Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2007:BA5716

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
01-05-2007
Datum publicatie
25-05-2007
Zaaknummer
KG C0601482-BR
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Werkneemster is ontslagen vanwege o.a. niet-naleving gedragsregels bij arbeidsongeschiktheid.

Werkneemster is gedurende vijftien dagen onbereikbaar geweest voor de Arbodienst en de werkgever en heeft geen gehoor gegeven aan oproepen om op het spreekuur van de Arbodienst respectievelijk het kantooradres van de werkgever te verschijnen. Werkneemster zag in de loonsanctie geen prikkel om alsnog haar verblijfplaats bekend te maken of voor haar afwezigheid een verklaring te geven. Laatstbedoeld feit en overige bijkomende feiten en omstandigheden wettigen het oordeel dat in dit geval een dringende reden in de zin van artikel 7:677 lid 1 BW aanwezig is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RAR 2007, 101
JAR 2007/160
JIN 2007/333
JIN 2007/389
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

KG C0601482/BR

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

sector civiel recht,

achtste kamer, van 1 mei 2007,

gewezen in de zaak van:

ABN AMRO BANK N.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

appellante bij exploot van dagvaarding van 26 oktober 2006,

procureur: mr. Ph.C.M. van der Ven,

tegen:

[X.],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde bij gemeld exploot,

niet verschenen,

op het hoger beroep van het door de rechtbank Breda, sector kanton, locatie Breda, gewezen vonnis in kort geding van 16 oktober 2006 tussen appellante – de Bank - als gedaagde en geïntimeerde - [X.] - als eiseres.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 407943/VV/06-86)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven heeft de Bank twee grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot afwijzing van de vorderingen van [X.], met veroordeling van [X.] in de kosten van beide instanties.

2.2. [X.] is in hoger beroep niet verschenen. Tegen haar is verstek verleend.

2.3. De Bank heeft daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de gronden van het hoger beroep verwijst het hof naar de memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

4.1.1. [X.], geboren op [geboortejaar], is op 7 februari 2001 voor 36 uren per week in dienst getreden van de Bank. Laatstelijk vervulde zij de functie van medewerker Securities Operations/tax-reclaim. Direct voorafgaand aan dit dienstverband is [X.] via Vedior Uitzendbureau vanaf 26 juli 1999 werkzaam geweest voor de Bank. Het laatstelijk verdiende salaris bedraagt

€ 1.812,50 bruto per maand, te vermeerderen met vakantietoeslag en emolumenten.

4.1.2. Op de onderhavige dienstbetrekking is de collectieve arbeidsovereenkomst voor de ABN AMRO Bank van toepassing. Onderdeel van deze CAO zijn de “gedragsregels bij arbeidsongeschiktheid”. Die gedragsregels leggen aan de zieke werknemer de verplichting op zich bij ziekte te melden bij zijn leidinggevende; hij dient steeds bereikbaar te zijn en indien hij verpleegd wordt op een ander adres dan het huisadres, dient de werknemer dit door te geven aan zijn leidinggevende.

4.1.3. Als gevolg van een reorganisatie is de functie van [X.] vanaf 12 november 2005 komen te vervallen.

4.1.4. In het kader van een, in verband met vorenbedoelde reorganisatie tussen de Bank en de vakbonden afgesloten “Employability CAO” (door [X.] aangeduid als: Sociaal Plan) is [X.] geplaatst in het “Employability Centre”, teneinde voor haar een passende functie binnen of buiten de Bank te vinden.

4.1.5. Op 24 mei 2006 heeft [X.] zich ziek gemeld. Een medewerker van de Arbodienst van de Bank trof haar die dag niet thuis aan en heeft een briefje achtergelaten met het verzoek aan [X.] contact op te nemen met de bedrijfsarts.

4.1.6. Omdat [X.] geen contact met de bedrijfarts opnam, heeft de Arbodienst van de Bank [X.] bij brief van 29 mei 2006 uitgenodigd voor het spreekuur van de bedrijfsarts op 30 mei 2006 om 12.30 uur in [vestigingsplaats]. [X.] is zonder bericht niet op dat spreekuur verschenen.

