Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2007:BA5780

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
21-05-2007
Datum publicatie
25-05-2007
Zaaknummer
R200601374
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellant ontvankelijk in zijn hoger beroep d.d. 30 november 2006 tegen de beschikking van de rechtbank van 21 november 1995.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WvR

21 mei 2007

Sector civiel recht

Rekestnummer R200601374

Zaaknummer eerste aanleg E 95 / 4788

GERECHTSHOF ’S-HERTOGENBOSCH

Beschikking

In de zaak in hoger beroep van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: de man,

procureur mr. Y.A.W.M. Molkenboer,

t e g e n

De gemeente [gemeentenaam],

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: de gemeente.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank ‘s-Hertogenbosch van 21 november 1995, waarvan de inhoud bij partijen bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 30 november 2006, heeft de man verzocht voormelde beschikking van de rechtbank ‘s-Hertogenbosch te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het verzoek van de gemeente alsnog af te wijzen, althans zodanige beslissing te nemen als het hof in goede justitie juist acht.

2.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 16 april 2007. Bij die gelegenheid zijn de man en zijn advocaat gehoord.

De gemeente heeft bij brief van 12 april 2007 laten weten niet ter zitting te zullen verschijnen.

2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van:

- de producties, overgelegd bij het beroepschrift;

- de brief van de procureur van de man van 26 januari 2007;

- de brief met bijlagen van de heer H. Groothuijse namens de gemeente van 1 maart 2007;

- de brief met bijlagen van de procureur van de man van 6 april 2007;

- de ter zitting overgelegde brief van N.A. Hofman, gerechtsdeurwaarders, van 23 oktober 2006.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift.

4. De beoordeling

4.1. De gemeente heeft op 21 juli 1995 de rechtbank ‘s-Hertogenbosch verzocht tot:

- vaststelling van een door de man aan de gemeente te betalen bedrag van fl. 5.882,48 ter zake van gemaakte kosten van bijstand aan mevrouw [Y.], mede ten behoeve van het minderjarige kind van de man en mevrouw [Y.], [Z.], over de periode van 1 augustus 1993 tot 1 juli 1995;

- vaststelling van een bedrag van fl. 259,58 per maand met ingang van 1 juli 1995 ter zake van nog te maken kosten van bijstand zolang de bijstandsverlening aan mevrouw [Y.] voortduurt.

De man heeft hiertegen geen verweer gevoerd.

4.2. Bij beschikking waarvan beroep heeft de rechtbank conform het verzoek van de gemeente het bedrag dat de man over de periode van 1 augustus 1993 tot 1 juli 1995 aan de gemeente dient te betalen, vastgesteld op fl. 5.882,48 en het bedrag dat de man aan de gemeente dient te betalen met ingang van 1 juli 1995 en zolang de bijstandsverlening aan mevrouw [Y.] voortduurt, vastgesteld op fl. 259,58 per maand.

De man kan zich met deze beslissing niet verenigen en komt hiertegen op.

Ontvankelijkheid

4.3. De man stelt in zijn beroepschrift dat hij pas voor het eerst in het weekeinde van 28 en 29 oktober 2006 is geconfronteerd met het bestaan van de bestreden beschikking. De man voert daarbij aan dat hem op zijn verzoek bij brief van deurwaarderskantoor Hofman van 23 oktober 2006 een afschrift van de bestreden beschikking is toegezonden. De man is naar eigen zeggen nooit bekend geweest met het door de gemeente in 1995 ingediende verzoek tot vaststelling van een door de man te betalen verhaalsbijdrage en hij heeft nimmer enig stuk met betrekking tot de verhaalsprocedure ontvangen. Hij is van mening dat hij ontvangen kan worden in zijn hoger beroep, nu hij tijdig nadat de bestreden beschikking aan hem bekend is geworden, dit hoger beroep heeft ingesteld.

4.4. Het hof overweegt dat de gemeente geen verweerschrift heeft ingediend tegen het beroep van de man en evenmin ter zitting verweer heeft gevoerd. Dit betekent dat de stelling van de man, inhoudende dat hij niet op de hoogte was van de procedure in eerste aanleg, nimmer stukken met betrekking tot deze procedure heeft ontvangen en pas voor het eerst op 28 oktober 2006 kennis heeft kunnen nemen van de beschikking van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 21 november 1995, niet, althans onvoldoende is weersproken.

