Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2007:BA5720

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-04-2007
Datum publicatie
25-05-2007
Zaaknummer
C200600012
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Voor het lidmaatschap van een vereniging is in beginsel steeds een wilsuiting nodig, behoudens de in de wet geregelde uitzonderingen, waarvan in casu geen sprake is. Naar het oordeel van het hof mocht de vereniging er op basis van de gedragingen en handelwijze van de wederpartij gerechtvaardigd vanuit gaan dat deze het lidmaatschap had aanvaard en dat het lidmaatschap aldus tot stand was gekomen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 2
Burgerlijk Wetboek Boek 2 26
Burgerlijk Wetboek Boek 2 33
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2007/167 met annotatie van G.J.C. Rensen
JRV 2007, 487
JOR 2007/167 met annotatie van G.J.C. Rensen

Uitspraak

C0600012/RO

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

sector civiel recht,

zevende kamer, van 10 april 2007,

gewezen in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ORMALIGHT B.V.,

statutair gevestigd te [vestigingsplaats],

mede kantoorhoudende te [kantoorplaats],

appellante bij exploot van dagvaarding van 24 november 2005 en herstelexploot van 23 december 2005,

verder te noemen: Ormalight,

procureur: mr. M.P.Y. Verhagen,

tegen:

de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

LICHTGROEP HOLLAND,

statutair gevestigd te [vestigingsplaats],

kantoorhoudende te [kantoorplaats],

geïntimeerde bij voormelde exploten,

verder te noemen: de Lichtgroep,

procureur: mr. J.E. Lenglet,

op het hoger beroep van de door de rechtbank Roermond, sector kanton, locatie Venlo gewezen vonnissen van 23 maart 2005 en 31 augustus 2005 tussen de Lichtgroep als eiseres en Ormalight als gedaagde.

Het verloop van het geding in eerste aanleg (zaaknummer 140558\CV EXPL 05-326)

Voor het verloop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen.

2. Het verloop van het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven heeft Ormalight twee grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van voormelde vonnissen en tot het alsnog niet ontvankelijk verklaren van de Lichtgroep in haar inleidende vordering, althans tot afwijzing daarvan, met veroordeling van de Lichtgroep in de proceskosten van beide instanties.

2.2. Bij memorie van antwoord heeft de Lichtgroep geconcludeerd tot niet ontvankelijkheid van Ormalight in haar hoger beroep, althans tot afwijzing ervan en tot bekrachtiging van voormelde vonnissen, met veroordeling van Ormalight in de proceskosten.

2.3. Beide partijen hebben daarna nog een akte genomen. Vervolgens hebben zij de gedingstukken overgelegd en om uitspraak gevraagd.

3. De beoordeling

3.1. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

3.2. De Lichtgroep is een vereniging die de belangen behartigt van haar leden, zijnde huurders van een standplaats in een gezamenlijke expositieruimte bij het E.T.C. te [vestigingsplaats], een beurs voor verlichting en interieur. De leden betalen aan de vereniging een jaarlijkse bijdrage, bestaande uit contributie en een bedrag voor promotieactiviteiten.

3.3. De Lichtgroep heeft in eerste aanleg gevorderd Ormalight te veroordelen tot betaling van twee facturen d.d. 14 juni 2004 en 1 juli 2004 terzake van de bijdrage (voor contributie en promotie) voor het eerste en tweede halfjaar 2004, van in totaal

€ 2.659,65, te vermeerderen met buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente. Aan die vordering heeft zij ten grondslag gelegd dat Ormalight door een standplaats te huren bij het E.T.C., automatisch lid is geworden van de Lichtgroep en dientengevolge de jaarbijdrage over 2004 is verschuldigd en voorts dat Ormalight zich nadrukkelijk als lid van de vereniging heeft gedragen.

3.4. Ormalight heeft in verweer aangevoerd dat zij bij het aangaan van de huurovereenkomst in januari 2003 met E.T.C. (de verhuurder van de standplaatsen) uitdrukkelijk is overeengekomen dat zij géén lid zou worden van de Lichtgroep en voorts heeft zij betwist dat zij zich als lid van de Lichtgroep heeft gedragen.

3.5. De kantonrechter kwam tot het oordeel dat Ormalight door een standplaats te huren bij E.T.C. automatisch lid was geworden van de Lichtgroep. Daarbij heeft de kantonrechter in aanmerking genomen dat uit het feit dat Ormalight met E.T.C. had afgesproken dat zij geen lid zou worden van de Lichtgroep, kon worden afgeleid dat Ormalight op de hoogte was van het bestaan van de Lichtgroep, dat niet was gebleken dat E.T.C. bevoegd was om voor de Lichtgroep bindende afspraken te maken, dat het op de weg van Ormalight had gelegen afspraken omtrent de bijdrage te maken met de Lichtgroep en dat Ormalight de contributie en de promotiebijdrage over 2003 had betaald en nagenoeg alle vergaderingen van de vereniging had bijgewoond.

