Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2007:BA5520

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
14-05-2007
Datum publicatie
23-05-2007
Zaaknummer
R200601337
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Heropening in verband met arrest van HR na mondelinge behandeling over bepaling behoefte van het kind bij gescheiden huishoudens ouders.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 392
Burgerlijk Wetboek Boek 1 404
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2007, 102
JPF 2007/118
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

SBW

14 mei 2007

Sector civiel recht

Rekestnummer R200601337

Zaaknummer eerste aanleg 144990/FA RK 06-2666

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Tussenbeschikking

in de zaak in hoger beroep van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellant in principaal appèl,

geïntimeerde in incidenteel appel,

hierna te noemen: de man,

procureur mr. A.A.J.L. van Elk de Freese,

t e g e n

[Y.],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in principaal appel,

appellante in incidenteel appel,

hierna te noemen: de vrouw,

procureur mr. A.H.A.C. Waals.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 25 augustus 2006, waarvan de inhoud bij partijen bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 22 november 2006, heeft de man verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende de vrouw in haar verzoek om een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [A.] niet ontvankelijk te verklaren, althans haar dat verzoek te ontzeggen als zijnde rechtens ongegrond en onbewezen, althans de bijdrage in de verzorging en opvoeding van [A.] te stellen op een zodanig bedrag ingaande een zodanige datum als het hof juist acht, kosten rechtens.

2.2. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 18 december 2006, heeft de vrouw verzocht het hoger beroep van de man ongegrond te verklaren.

Tevens heeft de vrouw hierbij incidenteel appel ingesteld en daarin verzocht voormelde beschikking te vernietigen en te bepalen dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van het minderjarige kind van partijen aan de vrouw zal betalen een bedrag van € 411,00 per maand, dan wel een bedrag door het hof in goede justitie te bepalen, met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift bij de rechtbank, kosten rechtens.

2.3. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 11 januari 2007, heeft de man verzocht de vrouw in haar incidenteel appel niet ontvankelijk te verklaren althans haar dit verzoek te ontzeggen als zijnde rechtens ongegrond en onbewezen.

2.4. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 2 april 2007. Bij die gelegenheid zijn partijen en hun advocaten gehoord.

2.5. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de producties, overlegd bij het beroepschrift, het verweerschrift tevens houdende incidenteel appel en het verweerschrift in incidenteel appel;

- de brief van de procureur van de man d.d. 19 maart 2007 met bijlagen;

- de brief van de procureur van de vrouw d.d. 20 maart 2007 met bijlagen;

- het ter zitting overgelegde bankafschrift van de man;

- de ter zitting overgelegde polis van levensverzekering ten name van de man;

- de brief van de procureur van de man d.d. 3 april 2007 met bijlage;

- de brief van de advocaat van de vrouw d.d. 4 april 2007 met bijlage.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift en het verweerschrift, tevens houdende incidenteel appel.

4. De beoordeling

4.1. Partijen hebben een relatie met elkaar gehad, welke relatie is geëindigd in april 2003.

Uit deze relatie is op [geboortejaar] te [geboorteplaats] geboren: [A.] (hierna te noemen: [A.]). [A.] is door de man erkend.

4.2. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank het verzoek van de vrouw toegewezen en bepaald dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [A.] moet voldoen een bedrag van € 300,00 per maand met ingang van 29 juni 2006.

De man had in eerste aanleg geen verweerschrift ingediend.

4.3. In eerste instantie stelt de man dat hij door een samenloop van omstandig¬heden niet in staat is geweest om destijds een verweerschrift in te dienen, zodat de vastgestelde alimentatie niet in overeenstemming is met de wettelijke maatstaven, nu geen toetsing heeft kunnen plaatsvinden (grief 1).

4.4. De vrouw stelt dat de rechtbank de man wel in de gelegenheid heeft gesteld om een verweerschrift in te dienen, doch dat het aan de man zelf te wijten is dat hij dit niet heeft gedaan.

4.5. Het hof is ten aanzien van de eerste grief van oordeel dat door het instellen van het hoger beroep door de man deze grief achterhaald is, aangezien het hoger beroep er mede toe dient om eigen fouten en verzuimen in de procedure in eerste aanleg te corrigeren. De grief van de man faalt.

Behoefte

4.6. De behoefte van [A.] aan de verzochte bijdrage is in hoger beroep in geschil. De man stelt - kort gezegd - dat de rechtbank ten onrechte bij de vaststelling van de onderhoudsbijdrage ten behoeve van [A.] niet de wettelijke maatstaven in acht genomen heeft door een kinderalimentatie vast te stellen die boven de behoefte ligt van [A.], zodat de beschikking van aanvang af niet voldaan heeft aan die wettelijke maatstaven (grief 2).

De man heeft daartoe aangevoerd dat partijen niet hebben samengewoond zodat voor de behoeftebepaling niet van het gezamenlijk inkomen van partijen kan worden uitgegaan.

4.7. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft het hof - gelet op het arrest van de Hoge Raad van 27 februari 2004 (NJ 2004/283) – aan partijen voorgehouden dat bij een eerste alimentatiebepaling kan worden volstaan met een globale begroting van de behoefte van het kind en dat daarbij kan worden uitgegaan van het gezamenlijke netto-besteedbaar inkomen van partijen, ongeacht de vraag of partijen wel of niet hebben samengewoond.

