Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2007:BA5713

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
08-05-2007
Datum publicatie
25-05-2007
Zaaknummer
R200601356
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De rechtbank was niet bevoegd om van het verzoek van de man kennis te nemen, gezien het feit dat de kinderen hun woonplaats niet in het arrondissement van deze rechtbank hebben.

De rechtbank had de zaak in de stand waarin deze zich bevond, dienen te verwijzen naar de bevoegde rechtbank, zijnde de rechtbank Arnhem.

Nu het hof als gevolg van het door de vrouw ingestelde hoger beroep kennis neemt van een zaak, die, gelet op de woonplaats van de kinderen in het ressort Arnhem, in eerste aanleg door een onbevoegde rechter is behandeld, dient de zaak op grond van het bepaalde in artikel 270 lid 1 Rv. in de stand waarin deze zich thans bevindt, dus in de stand van het hoger beroep, te worden verwezen naar het gerechtshof Arnhem in verband met de woonplaats van de kinderen.

Gelet op het bepaalde in artikel 60 RO vernietigt het hof de bestreden beschikking en verklaart het hof de rechtbank onbevoegd om van het verzoek van de man tot wijziging van de beschikking van de rechtbank Arnhem van 17 augustus 2000 kennis te nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BSU

8 mei 2007

Sector Civiel recht

Rekestnummer R06/01356

Zaaknummer eerste aanleg 146856/FA RK 06-3237

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Beschikking

in de zaak in hoger beroep van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna: de vrouw,

procureur: mr. E.G.M. van Ewijk,

t e g e n

[Y.],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna: de man,

procureur: mr. E. Maalsen.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 27 oktober 2006, waarvan de inhoud bij partijen bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 24 november 2006, heeft de vrouw verzocht

primair: de rechtbank ’s-Hertogenbosch alsnog onbevoegd te verklaren;

subsidiair: te bepalen dat de man aan de vrouw met ingang van 1 januari 2006, althans met ingang van de datum van indiening van het appelschrift, een bedrag van € 150,00 per kind per maand dient te voldoen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de drie minderjarige kinderen van partijen, althans een zodanig bedrag als het hof in goede justitie zal vermenen te behoren;

meer subsidiair: de beschikking van de rechtbank Arnhem d.d. 17 augustus 2000 te bekrachtigen.

2.2. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 22 december 2006, heeft de man verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen.

2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 17 april 2006. Bij die gelegenheid zijn partijen en hun advocaten gehoord.

2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de bijlagen bij het beroepschrift en het verweerschrift;

- de brief d.d. 8 december 2006 met bijlagen van de procureur van de vrouw.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift.

4. De beoordeling

4.1. Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest. Uit hun door echtscheiding ontbonden huwelijk zijn drie nog minderjarige kinderen geboren, te weten:

- [A.] op [geboortejaar],

- [B.] op [geboortejaar]

- [C.] op [geboortejaar].

De kinderen hebben hun hoofdverblijf bij de moeder in [woonplaats].

4.2. Bij beschikking van de rechtbank Arnhem van 17 augustus 2000 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken en is -voorzover in deze procedure van belang- de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van voornoemde minderjarigen vastgesteld op ƒ 100,-- per kind per maand.

4.3. Bij op 16 augustus 2006 ter griffie van de rechtbank ’s-Hertogenbosch ingekomen verzoekschrift heeft de man verzocht de door hem ten behoeve van de kinderen te betalen onderhoudsbijdrage met ingang van 1 januari 2006 nader vast te stellen op nihil.

4.4. De rechtbank heeft dit verzoek bij de bestreden beschikking toegewezen, waartoe de rechtbank onder meer overwoog:

“De vrouw heeft geen verweerschrift ingediend.

Bij de stukken bevindt zich een beschikking van de rechtbank Arnhem van 17 augustus 2000, waarbij ten behoeve van voornoemde minderjarigen een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding is vastgesteld op fl. 100,00 per kind per maand.

Gelet op voormelde beschikking en op de inhoud van het ingediende verzoek zal de rechtbank het verzoek van de man lezen als een verzoek tot wijziging van de thans geldende kinderalimentatie.

Uit de stukken is gebleken dat de omstandigheden zijn gewijzigd.

Aangezien niet binnen de wettelijke termijn een verweerschrift is ingekomen en het verzoek de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, wijst de rechtbank het verzoek toe als hierna wordt vermeld.”

4.5. De vrouw is het met deze beslissing niet eens.

Zij is primair van mening dat de rechtbank onbevoegd was om van het verzoek van de man kennis te nemen, omdat de man zich met dat verzoek tot de rechtbank Arnhem had dienen te wenden nu de minderjarige kinderen hun woonplaats binnen het rechtsgebied van die rechtbank hebben.

Subsidiair stelt de vrouw zich op het standpunt dat er geen grond is voor verlaging van de kinderalimentatie en dat deze alimentatie juist verhoogd dient te worden.

