Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2007:BA5685

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
02-04-2007
Datum publicatie
24-05-2007
Zaaknummer
R200700006
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij haar inleidend verzoekschrift heeft de vrouw de rechtbank verzocht bij beschikking, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te vernietigen de door haar gegeven toestemming tot erkenning door de man van haar minderjarige kind.

Zij baseert haar verzoek op het feit dat zij haar toestemming tot erkenning heeft gegeven op grond van misbruik van omstandigheden c.q. dwaling als bedoeld in artikel 3:44 Burgerlijk Wetboek (BW) respectievelijk 6:228 BW.

De rechtbank heeft bij beschikking waarvan beroep het verzoek van de vrouw afgewezen. De vrouw komt hiertegen in beroep.

Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft de vrouw desgevraagd nadrukkelijk aangegeven haar inleidend verzoek niet te baseren op één van de wetsbepalingen van boek 1 BW, die betrekking hebben op de procedure van de erkenning. Naar het oordeel van het hof heeft, de vrouw nu zij aan haar verzoek de artikelen 3:44 en 6:228 BW ten grondslag legt, gekozen voor de verkeerde rechtsingang; zij had de zaak bij dagvaarding aanhangig moeten maken. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de procedure in artikel 1:205 BW tot vernietiging van de erkenning slechts aan de orde is in het geval de erkenner niet de biologische vader van het kind is. Die situatie doet zich hier niet voor. Het biologische vaderschap van de man staat tussen partijen vast.

Op grond van het bepaalde bij artikel 69 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) moet de procedure worden voortgezet volgens de regels die gelden voor de dagvaardingsprocedure.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

MB

2 april 2007

Sector civiel recht

Rekestnummer R200700006

Zaaknummer eerste aanleg: 159968 FA RK 06-1985

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Beschikking

In de zaak in hoger beroep van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna: de vrouw,

procureur: mr. Ph.C.M. van der Ven,

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

- mr. W.G. Dictus, in zijn hoedanigheid van bijzonder curator over [A.], hierna: de bijzonder curator;

- de heer [Y.], de vader van de minderjarige, hierna: de man;

- de Raad voor de Kinderbescherming te Breda, hierna: de raad.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Breda van 5 oktober 2006, waarvan de inhoud bij partijen bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 4 januari 2007, heeft de vrouw verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de op 22 december 2005 door haar gegeven toestemming tot de erkenning door de man van de minderjarige [A.] geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar], hierna te noemen: [A.], te vernietigen, met bepaling dat de geboorteakte van [A.] aldus wordt gewijzigd dat daarop wordt aangetekend dat hij de geslachtsnaam van de vrouw zal dragen alsook voor recht te verklaren dat [A.] zijn gewone verblijf-plaats bij de vrouw in Nederland heeft, dat op de ouderlijke verantwoordelijkheid over [A.] uitsluitend Nederlands recht van toepassing is en dat het ouderlijk gezag over [A.] naar Nederlands recht uitsluitend door de vrouw wordt uitgeoefend, kosten rechtens.

2.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 26 februari 2007.

Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de vrouw bijgestaan door haar advocaat mr. J.E.J. van Dijk;

- de man;

- de bijzonder curator;

- namens de raad, mr. H. Werger.

2.3. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de producties, overgelegd bij het beroepschrift;

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 27 september 2006;

- de brief van de bijzondere curator d.d. 25 januari 2007.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift.

4. De beoordeling

4.1. De man en de vrouw hebben in het verleden een affectieve relatie gehad.

Zij hebben nooit samengewoond. Vaststaat dat de man de biologische vader van [A.] is. De relatie tussen de man en de vrouw is na de geboorte van [A.] verbroken. De man bezit de Belgische nationaliteit en is woonachtig te België. De vrouw bezit de Nederlandse nationaliteit en heeft haar woonplaats in Nederland. [A.] heeft zijn hoofdverblijf bij de vrouw. Op 22 december 2006, ruim twee weken voor de geboorte van [A.], heeft de vrouw op het gemeentehuis van de gemeente [gemeeentenaam], schriftelijk toestemming verleend voor de erkenning door de man van het toen nog ongeboren kind van partijen. Partijen hebben bij die gelegenheid aangegeven dat het kind de geslachtsnaam van de man zal hebben. Hiervoor is een akte van erkenning opgemaakt.

4.2. Bij haar inleidend verzoekschrift heeft de vrouw de rechtbank verzocht bij beschikking, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te vernietigen de op 22 december 2005 door haar gegeven toestemming tot erkenning door de man van [A.].

Zij baseert haar verzoek op het feit dat zij haar toestemming tot erkenning heeft gegeven op grond van misbruik van omstandigheden c.q. dwaling als bedoeld in

artikel 3:44 Burgerlijk Wetboek (BW) respectievelijk 6:228 BW.

De rechtbank heeft bij beschikking waarvan beroep het verzoek van de vrouw afgewezen. De vrouw komt hiertegen in beroep.

4.3. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft de vrouw desgevraagd nadrukkelijk aangegeven haar inleidend verzoek niet te baseren op één van de wetsbepalingen van boek 1 BW, die betrekking hebben op de procedure van de erkenning. Naar het oordeel van het hof heeft, de vrouw nu zij aan haar verzoek de artikelen 3:44 en 6:228 BW ten grondslag legt, gekozen voor de verkeerde rechtsingang; zij had de zaak bij dagvaarding aanhangig moeten maken. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de procedure in artikel 1:205 BW tot vernietiging van de erkenning slechts aan de orde is in het geval de erkenner niet de biologische vader van het kind is. Die situatie doet zich hier niet voor. Het biologische vaderschap van de man staat tussen partijen vast.

4.4. Op grond van het bepaalde bij artikel 69 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) moet de procedure worden voortgezet volgens de regels die gelden voor de dagvaardingsprocedure.

4.5. De beslissing met betrekking tot de kosten wordt gereserveerd tot het door het hof te geven eindarrest.

5. De beslissing

Het hof:

beveelt dat de procedure in de stand waarin zij zich bevindt wordt voortgezet volgens de regels die gelden voor de dagvaardingsprocedure;

verwijst de zaak daartoe naar de rolzitting van 1 mei 2007 voor akte na beschikking aan de zijde van appellante, waarbij appellante in de gelegenheid wordt gesteld om haar stellingen zonodig aan te passen aan de voor de dagvaardingsprocedure geldende procesregels;

reserveert de beslissing met betrekking tot de proceskosten tot het door het hof te geven eindarrest.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Pellis, Smeenk-van der Weijden en Everaars-Katerberg en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 2 april 2007 in tegenwoordigheid van de griffier.