Weliswaar kan uit de door de gemeente toegezonden stukken worden afgeleid dat de man wel door de gemeente is aangeschreven, maar de man heeft gesteld deze brieven nooit te hebben ontvangen en uit de stukken blijkt niet dat deze brieven per aangetekende post zijn verzonden.

Nu het hof niet kan beschikken over het procesdossier in eerste aanleg - omdat dit kennelijk noch door de gemeente, noch door de rechtbank is bewaard -, noch over enig ander nader stuk waaruit het tegendeel blijkt, volgt het hof de stelling van de man. Dit betekent dat de man ontvangen kan worden in zijn hoger beroep tegen voornoemde beschikking.

Inhoudelijke beoordeling

4.5.De man stelt in zijn beroepschrift dat hij de draagkracht mist om de vastgestelde verhaalsbijdrage aan de gemeente te voldoen.

4.6.1. Het hof overweegt dat de bestreden beschikking betrekking heeft op de periode vanaf 1 augustus 1993. Uit de door de advocaat van de man bij brief van 6 april 2007 overgelegde gegevens, afkomstig van de belastingdienst, over 1993 en 1994 blijkt dat de man in ieder geval in die jaren inkomsten uit arbeid had. Zo had de man blijkens voornoemde belasting- aangiften in 1993 een fiscaal jaarloon van fl. 42.727,- (€ 19.388,67) en in 1994 een fiscaal jaarloon van fl. 41.062,-

(€ 18.633,12). De man heeft geen inzage gegeven in zijn lasten in die jaren.

Gelet hierop kan niet worden aangenomen dat de man gedurende de periode van 1 augustus 1993 tot 1 januari 2005 geen draagkracht had tot betaling van de door de rechtbank vastgestelde verhaalsbijdrage. In zoverre faalt de grief van de man.

4.6.2. De man heeft ter zitting verklaard in de periode van 1 januari 1995 tot 10 februari 2006 niet of nauwelijks inkomsten te hebben gehad. Naar eigen zeggen was hij vanaf 1997 voor een periode van 20 maanden gedetineerd, verbleef hij in de jaren 2000 tot en met 2004 in Suriname en was hij vanaf medio 2005 tot februari 2006 opnieuw gedetineerd. De man heeft voorts verklaard dat hij sinds 10 februari 2006 een WWB-uitkering van de gemeente [gemeentenaam] ontvangt en dat hij bezig is met een resocialisatieproject. De man heeft met betrekking tot zijn WWB-uitkering bij zijn beroepschrift een uitkerings- specificatie van 30 september 2006 overgelegd.

Bij gebreke van verweer aan de zijde van de gemeente en van enig stuk waaruit het tegendeel blijkt, gaat het hof ervan uit dat de man vanaf 1 januari 1995 geen draagkracht heeft tot betaling van een verhaalsbijdrage. De grief van de man slaagt in zoverre.

4.7. Het voorgaande betekent dat de bestreden beschikking van de rechtbank dient te worden vernietigd voor wat betreft de door de man te betalen verhaalsbijdrage met ingang 1 januari 1995 en voor het overige dient te worden bekrachtigd. Het hof stelt het door de man over de periode van 1 augustus 1993 tot 1 januari 1995 te betalen bedrag vast op € 1.973,-

(fl. 4.347,92).

5. De beslissing

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 21 november 1995 voor wat betreft de door de man aan de gemeente [gemeentenaam] te betalen verhaalsbijdrage met ingang van 1 januari 1995;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

wijst het inleidend verzoek van de gemeente tot vaststelling van een door de man te betalen verhaalsbijdrage alsnog af voor zover dit verzoek betrekking heeft op de periode vanaf 1 januari 1995;

bekrachtigt de bestreden beschikking van de rechtbank voor het overige, met dien verstande dat het bedrag dat de man over de periode van 1 augustus 1993 tot 1 januari 1995 aan de gemeente dient te betalen, wordt vastgesteld op € 1.973,-.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Everaars-Katerberg, Smeenk-van der Weijden en Lamers en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 21 mei 2007 in tegenwoordigheid van de griffier.