Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2007:BA5717

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-04-2007
Datum publicatie
25-05-2007
Zaaknummer
C200600404
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 1 lid 1 aanhef en sub c van hoofdstuk 15 van de CAO Gehandicaptenzorg

Werknemer maakt jegens werkgever aanspraak op een wachtgelduitkering in de zin van hoofdstuk 15 van de CAO Gehandicaptenzorg, na ontbinding van de arbeidsovereenkomst tussen partijen door de kantonrechter wegens de langdurige arbeidsongeschiktheid van werknemer. In artikel 1 lid 1 van hoofdstuk 15 is als grondslag voor de toekenning van wachtgeld onder meer vermeld: “onbekwaamheid c.q. ongeschiktheid voor de in de instelling te vervullen functie die niet aan zijn schuld of toedoen te wijten is.” Werknemer stelt dat onder de in dat artikellid genoemde term “ongeschiktheid” ook “arbeidsongeschiktheid” valt.

Die stelling wordt door het hof verworpen. Het hof overweegt onder meer dat [X.] op basis van de CAO DTG of op basis van de CAO voor het Ziekenhuiswezen die voorafgingen aan de CAO Gehandicaptenzorg, geen aanspraak op wachtgeld – op de grondslag van arbeidsongeschiktheid – zou hebben gehad. Er zijn onvoldoende feiten en/of omstandigheden gesteld dan wel gebleken op grond waarvan kan worden geoordeeld dat [X.] een dergelijke aanspraak wèl op basis van (hoofdstuk 15 van) de CAO Gehandicaptenzorg heeft verkregen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

C0600404/HE

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

sector civiel recht,

achtste kamer, van 17 april 2007,

gewezen in de zaak van:

STICHTING VIZIER, DIENSTVERLENING AAN MENSEN MET EEN VERSTANDELIJKE HANDICAP, thans genaamd Stichting Dichterbij,

gevestigd te [vestigingsplaats],

appellante bij exploten van dagvaarding van 22 december 2005, 29 december 2005 en 13 februari 2006,

procureur: mr. J.E. Lenglet,

tegen:

[X.],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde bij gemelde exploten,

procureur: mr. J.E. Benner,

op het hoger beroep van het door de rechtbank ‘s-Hertogenbosch, sector kanton, locatie Boxmeer gewezen vonnis van 4 oktober 2005 tussen appellante - Vizier - als gedaagde en geïntimeerde - [X.] - als eiser.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr.-rolnr. CV 364885/935/04)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven heeft Vizier zes grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot afwijzing van de vorderingen van [X.], met veroordeling van [X.] in de kosten van de procedure in beide instanties.

2.2. Bij memorie van antwoord heeft [X.] de grieven bestreden.

2.3. Partijen hebben daarna de zaak mondeling doen bepleiten aan de hand van pleitnotities, Vizier door mr. T.H.T.T. Nguyen en [X.] door mr. R.Ph. de Quay. Daarbij heeft Vizier nog nadere stukken in het geding gebracht.

2.4. Partijen hebben vervolgens de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de gronden van het hoger beroep verwijst het hof naar de memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

4.1.1. De Stichting Vizier (met ingang van 1 januari 2006 de Stichting Dichterbij geheten) komt voort uit de stichtingen De Binckhof, Saamvliet en Wodagg en heeft tot doel diensten te verlenen aan mensen met een verstandelijke handicap.

4.1.2. [X.], geboren op [geboortejaar], is op 1 juli 1973 bij de rechtsvoorgangster van Vizier in dienst getreden. Op de arbeidsovereenkomst was oorspronkelijk de CAO voor het Ziekenhuiswezen van toepassing. Met ingang van 1999 is de CAO Gehandicaptenzorg van toepassing geworden. Laatstelijk was [X.] werkzaam in de functie van administratief medewerker tegen een salaris van € 2.059,00 bruto per maand inclusief vakantietoeslag.

4.1.3. Vanaf 9 of 20 januari 2000 is de – reeds bestaande – arbeidsongeschiktheid van [X.] toegenomen. Met ingang van 9 januari 2001 is aan [X.] een gedeeltelijke WAO-uitkering toegekend op basis van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 45-55%. Vanaf 6 juli 2001 ontvangt [X.] een volledige WAO-uitkering op grond van een arbeidsongeschiktheids- percentage van 80-100%.