3.6. De grieven strekken ertoe te betogen dat Ormalight niet gehouden is tot betaling van de betreffende facturen over het jaar 2004, aangezien zij nimmer lid van de Lichtgroep is geweest of geworden. Het hof zal de grieven gezamenlijk bespreken.

3.7. Ormalight heeft niet gegriefd tegen het door de kantonrechter gewezen tussenvonnis van 23 maart 2005, dat overigens niet meer behelsde dan het gelasten van een comparitie. Ormalight zal in haar hoger beroep tegen dit tussenvonnis niet-ontvankelijk worden verklaard.

3.8. Terzake de huurovereenkomst tussen Ormalight en E.T.C. is niet in geschil dat deze in januari 2003 is aangegaan. Ormalight heeft een brief overgelegd (productie 1 MvG), waarin door E.T.C. aan Ormalight de tussen hen beiden gemaakte afspraken worden weergegeven. Aangezien niet gesteld of gebleken is dat Ormalight vóór het jaar 2003 reeds een standplaats huurde bij E.T.C., gaat het hof er vanuit dat in de brief abusievelijk een aantal keren het jaar 2002 wordt vermeld, waar 2003 wordt bedoeld en voorts dat de datum aan de voet van de brief (13 januari 2003) als de datum van opmaak heeft te gelden. Het hof begrijpt de brief aldus dat Ormalight van E.T.C. een standplaats heeft gehuurd over de periode van 1 januari 2003 tot en met 31 december 2003. Aan de voet van deze brief wordt vermeld:

“(*) Huurprijs is exclusief energie, er werd overeengekomen dat geen entreegeld en promotiebijdrage en lidmaatschap Lichtgroep Holland is verschuldigd”.

3.9. Uit de stukken valt op te maken dat E.T.C. haar huurders van een standplaats in het verleden (in ieder geval tot begin 2004, vgl. productie 2 MvG) verplichtte lid te worden van de Lichtgroep en door Ormalight is erkend (vgl. conclusie van antwoord) dat in het verleden tussen E.T.C. en de Lichtgroep de regeling bestond dat iedere standhouder verplicht was een promotiebijdrage aan de Lichtgroep te betalen. Uit de stukken kan niet worden afgeleid of E.T.C. bevoegd was om in januari 2003 in afwijking van die regeling namens de Lichtgroep met Ormalight andersluidende afspraken te maken, echter getuige de onderhavige procedure is duidelijk dat de Lichtgroep daarmee in ieder geval voor wat betreft de onderhavige zaak niet akkoord ging.

3.10. Vast staat dat Ormalight de bijdrage voor promotie en lidmaatschap over 2003 heeft betaald. Verder staat vast dat Ormalight in 2004 wederom een standplaats van het E.T.C. heeft gehuurd. In geschil is de gehoudenheid van Ormalight tot betaling van de jaarbijdrage over 2004. In dat kader dient beoordeeld te worden of Ormalight door het aangaan van het huurcontract met E.T.C. in januari 2003 automatisch lid is geworden van de Lichtgroep dan wel of het lidmaatschap op andere wijze is tot stand gekomen.

3.11. Het hof stelt voorop dat voor het lidmaatschap van een vereniging in beginsel steeds een wilsuiting nodig is, behoudens de in de wet geregelde uitzonderingen, waarvan in casu geen sprake is. Er zijn géén stukken overgelegd waaruit expliciet blijkt dat huurders van een standplaats bij het E.T.C. door het aangaan van de huurovereenkomst automatisch lid werden van de Lichtgroep.

3.12. Door Ormalight is wél erkend dat er een afspraak bestond tussen de Lichtgroep en E.T.C., inhoudende dat E.T.C. tezamen met een huurovereenkomst voor een standplaats tevens het lidmaatschap van de vereniging zou aanbieden en tevens dat zij – Ormalight - daarvan op de hoogte was. Zij stelt echter dat uit de toevoeging onder de huurovereenkomst (productie 1 MvG) volgt dat, in afwachting van de gebruikelijke gang van zaken, met E.T.C. is afgesproken dat Ormalight geen lid zou worden van de vereniging. Naar het oordeel van het hof valt die conclusie echter niet uit de bedoelde toevoeging te trekken. In die toevoeging is immers niet meer vermeld dan dat (voor de desbetreffende periode) geen promotiebijdrage en lidmaatschaps(geld) verschuldigd zijn. Ander bewijs van de door Ormalight gestelde afspraak ontbreekt en is ook niet specifiek aangeboden.