4.1.7. De Bank heeft [X.] bij brief van 31 mei 2006 opgeroepen om op 1 juni 2006 te verschijnen op het spreekuur van de bedrijfsarts respectievelijk op 2 juni 2006 bij mevrouw [Y.] (de Employability adviseur van [X.]) om een verklaring te geven voor haar afwezigheid en onbereikbaarheid. [X.] is zonder bericht op geen van deze data verschenen.

4.1.8. Op 7 juni 2006 heeft de Bank per koerier een brief aan het huisadres van [X.] bezorgd, waarin [X.] (voor de laatste maal) wordt opgeroepen te verschijnen op 8 juni 2006 om 09.30 uur bij mevrouw Mr. [Z.], afdeling Arbeidszaken, te [plaatsnaam]. Voorts is in die brief vermeld dat de salarisbetaling met ingang van 1 juni 2006 is stopgezet en dat [X.] ernstig rekening moet houden met een ontslag op staande voet, indien zij aan deze oproep van de bank geen gehoor geeft. [X.] heeft niet op deze oproep gereageerd.

4.1.9. De Bank heeft bij brief van 8 juni 2006 [X.] opgeroepen om op 12 juni 2006 te verschijnen voor mevrouw [Z.] voornoemd. Voorts heeft de Bank daarbij medegedeeld dat, wanneer [X.] op 12 juni 2006 niet verschijnt en/of geen acceptabele verklaring kan geven voor haar afwezigheid, ontslag op staande voet volgt.

4.1.10. Bij brief van 12 juni 2006 heeft de Bank aan [X.] medegedeeld:

“Hierdoor berichten wij u dat wij ons genoodzaakt zien u per heden op staande voet te ontslaan. Dit ontslag wordt u gegeven met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 67:677 juncto 7:678 van het Burgerlijk Wetboek.

De dringende reden bestaat uit het navolgende.

Nadat u zich op 24 mei 2006 had ziekgemeld, trof een controlemedewerker van onze Arbodienst u niet thuis aan, waarna de Arbodienst u heeft opgeroepen contact met de bedrijfsarts op te nemen en op 30 mei 2006 op het spreekuur van de bedrijfsarts te verschijnen. U bent niet op dit spreekuur verschenen terwijl u evenmin contact met de bedrijfsarts of de bank heeft opgenomen.

Daarop hebben wij u opnieuw voor een spreekuur op 1 juni 2006 bij onze bedrijfsarts opgeroepen en dringend verzocht om de daaropvolgende dag bij mevrouw [Y.] te verschijnen om een verklaring voor uw onbereikbaarheid te geven. Wij wezen u er daarbij op dat u zich, door niet bereikbaar te zijn voor controle door de Arbodienst, niet heeft gehouden aan de ‘gedragsregels tijdens arbeidsongeschiktheid’ zoals vastgelegd in bijlage 10.1 bij de CAO. U bent bekend met deze gedragsregels, in december 2003 hebben wij u al schriftelijk berispt omdat u in strijd met deze gedragsregels handelde. Vervolgens bent u wederom niet op het spreekuur van onze bedrijfsarts verschenen terwijl u zich ook niet bij mevrouw [Y.] heeft gemeld.

Daarop hebben wij uw salarisbetaling met ingang van 1 juni 2006 stopgezet en u nogmaals dringend opgeroepen om op 8 juni 2006 bij mevrouw mr. [Z.] te verschijnen, om een verklaring voor uw onbereikbaarheid te geven.

Ook aan deze oproep heeft u geen gehoor gegeven, waarna de bank u dezelfde dag een laatste dringende oproep per koerier heeft toegezonden om op 12 juni 2006 bij mevrouw [Z.] te verschijnen.

In deze laatste oproep hebben wij ervoor gewaarschuwd dat onherroepelijk ontslag op staande voet zou volgen indien u op 12 juni 2006 niet zou verschijnen en/of indien u geen acceptabele verklaring voor uw afwezigheid sinds 24 mei 2006 zou geven.