Vizier was verplicht tot aanvulling van de WAO-uitkering tot 100% van het netto salaris van [X.] gedurende twee jaren, tot 11 januari 2002. Vizier heeft de WAO-uitkering aangevuld tot november 2002.

4.1.4. De kantonrechter te Boxmeer heeft de arbeidsovereenkomst tussen partijen ontbonden per 1 januari 2004 wegens de langdurige arbeidsongeschiktheid van [X.], onder toekenning aan [X.] van een vergoeding van € 5.000,00 ten laste van Vizier.

4.1.5. Bij brief van 6 januari 2004 heeft [X.] jegens Vizier aanspraak gemaakt op een wachtgelduitkering in de zin van hoofdstuk 15 van de geldende CAO Gehandicaptenzorg.

4.1.6. Artikel 1 lid 1 van hoofdstuk 15 luidt:

“Aan de werknemer die voor onbepaalde tijd is aangesteld en die uitsluitend wordt ontslagen wegens:

vermindering of beëindiging van de werkzaamheden; dan wel reorganisatie; dan wel c. onbekwaamheid c.q. ongeschiktheid voor de in de instelling te vervullen functie die niet aan zijn schuld of toedoen te wijten is;

wordt met ingang van de dag van ontslag door de werkgever een wachtgeld toegekend overeenkomstig de bepalingen uit deze CAO.”

4.1.7. Artikel 1 lid 2 van hoofdstuk 15 luidt:

“Voor de toepassing van lid 1 wordt met ontslag gelijkgesteld de ontbinding van de arbeidsovereenkomst ex artikel 7:685 BW wegens de in lid 1 genoemde omstandigheden.”

4.1.8. In artikel 5 lid 2 van hoofdstuk 15 is bepaald:

“Op het wachtgeld komt in mindering de uitkering ingevolge de Werkloosheidswet, alsmede een eventuele uitkering ingevolge de Ziektewet, de Wet op de Arbeidsongeschiktheids-verzekering, de Wet Arbeidsongeschiktheidsvoorziening Jonggehandicapten en de Wet Arbeidsongeschiktheidsvoorziening Zelfstandigen.”

4.1.9. Vizier heeft geweigerd over te gaan tot uitbetaling van wachtgeld aan [X.].

[X.] heeft Vizier voor de kantonrechter te Boxmeer gedagvaard en gevorderd, zakelijk weergegeven, te verklaren voor recht dat [X.] aanspraak heeft op wachtgeld conform hoofdstuk 15 van de CAO Gehandicaptenzorg en Vizier te veroordelen tot betaling van de wachtgeldtermijnen (onder aftrek van de WAO-uitkering van [X.]) vanaf 1 januari 2004, te vermeerderen met de wettelijke rente en de buitengerechtelijke kosten van € 648,55, met veroordeling van Vizier in de proceskosten.

4.1.10. Bij vonnis van 4 oktober 2005 heeft de kantonrechter de vorderingen van [X.] grotendeels toegewezen.

4.1.11. Tegen voormeld vonnis is Vizier in beroep gekomen.

4.2. Met de grieven komt Vizier primair op tegen (kort gezegd) de maatstaf die de kantonrechter heeft gehanteerd bij de uitleg van artikel 1 lid 1 aanhef en sub c van hoofdstuk 15 van de CAO Gehandicaptenzorg en tegen het oordeel van de kantonrechter dat onder de in dat artikellid genoemde term “ongeschiktheid” ook arbeidsongeschiktheid valt.

Vizier heeft in dit verband onder meer het volgende aangevoerd.

De term “ongeschiktheid” is synoniem met de term “onbekwaamheid” en ziet op het niet voldoen aan de functie-eisen (disfunctioneren), waardoor een werknemer ongeschikt c.q. onbekwaam is om zijn functie uit te oefenen. Een verruiming van het begrip “onbekwaamheid c.q. ongeschiktheid” tot het begrip “arbeidsongeschiktheid” moet daarbij van de hand worden gewezen, gezien de taalkundige betekenis (zoals deze blijkt uit het woordenboek “De Van Dale Groot Woordenboek der Nederlandse Taal”, 13de herziene uitgave, alsook de 14de editie van 2005), de elders (bijvoorbeeld in hoofdstuk 11) in de CAO Gehandicaptenzorg gebruikte formuleringen, de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de verruiming zou kunnen leiden en de CAO-bepalingen van de voorloper(s) van de huidige CAO Gehandicaptenzorg, zoals de CAO voor het Ziekenhuiswezen en de CAO Dagverblijven en Tehuizen voor Gehandicapten (hierna: CAO DTG) en aanverwante CAO’s (zoals de CAO Verpleeg- en Verzorgingshuizen) en de eventuele toelichting daarop. Vizier heeft zich daarbij onder meer beroepen op het arrest HR 16 oktober 1987, NJ 1988, 257.

