en verwevingsgebieden, welke vervangen is door de op 1 januari 2007 in werking getreden Wet geurhinder en veehouderij.

Wat er ook zij van de beweerde invloed van deze wetgeving op het al dan niet verlenen van vergunningen in het kader van het uitbreidingsplan met betrekking tot de visvijver en de stelling dat verdachte beschikte over een ontgrondingsvergunning, gesteld noch gebleken is dat ten aanzien van perceel S58 in 2000 een kapvergunning was afgegeven. Het kappen van de houtopstand is derhalve illegaal verricht. Verdachte heeft de hem hiervoor opgelegde boete overigens ook betaald, zo heeft hij ter terechtzitting erkend.

Als gevolg van het kappen van de houtopstand ontstond voor verdachte op grond van de Boswet de verplichting over te gaan tot herbeplanting. Aan die verplichting heeft verdachte in de tenlastegelegde periode niet voldaan. Of verdachte wellicht in latere jaren, door gewijzigde omstandigheden een kapvergunning zou hebben gekregen doet niet terzake.

B2.1

Het hof overweegt ten aanzien van het onder A2 gestelde als volgt.

Eerst moet worden overwogen dat gesteld noch gebleken is dat aan verdachte mondeling of schriftelijk door de daartoe bevoegde instantie uitdrukkelijk uitstel is verleend ten aanzien van zijn verplichting tot herbeplanting.

B2.2.

Voorts wordt overwogen dat noch de door de raadsvrouwe overgelegde brief van 7 november 2006 van de provincie [naam provincie], noch de overige in het dossier aanwezige brieven van de provincie [naam provincie], bureau toezicht en handhaving steun geven aan de stelling dat uit die correspondentie valt af te leiden dat op enig moment – impliciet – evenbedoelde vorm van uitstel ten aanzien van de tenlastegelegde periode is verleend. Die stelling vindt evenmin steun in de overige brieven in het dossier gericht aan verdachte, te weten de brief namens de officier van justitie van 1 juni 2004 (op briefpapier van de provincie [naam provincie]) en de brief van 13 juli 2004 van gedeputeerde staten van de provincie [naam provincie].

De enkele omstandigheid dat verdachte een datum krijgt aangezegd waarvoor hij de herbeplanting moet hebben uitgevoerd rechtvaardigt niet – nu het niet voldoen aan de herplantplicht een voortdurend delict is – de conclusie dat daarin een uitstel tot die datum ligt besloten welk uitstel straffeloosheid tot die datum met zich zou brengen. Dit blijkt ook duidelijk uit de hiervoor aangehaalde brief namens de officier van justitie, waarin staat vermeld dat, indien niet voor een bepaalde datum aan de herplantplicht wordt voldaan opnieuw (onderstreping door het hof) proces-verbaal zal worden opgemaakt.

De genoemde correspondentie kon – gelet op de bewoordingen maar ook in aanmerking genomen dat niet alle correspondentie afkomstig is van organen die bevoegd zijn beslissingen te nemen met betrekking tot vervolging - evenmin bij de verdachte een gerechtvaardigd vertrouwen wekken dat er sprake zou zijn van een vorm van uitstel die straffeloosheid in die periode, en, dan wel uitsluitend, de tenlastegelegde periode met zich zou brengen.

B2.3.

Tot slot overweegt het hof met betrekking tot de stelling dat het vragen van uitstel vormvrij mag geschieden en dat van verdachte niet mag worden gevergd dat hij – teneinde uitstel te krijgen van zijn verplichting tot herbeplanting – daartoe bestemde formulieren invult, dat, wat daar ook van zij, vaststaat dat aan verdachte nooit daadwerkelijk bedoeld uitstel is verleend. Het enkele vragen van uitstel – op welke (vormvrije) wijze dan ook – impliceert immers niet dat uitstel wordt verleend. Ook nu geldt dat verdachte niet gerechtvaardigd erop kon vertrouwen dat een vorm van uitstel was verleend, die straffeloosheid in die periode, en, dan wel uitsluitend, de tenlastegelegde periode met zich bracht.

B3

Het hof verwerpt het verweer in al zijn onderdelen.

Het bewezen verklaarde is voorzien bij artikel 3, eerste lid, Boswet, juncto artikel 1a, aanhef en onder 2° van de Wet op de economische delicten en artikel 2, eerste lid, van die wet en strafbaar gesteld bij artikel 6, eerste lid, aanhef en onder 2° van de Wet op de economische delicten.

Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit of de verdachte uitsluiten.

Het bewezenverklaarde feit levert een strafbaar feit en verdachte is daarvoor strafbaar.

Het feit wordt gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Op te leggen straf of maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Bij de vaststelling van de hoogte van de geldboete heeft het hof rekening gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte, voorzover daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op artikel 3 van de Boswet, de artikelen 23, 24, 24c en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 3, eerste lid, van de Boswet, opzettelijk begaan.

Verklaart verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een geldboete van EUR 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis.

Aldus gewezen door

mr. E.S.G.N.A.I. van de Griend, voorzitter,

mr. H. Harmsen en mr. A. de Lange,

in tegenwoordigheid van mr. H.J.A. van Ham, griffier,

en op 24 april 2007 ter openbare terechtzitting uitgesproken.