De volgende ochtend, 9 juni 2006, ontving onze Arbodienst uw fax, waarin u aangaf in [verblijfplaats] ziek te zijn geworden en de dag ervoor pas te zijn thuisgekomen. U liet weten graag te willen reageren op alle brieven die u bij thuiskomst had aangetroffen en telefonisch en per e-mail bereikbaar te zijn. U gaf geen verklaring voor het feit dat u de bank er niet van op de hoogte had gesteld dat u tijdens uw arbeidsongeschiktheid niet op het bij de bank bekende adres verbleef.

Naar aanleiding van deze fax heeft mevrouw mr. [B.] u per e-mail laten weten dat wij ervan uitgaan dat u gehoor zou geven aan onze oproep om op 12 juni 2006 bij mevrouw [Z.] te verschijnen.

Vanmorgen heeft u telefonisch contact met mevrouw [Z.] opgenomen, in welk telefoon-gesprek u mevrouw [Z.] liet weten dat u niet bij de bank zou verschijnen. U gaf verder aan dat u vandaag naar de huisarts zou gaan, dat u niet gediend was van de brieven van de bank en dat u de bank ‘spuugzat’ was.

Mevrouw [Z.] heeft u er in dit telefoongesprek op gewezen dat de consequenties voor uw rekening zouden zijn, indien u ook na een eventueel bezoek aan de huisarts niet bij de bank zou verschijnen om een verklaring voor uw onbereikbaarheid te geven. Desondanks bent u vandaag niet bij mevrouw [Z.] verschenen.

Wij achten de bovenomschreven u verweten handelingen, ieder voor zich doch tevens in samenhang beschouwd, onaanvaardbaar. Deze bovengenoemde verwijten gelden ieder voor zich doch tevens in samenhang beschouwd, als dringende reden als genoemd in de artikelen 7:677 juncto 7:678 van het Burgerlijk Wetboek. Het vertrouwen dat wij in u moeten kunnen stellen is door uw handelen onherstelbaar geschaad. Gelet op het vorenstaande kan van ons redelijkerwijs niet gevergd worden het dienstverband met u te continueren.

(…)”.

4.1.11. Bij brief van haar gemachtigde van 14 juni 2006 heeft [X.] de vernietigbaarheid van het ontslag ingeroepen en zich, na haar herstel van arbeidsongeschiktheid, beschikbaar gehouden om haar werkzaamheden te verrichten.

4.1.12. [X.] heeft de Bank in kort geding gedagvaard tegenover de kantonrechter te Breda en gevorderd, kort gezegd, medewerking te verlenen aan de wettelijke reïntegratieverplichtingen, zulks op straffe van een dwangsom, en voorts doorbetaling van haar salaris vanaf 1 juni 2006 zolang de arbeidsovereenkomst tussen partijen niet rechtsgeldig is geëindigd, te vermeerderen met vakantietoeslag, de wettelijke verhoging, de wettelijke rente en een bedrag van € 300,00 inclusief BTW aan buitengerechtelijke kosten, met veroordeling van de Bank in de proceskosten.

4.1.13. De mondelinge behandeling van voormeld kort geding heeft gelijktijdig plaatsgehad met een door de Bank ingediend verzoek tot voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [X.].

4.1.14. De kantonrechter heeft bij beschikking van 16 oktober 2006 (met inachtneming van een correctie, zoals aangegeven in een beschikking van de kantonrechter van 7 november 2006), de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 november 2006 ontbonden voor het geval dat op enig moment tussen partijen onaantastbaar komt vast te staan dat de arbeidsovereenkomst nog voortduurt na 12 juni 2006, zulks onder toekenning van een vergoeding van € 8.500,00 bruto aan [X.] ten laste van de Bank.

4.1.15. Bij kort gedingvonnis van 16 oktober 2006 heeft de kantonrechter de gevorderde veroordeling van de Bank tot medewerking aan reïntegratieverplichtingen afgewezen omdat [X.], gelet op de onder 4.1.14 vermelde voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereen-komst, daarbij onvoldoende belang heeft. Bij dat vonnis heeft de kantonrechter voorts de Bank veroordeeld tot, kort gezegd, betaling van het loon aan [X.] vanaf 12 juni 2006 tot het einde van de dienstbetrekking tussen partijen, te vermeerderen met (kort gezegd) de wettelijke verhoging, de wettelijke rente en de buitengerechtelijke kosten ad € 300,00 exclusief btw, met compensatie van de proceskosten tussen partijen.