Voorts is ook de CAO Gehandicaptenzorg 2005-2007 relevant. Uit het hoofdstukje “wachtgeld” uit het onderhandelaars- akkoord van 10 april 2006 blijkt dat onder “onbekwaamheid c.q. ongeschiktheid” niet wordt verstaan “arbeidsonge- schiktheid”. Deze bepaling is ter verduidelijking toegevoegd aan de grondslag “onbekwaamheid c.q. ongeschiktheid” voor een recht op wachtgeld in de toekomstige CAO Gehandicaptenzorg 2005-2007. De grondslag voor het recht op wachtgeld als zodanig wordt, aldus Vizier, niet gewijzigd in laatstbedoelde CAO.

4.3. [X.] concludeert tot bekrachtiging van het vonnis waarvan beroep. Volgens [X.] heeft de kantonrechter bij de uitleg van artikel 1 lid 1 aanhef en sub c van hoofdstuk 15 van de CAO Gehandicaptenzorg een juiste maatstaf toegepast. Hij heeft onder meer aangevoerd dat de in dat artikellid genoemde term “ongeschiktheid” mede “arbeidsongeschiktheid” omvat. Volgens het woordenboek Van Dale, veertiende druk, herziene uitgave (2005), wordt onder “ongeschikt” onder meer verstaan “lichamelijk ongeschikt”. Ter ondersteuning van zijn standpunt wijst [X.] op artikel 5 lid 2 van hoofdstuk 15 van de CAO Gehandicaptenzorg waarin is bepaald dat de wachtgelduitkering wordt verminderd met onder andere een WAO-uitkering. Het beroep van Vizier op het arrest HR 16 oktober 1987, NJ 1988, 257 moet volgens [X.] worden verworpen, nu dit arrest niet ziet op de uitleg van de CAO Gehandicaptenzorg, maar op de uitleg van de CAO DTG. Ten slotte voert [X.] aan dat met latere CAO-bepalingen geen rekening mag worden gehouden.

4.4. Het hof oordeelt als volgt.

4.4.1. Het gaat in dezen om de uitleg van artikel 1 lid 1 aanhef en sub c van hoofdstuk 15 van de toepasselijke CAO Gehandicaptenzorg, welk artikellid bepaalt dat de werknemer die uitsluitend wordt ontslagen wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid voor de in de instelling te vervullen functie, die niet aan zijn schuld of toedoen te wijten is, met ingang van de dag van ontslag door de werkgever wachtgeld wordt toegekend. Ingevolge lid 2 van genoemd artikel wordt ontslag gelijk gesteld met ontbinding van de arbeidsovereenkomst.

4.4.2. De arbeidsovereenkomst tussen Vizier en [X.] is, zoals onder 4.1.4. is vermeld, per 1 januari 2004 ontbonden (uitsluitend) wegens de langdurige arbeidsongeschiktheid van [X.].

Kernvraag in deze procedure is of volgens de CAO Gehandicaptenzorg arbeidsongeschiktheid een grondslag is voor wachtgeld, zoals [X.] heeft gesteld en Vizier gemotiveerd heeft betwist.

4.4.3. Voor de uitleg van de bepalingen van de CAO Gehandicaptenzorg (die algemeen verbindend is verklaard) zijn in beginsel de bewoordingen van deze CAO en van een eventueel daarbij behorende schriftelijke toelichting, gelezen in het licht van de gehele tekst, van doorslaggevende betekenis. Daarbij komt het aan op de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen van de CAO. Bij deze uitleg kan onder meer acht worden geslagen op de elders dan in artikel 1 lid 1 sub c van hoofdstuk 15 van de CAO gebruikte formuleringen en de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de tekstinterpretaties zouden kunnen leiden.

Deze maatstaf is terecht door de kantonrechter gehanteerd. De daartegen gerichte grief van Vizier faalt dan ook.

4.4.4. De CAO Gehandicaptenzorg 1999-2000 geeft geen definitie van het begrip “onbekwaamheid c.q. ongeschiktheid voor de in de instelling te vervullen functie die niet aan schuld of toedoen te wijten is”. De latere versies van deze CAO bevatten evenmin een definitie van dat begrip.