3.13. Naar het oordeel van het hof zijn in de overgelegde stukken bovendien voldoende aanknopingspunten te vinden die de conclusie rechtvaardigen dat Ormalight zich nadrukkelijk als lid van de Lichtgroep heeft gedragen. Bij memorie van antwoord heeft de Lichtgroep de brief d.d. 31 maart 2003 overgelegd, die zij stelt aan Ormalight te hebben verzonden, waarin onder meer het volgende wordt vermeld:

“ Naar wij hebben begrepen staat u op proef op het E.T.C., waarmee wij voor een korte periode akkoord kunnen gaan. Opdat geen ongelijkheid ontstaat bij onze leden, zullen wij u echter vanaf 1 april a.s. als volwaardig lid van de Lichtgroep Holland gaan beschouwen en zult u derhalve ook contributie en promotiegeld verschuldigd zijn. Bijgesloten treft u dan ook onze factuur 2003.03.005 aan, alsmede een informatiebulletin van onze vereniging …”

3.14. Niet gebleken is dat Ormalight bezwaar tegen deze brief heeft gemaakt of dat zij op enigerlei wijze de Lichtgroep heeft laten weten dat zij zich niet als lid aan de vereniging wilde verbinden. Voorts heeft Ormalight naar het oordeel van het hof handelingen verricht, die normaliter alleen leden plegen te verrichten: Ormalight heeft de contributie en het promotiegeld over 2003 betaald en niet bestreden is dat zij bij nagenoeg alle ledenvergaderingen aanwezig is geweest.

3.15. Het verweer van Ormalight dat zij de brief van 31 maart 2003 niet kent en dat zij slechts eenmalig de promotiebijdrage over 2003 heeft willen betalen, maar daarnaast abusievelijk ook de contributie over 2003 heeft betaald, acht het hof niet overtuigend en dient als zijnde onvoldoende onderbouwd te worden gepasseerd. De lichtgroep heeft voldoende aangetoond dat de nota’s over 2003 waren gevoegd bij de brief van 31 maart 2003 en daarnaast is niet gesteld of gebleken dat Ormalight, voorzover er al sprake zou zijn geweest van onverschuldigde betaling van de contributie over 2003, terugbetaling van (een deel van) de betaalde jaarbijdrage over 2003 heeft verlangd. Ook de stelling dat zij de ledenvergaderingen slechts vrijblijvend heeft bijgewoond is onvoldoende onderbouwd en doet, voorzover al juist, geen afbreuk aan het gegeven dat zij op nagenoeg alle overgelegde presentielijsten voorkomt.

3.16. De vorengenoemde feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien brengen het hof tot het oordeel dat de Lichtgroep er op basis van de gedragingen en handelwijze van Ormalight gerechtvaardigd vanuit mocht gaan dat Ormalight in 2003 het lidmaatschap van de vereniging had aanvaard en dat het lidmaatschap aldus tot stand was gekomen.

3.17. Nu het hof van oordeel is dat het lidmaatschap in 2003 tot stand is gekomen en nu niet is gebleken dat Ormalight het lidmaatschap nadien heeft opgezegd, hetgeen volgens de statuten van de Lichtgroep overigens schriftelijk dient te geschieden, dient de conclusie te zijn dat Ormalight ook in 2004 nog lid van de Lichtgroep was en op grond daarvan gehouden is de facturen over 2004 te betalen.

3.18. Het bewijsaanbod van de Ormalight wordt als zijnde niet terzake dienend gepasseerd. Voorzover dit aanbod betrekking heeft op de stelling dat Ormalight het lidmaatschap niet wenste, blijft immers staan dat zij zich, zoals hiervoor is overwogen, niet overeenkomstig die stelling heeft gedragen.

3.19. Het vorenstaande leidt er toe dat de grieven falen en dat het bestreden eindvonnis zal worden bekrachtigd, onder verbetering van de gronden waarop het berust. Ormalight zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van beide instanties.

4. De uitspraak

Het hof:

verklaart Ormalight niet ontvankelijk in haar hoger beroep, voorzover dat is gericht tegen het tussen partijen gewezen tussenvonnis van 23 maart 2005;

bekrachtigt het tussen partijen gewezen eindvonnis waarvan beroep van 31 augustus 2005, onder verbetering van de gronden waarop het berust;

veroordeelt Ormalight in de proceskosten van het hoger beroep en begroot die kosten aan de zijde van de Lichtgroep op € 244,= voor vastrecht en op € 894,= voor salaris procureur.

verklaart voormelde proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. Van Etten, Den Hartog Jager en Van den Bergh en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 10 april 2007.