4.1.16. Tegen die veroordeling komt de Bank op.

5. De beoordeling

5.1. In het vonnis waarvan beroep heeft de kantonrechter onder meer overwogen:

“(….) Enerzijds heeft [X.] door inmiddels voor de tweede maal de controlevoorschriften niet na te leven aanleiding gegeven tot een ontslag op staande voet. Aan de andere kant spelen in dit geval ook enkele bijzondere omstandigheden een rol. In de eerste plaats was [X.] vrijgesteld van het verrichten van arbeid. In de tweede plaats is het voorstelbaar, dat enige coulance betracht wordt met betrekking tot werknemers, die niet vrijwillig in een ontslagtraject zijn gekomen. In de derde plaats heeft de kantonrechter geen aanleiding om te veronderstellen, dat [X.] niet werkelijk arbeidsongeschikt is geweest.

Over de gebeurtenissen op 12 juni 2006 kan worden opgemerkt, dat, mede tegen de achtergrond van de overgelegde medische verklaring, niet uitgesloten moet worden geacht, dat [X.] psychisch niet in staat was om naar [plaatsnaam] te reizen, alwaar zij op het matje geroepen was. Op grond van hetgeen de kantonrechter heeft waargenomen tijdens de behandeling van deze zaak oordeelt hij het bepaald niet denkbeeldig, dat [X.], die zich op zijn minst psychisch niet fit voelde op die dag, absoluut niet opgewassen zou zijn tegen de medewerkster van de afdeling personeelszaken van de bank, mevrouw mr. [Z.] voornoemd.

Op grond hiervan kan de kantonrechter thans geen inschatting maken van de vraag of de bodemrechter uiteindelijk tot het oordeel zal komen of het ontslag op staande voet, dat op 12 juni 2006 gegeven is, al dan niet stand zal houden. Bij die stand van zaken houdt de kantonrechter het er vooralsnog voor, dat het ontslag geen stand zal houden, zodat het er voorshands voor gehouden moet worden, dat de arbeidsovereenkomst is doorgelopen (…).”

5.2. De twee grieven van de Bank richten zich tegen de hiervoor weergegeven overwegingen van de kantonrechter. Volgens de Bank zijn de door de kantonrechter genoemde omstandigheden deels feitelijk onjuist deels onjuist gewogen. Bovendien noemt de kantonrechter de door de Bank genoemde bijzondere omstandigheden ten onrechte niet. Tot slot stelt de Bank dat de kantonrechter in de door hem aangenomen stand van zaken niet had kunnen concluderen dat het ontslag geen stand zal houden.

5.3. Het is, aldus de Bank, feitelijk onjuist dat [X.] was vrijgesteld van het verrichten van werk. Gedurende zes maanden na het ingaan van het “employability traject”, derhalve tot 12 mei 2006, had [X.] de keuze tussen ofwel het zich actief laten bemiddelen door het Employability Center dan wel alsdan uitdiensttreding bij de Bank.