4.6. De man heeft in zijn verweerschrift onder verwijzing naar art. 270 Rv gesteld dat de rechtbank het onderhavige wijzigingsverzoek terecht in behandeling heeft genomen. Subsidiair heeft de man aangevoerd dat verwijzing naar de rechtbank Arnhem niet langer aan de orde kan zijn en dat verwijzing naar het hof Arnhem dient plaats te vinden. In zijn verweerschrift is de man verder ingegaan op zijn financiële omstandigheden en heeft hij gesteld dat zijn draagkracht vooralsnog geen enkele bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de drie kinderen van partijen toelaat.

4.7. Het hof overweegt als volgt.

Het gaat in de onderhavige zaak uitsluitend om wijziging van de door de man op grond van de beschikking van de rechtbank Arnhem van 17 augustus 2000 te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de drie uit het door echtscheiding ontbonden huwelijk van partijen geboren minderjarige kinderen van partijen.

De man heeft bij op 16 augustus 2006 ter griffie van de rechtbank ’s-Hertogenbosch ingekomen verzoekschrift wijziging van voormelde beschikking van de rechtbank Arnhem verzocht, welk verzoek bij de door de vrouw bestreden beschikking is toegewezen.

Zowel in haar beroepschrift als ter zitting van het hof heeft de vrouw zich er primair op beroepen dat de rechtbank ’s-Hertogenbosch onbevoegd was om van het onderhavige wijzigingsverzoek kennis te nemen.

4.8. Op grond van het bepaalde in artikel 265 Rv is in zaken betreffende minderjarigen bevoegd de rechter van de woonplaats of, bij gebreke van een woonplaats in Nederland, van het werkelijk verblijf van de minderjarige.

Tot procedures betreffende minderjarigen waarin hun rechtspositie in het geding is, behoren onder meer de verzoeken tot het bepalen, wijzigen of intrekken van de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen op de voet van titel 17 van Boek 1 BW.

Onbetwist is dat de kinderen van partijen in [woonplaats] woonachtig zijn.

4.9. In artikel 270 Rv, zoals dat artikel is gewijzigd bij wet van 8 september 2005, Stb 2005, 455, welke wet op 15 oktober 2005 in werking is getreden, is in lid 1 bepaald dat, indien de rechter, zonodig ambtshalve, beslist dat niet hij, maar een andere rechter van gelijke rang bevoegd is, hij de zaak in de stand waarin deze zich bevindt, maar die andere rechter verwijst. (…) Verwijzing als bedoeld in dit lid vindt niet plaats indien de verzoeker en de opgeroepen belanghebbenden hebben aangegeven dat zij geen verwijzing wensen. Blijkens de toelichting op dit artikel is met deze wijziging beoogd ambtshalve toetsing van de relatieve bevoegdheid in zaken die met een verzoekschrift worden ingeleid, voorop te stellen.

De vrouw is in eerste aanleg niet verschenen en zij heeft zich derhalve niet over verwijzing kunnen uitlaten. Ter zitting van het hof heeft de vrouw uitdrukkelijk aangegeven dat zij niet wenst dat het hof in het onderhavige geschil een inhoudelijke beslissing neemt, maar dat zij verwijzing wenst naar de bevoegde rechter.

4.10. De rechtbank was niet bevoegd om van het verzoek van de man kennis te nemen, gezien het feit dat de kinderen hun woonplaats niet in het arrondissement van deze rechtbank hebben. De rechtbank had de zaak in de stand waarin deze zich bevond, dienen te verwijzen naar de bevoegde rechtbank, zijnde de rechtbank Arnhem.

4.11. Nu het hof als gevolg van het door de vrouw ingestelde hoger beroep kennis neemt van een zaak, die, gelet op de woonplaats van de kinderen in het ressort Arnhem, in eerste aanleg door een onbevoegde rechter is behandeld, dient de zaak op grond van het bepaalde in artikel 270 lid 1 Rv. in de stand waarin deze zich thans bevindt, dus in de stand van het hoger beroep, te worden verwezen naar het gerechtshof Arnhem in verband met de woonplaats van de kinderen.

Gelet op het bepaalde in artikel 60 Wet R.O. zal het hof de bestreden beschikking vernietigen en de rechtbank onbevoegd verklaren om van het verzoek van de man tot wijziging van de beschikking van de rechtbank Arnhem van 17 augustus 2000 kennis te nemen.

5. De beslissing

Het hof:

verklaart de rechtbank onbevoegd om van het verzoek van de man tot wijziging van de beschikking van de rechtbank Arnhem van 17 augustus 2000 kennis te nemen;

vernietigt de beschikking van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 27 oktober 2006;

verklaart zich onbevoegd om van het verzoek van de man tot wijziging van de beschikking van de rechtbank Arnhem van 17 augustus 2000 kennis te nemen;

verwijst de zaak in de stand waarin deze zich bevindt naar het gerechtshof Arnhem;

draagt de griffier op een afschrift van deze beschikking aan het gerechtshof Arnhem te zenden.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Raab, Van Zinnen en Bijleveld-van der Slikke en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 8 mei 2007 in tegenwoordigheid van de griffier.