Vervolgens is komen vast te staan dat partijen het er destijds over eens waren dat de vrouw na de geboorte van [A.] parttime zou gaan werken. Derhalve was sprake van een netto inkomen van de man van ongeveer € 1.750,00 per maand en een netto inkomen van de vrouw van ongeveer € 950,00 per maand. Op grond van de tabellen van het Trema-rapport is vastgesteld dat de behoefte van [A.] bij een besteedbaar inkomen van totaal € 2.700,00 per maand € 443,00 per maand bedraagt. Partijen hebben ter zitting met dit bedrag ingestemd. De man heeft vervolgens zijn bewijsaanbod dat partijen niet hebben samengewoond ingetrokken.

4.8. Na de mondelinge behandeling van het hof in de onderhavige zaak heeft de Hoge Raad op 13 april 2007 (LJN AZ6098, RvdW 2007/395) in een soortgelijke situatie een beslissing gegeven, waarbij de Hoge Raad onder meer heeft bepaald dat het gerechtshof Leeuwarden er terecht van is uitgegaan dat aan het wettelijk systeem het uitgangspunt ten grondslag ligt dat beide ouders aan de verzorging en opvoeding van hun kind moeten bijdragen, en dat het feit dat de ouders nimmer in gezinsverband hebben samengeleefd er niet aan in weg staat dat bij de bepaling van de behoefte van het bij de moeder verblijvende kind de financiële middelen van de vader mede in aanmerking worden genomen.

De Hoge Raad heeft echter geoordeeld dat in een geval waarin een kind niet in gezinsverband met beide ouders heeft geleefd, er in het algemeen geen goede grond bestaat om voor de bepaling van de behoefte van dat kind zonder meer aansluiting te zoeken bij de welstand die past bij de financiële armslag van een fictief gezin waarvan het gezinsinkomen bestaat uit de som van de netto-inkomens van de ouders. Indien de rechter daarbij toch aansluiting zoekt, zal hij moeten verdisconteren dat de huisvestings- en andere lasten van twee afzonderlijke huishoudens relatief hoger liggen dan die van een gecombineerd huishouden.

4.9. Gelet op deze uitspraak van de Hoge Raad, is het hof in de onderhavige zaak thans van oordeel dat ter zitting op onjuiste gronden overeenstemming is bereikt over de behoefte van [A.]. Evenmin acht het hof het juist om de man te houden aan de intrekking van zijn bewijsaanbod dat partijen nimmer hebben samengewoond.

Het hof acht het dan ook noodzakelijk om de zaak te heropenen en partijen opnieuw in de gelegenheid te stellen om hun standpunten ten aanzien van de behoefte van [A.] aan het hof kenbaar te maken.

4.10. In verband hiermee overweegt het hof thans voorshands al volgt.

Het hof stelt vast dat het, gelet op de voormelde uitspraak van de Hoge Raad, niet zozeer van belang is of partijen hebben samengewoond, maar of [A.] in een gezinsverband met beide ouders heeft geleefd. [A.] is geboren op [geboortejaar]. Ter zitting is komen vast te staan dat aan de vrouw van 9 tot en met 12 maart 2003 kraamzorg is verleend ten huize van de man. De vrouw is op 18 april 2003 elders gaan wonen.

De vrouw heeft verklaard dat zij - voor zover hier van belang - vanaf de geboorte van [A.] tot haar vertrek op 18 april 2003 onafgebroken bij de man verblijf heeft gehad. De man heeft gesteld dat zij in die periode ook vaak bij haar moeder verbleef.

Hieruit volgt dat [A.] hooguit een periode van ruim zes weken in gezinsverband met beide ouders heeft samengeleefd en mogelijk korter.

Voorshands is het hof van oordeel dat sprake is van een zodanig korte periode dat in redelijkheid niet kan worden gezegd dat zij in gezinsverband met beide ouders heeft samengeleefd, zodat voor de bepaling van de behoefte van [A.] eerder aansluiting zou dienen te worden gezocht bij de situatie van twee gescheiden huishoudens. Partijen kunnen zich ook hier nader over uit laten.

4.11. In verband met het voorgaande wordt de vrouw verzocht aan het hof en de man opgave te doen van haar woonlasten, ziektekosten en eventuele andere voor de draagkracht van belang zijnde maandelijkse lasten in de jaren 2003 en 2006, zulks voorzien van verificatoire bescheiden.

4.12. Het weergeven van de standpunten over de behoefte van [A.] en de opgave van de lasten zal vooralsnog alleen schriftelijk gebeuren, behoudens de mogelijk¬heid van partijen om aan te geven dat een nadere mondelinge behandeling wenselijk wordt geacht.

4.13. Het hof zal daartoe de beslissing in de zaak aanhouden.

5. De beslissing

Het hof:

heropent de zaak;

bepaalt dat partijen vóór 29 mei 2007 hun standpunten ten aanzien van de behoefte van [A.] zoals vermeld onder r.o. 4.9 en

4.10 aan het hof kenbaar kunnen maken;

bepaalt dat de vrouw vóór 29 mei 2007 aan het hof en de man opgave zal doen, zoals vermeld onder 4.11., onder overlegging van schriftelijke stukken met betrekking tot haar woonlasten, ziektekosten en andere maandelijkse lasten;

bepaalt dat de man tot en met 11 juni 2007 de gelegenheid krijgt om op deze stukken schriftelijk te reageren;

houdt iedere verdere beslissing PRO FORMA aan tot 25 juni 2007.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Everaars-Katerberg, Van Zinnen en Pellis en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 14 mei 2007 in tegenwoordigheid van de griffier.