Het “employability traject” is volgens de Bank feitelijk geen ontslagtraject, maar een traject dat gericht is op het vinden van een andere passende baan. Dit traject houdt in een plaatsing bij een Employability Center gedurende 18 maanden. Eerst als dan nog geen andere functie is gevonden, wordt de arbeidsovereenkomst met de Bank beëindigd. Tijdens de 18 maanden-periode kan de medewerker gebruik maken van onder andere sollicitatietrainingen, workshops en een informatiecentrum. Ook het volgen van opleidingen behoort tot de mogelijkheden. Tijdens deze 18 maanden wordt het volledige salaris van de medewerker doorbetaald. Van [X.] werd verwacht dat zij bij ziekmelding als medewerker van de Bank controle mogelijk zou maken door onder andere het verpleegadres aan de Bank door te geven. Van [X.] werd uiteindelijk verwacht zich te melden en een verklaring te geven voor haar onbereikbaarheid. Zij had voor overtreding van de voor haar geldende gedragsregels bij arbeidsongeschiktheid al eens een berisping gehad en desondanks heeft de Bank haar vele malen opgeroepen per post, koerier, via de arbodienst, per e-mail en haar zelfs op 12 juni 2006 nog telefonisch een mogelijkheid geboden later op de dag te komen. [X.] werd bovendien niet eenmaal, maar een aantal malen uitdrukkelijk gewaarschuwd dat een ontslag op staande voet het gevolg zou zijn. De Bank meent, mede in het licht van de eerdere berisping, dat zij voldoende coulance jegens [X.] heeft betracht.

Of [X.] al dan niet arbeidsongeschikt was, kan niet (meer) worden vastgesteld, welke omstandigheid voor rekening en risico van [X.] behoort te komen. Evenmin staat vast dat [X.] psychisch niet in staat was om op 12 juni 2006 naar [plaatsnaam] te reizen. Zij was immers wel in staat om op 6 juni 2006 van [verblijfplaats] naar [woonplaats] te reizen, op 7 juni 2006 van [woonplaats] naar [verblijfplaats] en op 9 juni 2006 weer van [verblijfplaats] naar [woonplaats].

De Bank concludeert dat de kantonrechter de door hem genoemde bijzondere omstandigheden niet of anders had moeten beoordelen althans wegen.

Voorts had de kantonrechter, aldus de Bank, de door de Bank genoemde bijzondere omstandigheden, te weten – samengevat – de vele oproepen en waarschuwingen van [X.] en de aan haar geboden kansen moeten meewegen in zijn voorlopig oordeel.

5.4. Het hof overweegt als volgt.

5.4.1. Vooropgesteld wordt dat in een procedure als de onderhavige, strekkende tot het treffen van een voorlopige voorziening, de vordering voor toewijzing vatbaar is indien met een redelijke mate van zekerheid kan worden aangenomen dat de bodemrechter zal oordelen dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is.

Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een dringende reden als vereist voor ontslag op staande voet, moeten de omstandigheden van het geval in aanmerking worden genomen, waaronder de aard en de ernst van hetgeen de werkgever als dringende reden aanmerkt, en verder onder meer de aard van de dienstbetrekking, de duur ervan en de wijze waarop de werknemer de dienstbetrekking heeft vervuld, alsmede zijn persoonlijke omstandigheden, zoals de leeftijd van de werknemer en de gevolgen die het ontslag op staande voet voor hem zou hebben.

In dit verband is voorts van belang dat de enkele weigering van een werknemer de door de werkgever vastgestelde controlevoorschriften bij ziekteverzuim na te leven, niet een dringende reden in de zin van artikel 7:677 lid 1 BW oplevert, doch dat daarvan bij de aanwezigheid van bijkomende omstandigheden wel sprake kan zijn (cf. arrest HR 8 oktober 2004, JAR 2004, 259 inzake Vixia Gerrits).

5.4.2. [X.] is na haar ziekmelding d.d. 24 mei 2006 gedurende 15 dagen (te weten tot 9 juni 2006) voor de Arbodienst respectievelijk de Bank onbereikbaar geweest.

Zij heeft een thuiscontrole van de Arbodienst onmogelijk gemaakt door haar verblijfplaats niet bekend te maken aan de Arbodienst of de Bank. Zij heeft voorts geen gehoor gegeven aan oproepen van de Arbodienst en de Bank om op het spreekuur van de Arbo-arts respectievelijk het kantooradres van de Bank te verschijnen. Aldus heeft [X.] de onder 4.1.2. genoemde “gedragsregels bij arbeidsongeschiktheid” niet nageleefd.