Hoofdstuk 11 van de CAO Gehandicaptenzorg heeft betrekking op ziekte en arbeidsongeschiktheid; daarin wordt steeds het woord “arbeidsongeschikt(heid)” gehanteerd en geen ander begrip dan dat gebruikt.

Er is geen schriftelijke toelichting op de CAO Gehandicaptenzorg voorhanden.

4.4.5. Uit de bepaling van artikel 1 lid 1 aanhef en sub c van hoofdstuk 15 van de toepasselijke CAO Gehandicaptenzorg kan niet zonder meer worden afgeleid dat (zoals [X.] heeft gesteld) de term “ongeschiktheid” mede omvat: “arbeidsongeschiktheid”, ook niet indien deze bepaling wordt gelezen in samenhang met artikel 5 lid 2 van hoofdstuk 15 van deze CAO. Laatstbedoelde (samenloop) bepaling heeft niet betrekking op de grondslag van wachtgeld, maar geldt voor situaties waarin een werknemer, die voldoet aan de eisen van artikel 1 lid 1 van hoofdstuk 15 van de CAO Gehandicaptenzorg, een uitkering in het kader van de sociale verzekering ontvangt. Indien bijvoorbeeld een arbeids- ongeschikte werknemer wegens reorganisatie wordt ontslagen, heeft hij op die grondslag (artikel 1 lid 1 aanhef en sub b van hoofdstuk 15 van de CAO Gehandicaptenzorg) aanspraak op wachtgeld. De WAO-uitkering van laatstbedoelde werknemer wordt dan in mindering op het wachtgeld gebracht.

4.4.6. Het hof acht in dit verband voorts van belang dat in de CAO’s die aan de CAO Gehandicaptenzorg zijn voorafgegaan, niet de grondslag “arbeidsongeschiktheid” voor de toekenning van wachtgeld is opgenomen.

De CAO Gehandicaptenzorg is ontstaan als gevolg van de gezamenlijke wens van CAO-partijen van de CAO Ziekenhuiswezen en de CAO-DTG, om te komen tot één CAO voor de gehandicaptenzorg.

In artikel 39 met het kopje “wachtgeldregeling” van hoofdstuk 9 van de CAO DTG was als grondslag voor wachtgeld onder meer opgenomen: “onbekwaamheid voor de in de instelling te vervullen functie”. In de bij dat artikel behorende toelichting was vermeld:

“Onder onbekwaamheid voor de in de instelling te vervullen functie wordt niet verstaan een gebrek aan geestelijke vermogens of ziekte/arbeidsongeschiktheid in de zin van de Ziektewet of de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.

Gedacht is o.a. aan de omstandigheid dat de werknemer buiten zijn schuld door de ontwikkeling van het werk niet meer die kwalificaties heeft die voor het vervullen van zijn functie nodig zijn.”

Op 16 oktober 1987 heeft de Hoge Raad (NJ 1988, 257) geoordeeld dat noch de tekst noch de strekking van artikel 39 van de CAO DTG aanleiding geven tot het maken van een onderscheid tussen “onbekwaamheid” en “ongeschiktheid”, welk onderscheid – aldus de HR – in de praktijk ook moeilijk hanteerbaar zou zijn.

De CAO voor het Ziekenhuiswezen, die sinds 1973 op de arbeidsovereenkomst met [X.] van toepassing was, bevat onder hoofdstuk O een “Uitvoeringsregeling wachtgeld”. In artikel 1 lid 1 aanhef en sub d van die uitvoeringsregeling is een soortgelijke bepaling als die van artikel 1 lid 1 aanhef en sub c van hoofdstuk 15 van de CAO Gehandicaptenzorg opgenomen, met dien verstande dat daarin de term “onbekwaamheid” en niet de term “ongeschiktheid” werd gebezigd. Blijkens de toelichting op deze regeling (die als productie 3 bij de conclusie van antwoord is gevoegd) was voorwaarde voor toekenning van wachtgeld: het verkrijgen van een uitkering ingevolge de WW.

Als niet dan wel onvoldoende weersproken is komen vast te staan dat werknemers die op grond van arbeidsongeschiktheid waren ontslagen, noch ingevolge de CAO DTG noch ingevolge de CAO voor het Ziekenhuiswezen recht hadden op wachtgeld.