5.4.3. De Bank kon aan de niet-naleving van die voorschriften door [X.] consequenties verbinden in de sfeer van de loondoorbetaling (art. 7:629 lid 6 BW). Dat heeft de Bank ook gedaan door de loonsanctie, waarvan de Bank bij brief van 7 juni 2006 aan [X.] melding heeft gedaan, toe te passen. De mededeling van die loonsanctie heeft niet het gewenste effect gehad: [X.] zag daarin (toen zij op 9 juni 2006 van de loonsanctie kennisnam) geen prikkel om alsnog haar verblijfplaats aan de Arbodienst en/of de Bank bekend te maken of voor haar afwezigheid een verklaring te geven.

Laatstbedoeld feit en overige bijkomende omstandigheden, die hierna aan de orde komen, zijn van belang bij het beantwoorden van de vraag of in dit geval sprake is van een dringende reden in de zin van artikel 7:677 lid 1 BW.

5.4.4. [X.] heeft gesteld dat zij ten tijde van haar ziekmelding d.d. 24 mei 2006, in verband met griep, gecombineerd met psychische klachten, bij familie in [verblijfplaats] verbleef en dat zij vergeten heeft haar verblijfplaats aan de Arbodienst of de Bank bekend te maken. Zij, [X.], was niet in staat om op 12 juni 2006 naar het kantooradres van de Bank in [plaatsnaam] af te reizen. Zij is nog steeds arbeidsongeschikt.

5.4.5. [X.] heeft bij thuiskomst op 6 juni 2006 (volgens haar verweerschrift in de ontbindingsprocedure) of 7 juni 2006 (volgens de inleidende dagvaarding) de onder 4.1.6 respectievelijk 4.1.7. genoemde brieven van de arbodienst en de Bank aangetroffen. Nadat zij op 7 juni 2006 aan de Arbodienst per e-mail haar telefoonnummer en twee emailadressen had doorgegeven, is zij op die datum wederom naar [verblijfplaats] gereisd, alwaar zij tot en met 9 juni 2006 heeft verbleven. Doordat het verblijfadres van [X.] in [verblijfplaats] voor de Arbodienst en de Bank onbekend bleef, was een controle door de arbodienst nog steeds onmogelijk. Aldus heeft [X.] wederom de controlevoorschriften bij ziekte niet nageleefd. Dat de Bank strikte naleving van de controlevoorschriften bij ziekte wenste, wist [X.] niet alleen na kennisneming van de inhoud van de brief van de Bank van 31 mei 2006, maar ook gezien de schriftelijke berisping die [X.] in december 2003 van de Bank heeft ontvangen in verband met het in strijd handelen van de gedragsregels tijdens arbeidsongeschiktheid. Desondanks heeft [X.] de controlevoorschriften opnieuw overtreden.

5.4.6. Op 9 juni 2006 is [X.] naar haar huis in [woonplaats] teruggekeerd. Aldaar trof zij naar eigen zeggen de onder 4.1.8 en 4.1.9 genoemde brieven van de Bank aan betreffende, kort gezegd, de loonsanctie respectievelijk een dringende oproep (onder aankondiging van een ontslag op staande voet, indien zij aan die oproep geen gehoor geeft of geen acceptabele verklaring voor haar afwezigheid kan geven) voor een gesprek met mr. [Z.], werkzaam op de afdeling Arbeidszaken van de Bank, op 12 juni 2006.

Op 12 juni 2006 heeft [X.] aan mr. [Z.] medegedeeld dat zij niet bij de bank zou verschijnen en dat zij diezelfde morgen een afspraak met de huisarts had.