Dat laatste gold ook voor de CAO Gehandicaptenzorg 1999-2000 die in 1999 op de arbeidsovereenkomst met [X.] toepasselijk werd. Ingevolge lid 2 van artikel 1 van hoofdstuk n betreffende de “Uitvoeringsregeling wachtgeld” (productie 4 bij conclusie van antwoord) bestond er een directe koppeling tussen het recht op wachtgeld en het verkrijgen van een WW-uitkering.

4.4.7. Mede gezien voormeld arrest HR 16 oktober 1987(NJ 1988, 257), de genoemde bepalingen van de CAO Gehandicaptenzorg, de CAO DTG en de CAO voor het Ziekenhuiswezen, is het hof van oordeel dat aan de redactiewijziging van de term “onbekwaamheid” (zoals deze in de voorlopers van de CAO Gehandicaptenzorg voorkomt) in het begrip “onbekwaamheid c.q. ongeschiktheid” (zoals vermeld in de CAO Gehandicapten-zorg) niet de betekenis moet worden gehecht in die zin dat dat begrip mede omvat: “arbeidsongeschiktheid”.

4.4.8. In de versies van de CAO Gehandicaptenzorg van na het jaar 2000 komt (tot het jaar 2005) geen directe koppeling tussen het recht op wachtgeld en de toekenning van een WW-uitkering voor. Dit betekent niet dat daarmee de grondslag van de aanspraak op wachtgeld is gewijzigd c.q. verruimd in die zin dat ook arbeidsongeschiktheid tot een aanspraak leidt.

4.4.9. Vaststaat dat [X.] op basis van de CAO DTG of op basis van de CAO voor het Ziekenhuiswezen die voorafgingen aan de CAO Gehandicaptenzorg, géén aanspraak op wachtgeld - op de grondslag van arbeidsongeschiktheid - zou hebben gehad.

Er zijn onvoldoende feiten en/of omstandigheden gesteld dan wel gebleken op grond waarvan kan worden geoordeeld dat [X.] een dergelijke aanspraak wèl op basis van (hoofdstuk 15 van) de toepasselijke CAO Gehandicaptenzorg heeft verkregen. Die aanspraak is, anders dan [X.] heeft gesteld, niet zonder meer af te leiden uit artikel 1 lid 1 aanhef en sub c in verbinding met artikel 5 lid 2 van hoofdstuk 15 van die CAO.

Evenmin vindt de stelling van [X.] steun in het gewone taalgebruik, dat onder “ongeschikt” niet zonder meer verstaat “arbeidsongeschikt”.

Bovendien zou de door [X.] gestelde uitleg leiden tot een verruiming van de grondslag voor de toekenning van het wachtgeld, met als gevolg dat zijn financiële positie na afloop van het dienstverband met Vizier verbeterd zou zijn ten opzichte van zijn positie als arbeidsongeschikte tijdens het dienstverband. Dat gevolg is niet te rijmen met het doel van de wachtgeldregeling, te weten het tijdelijk compenseren van een inkomstenachteruitgang die veroorzaakt is door het einde van het dienstverband.

De inkomensachteruitgang van [X.] is immers niet veroorzaakt door de beëindiging van het dienstverband, maar door zijn langdurige arbeidsongeschiktheid en het eindigen van de verplichting van Vizier om (reeds tijdens het dienstverband tussen partijen) salaris te betalen.

4.4.10. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de grieven, voor zover deze gericht zijn tegen de door de kantonrechter gegeven uitleg van artikel 1 lid 1 aanhef en sub c van hoofdstuk 15 van de CAO Gehandicaptenzorg en tegen het op basis van die uitleg gegeven oordeel van de kantonrechter, slagen.

Tevens volgt daaruit dat het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, dient te worden vernietigd en dat de vorderingen van [X.] moeten worden afgewezen.

4.4.11. [X.] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure in beide instanties, aan de zijde van Vizier gevallen.

5. De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

en opnieuw rechtdoende:

wijst de vorderingen van [X.] af;

veroordeelt [X.] in de kosten van de procedure voor de eerste aanleg, welke kosten aan de zijde van Vizier tot de dag van deze uitspraak worden begroot op € 540,00 aan salaris gemachtigde en voor het hoger beroep op € 85,60 aan dagvaardingskosten en € 248,00 aan griffierecht alsmede € 2.682,00 aan salaris procureur.

Dit arrest is gewezen door mrs. Spoor, Walsteijn en Van Voorst van Beest en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 17 april 2007.