5.4.7. De stellingen van [X.] omtrent haar ziek zijn vinden geen althans onvoldoende steun in de overige door haar aangedragen gegevens. Dat zij op en na 24 mei 2006 ziek was (naar eigen zeggen de griep had) valt niet af te leiden uit enig medisch bescheid. Dat zij vanwege ziekte ook niet in staat is geweest om te verschijnen op de afspraak op 12 juni 2006 op het kantoor van de Bank in [plaatsnaam] blijkt niet uit de verklaring van de huisarts [Q.] van 14 juli 2006. De enkele omstandigheid dat zij volgens de huisarts op 12 mei 2006 het spreekuur bezocht waarbij zij “een vrij geëmotioneerd verhaal deed over het conflict met haar werkgever” en het feit dat haar vervolgens enige medicatie is voorgeschreven, maakt dat niet anders. Dit geldt ook indien ervan uit moet worden gegaan dat [X.], eveneens blijkens deze verklaring, psychische klachten had, die zich voor en na de periode van 24 mei tot 12 juni 2006 hebben voorgedaan. Daarmee is onduidelijk gebleven waarom [X.] niet op 12 juni 2006 bij de Bank is verschenen. Verder verdient opmerking dat de huisarts in zijn genoemde verklaring niet rept over de door [X.] gestelde afspraak met de huisarts op 12 juni 2006. Voorts valt niet in te zien waarom [X.] niet in staat was met mevrouw [Z.] voornoemd een gesprek aan te gaan. Dat [X.] niet tegen haar opgewassen zou zijn, zoals de kantonrechter in het vonnis waarvan beroep overweegt, is onvoldoende aannemelijk geworden. Dat eventuele psychische klachten van [X.] in dezen een rol hebben gespeeld, is evenmin aannemelijk geworden.

Anders dan de kantonrechter, laat het hof het feit dat [X.] (in verband met haar boventallig-heid) was vrijgesteld van de bedongen werkzaamheden, niet in haar voordeel meewegen. Dit feit ontsloeg haar immers niet van haar verplichting om zich als goed werknemer te gedragen en om zich in te spannen om het “employability traject“, met het oog waarop zij immers juist van haar oorspronkelijke werkzaamheden was vrijgesteld, tot een succes te maken. [X.] is in het kader van het “employability traject” in de gelegenheid gesteld een eigen onderneming te starten. Haar desbetreffende inspanningen hebben geen resultaat gehad omdat het door haar opgestelde ondernemingsplan door het Employability Center en/of de Bank als te oppervlakkig en te weinig overtuigend werd aangemerkt. [X.] kreeg vervolgens tot 12 mei 2006 de gelegenheid een keuze te maken tussen ofwel het bemiddelingstraject bij Randstad HR Solutions ofwel uitdiensttreding en op eigen kracht een eigen onderneming opzetten. Die keuze heeft [X.] niet gemaakt. Het moge zo zijn dat [X.] op zich geen verwijt valt te maken vanwege het magere resultaat van haar inspanningen om een eigen onderneming te starten in het kader van het afgesproken “employability traject”, dat doet geenszins af aan haar verdere verplichtingen om zich daarbij beschikbaar te houden voor verdere begeleiding (zoals beoogd door de Bank) ook na 12 mei 2006. Voor de gebeurtenissen na die datum verwijst het hof naar r.o. 5.4.2. van dit arrest.

5.4.9. Mede gezien de hiervoor weergegeven voorgeschiedenis, valt niet in te zien op grond waarvan de Bank (zoals de kantonrechter heeft overwogen) coulance jegens [X.] had moeten betrachten.

5.4.10. De hiervoor onder 5.4.2. tot en met 5.4.8. weergegeven feiten en omstandigheden wettigen naar het oordeel van het hof het oordeel dat in dit geval een dringende reden in de zin van artikel 7:677 lid 1 BW aanwezig is.

Dit leidt tot de conclusie dat aan het onder 5.4.1 in de eerste alinea vermelde criterium niet is voldaan. Tevens volgt daaruit dat de eerste grief slaagt en dat het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, dient te worden vernietigd. De tweede grief behoeft geen bespreking meer.

5.4.11. [X.] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de kosten van eerste aanleg en van het hoger beroep aan de zijde van de Bank gevallen worden veroordeeld.

6. De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

en opnieuw rechtdoende:

wijst de vordering af;

veroordeelt [X.] in de proceskosten van het geding, welke kosten aan de zijde van de Bank worden begroot op

€ 200,00 aan salaris gemachtigde voor de eerste aanleg en op € 248,00 aan griffierecht,

€ 84,87 aan dagvaardingskosten en € 632,00 aan salaris procureur voor het hoger beroep.

Dit arrest is gewezen door mrs. Aarts, Slootweg en Walsteijn en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 1 mei 2007.