Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2007:BA5428

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
24-04-2007
Datum publicatie
22-05-2007
Zaaknummer
R200700165
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Samenvatting

R200700165

Verzoek tot wijziging geslachtsaanduiding en verzoek voornaamswijziging door transseksueel. Blijkens de tekst van artikel 28 lid 1 BW is wijziging van de geslachtsaanduiding mogelijk indien iemand “lichamelijk aan het verlangde geslacht is aangepast voor zover dit uit medisch of psychologisch oogpunt mogelijk en verantwoord is”. Hieruit en uit de wetsgeschiedenis volgt naar het oordeel van het hof dat het uitgangspunt is dat lichamelijke aanpassing reeds (volledig) moet hebben plaatsgevonden, alvorens een verzoek tot wijziging van de geslachtsaanduiding kan worden toegewezen en dat zulks slechts anders is indien zulks uit medisch of psychisch oogpunt niet verantwoord of niet mogelijk is.

Hoewel (appellant) zich in het maatschappelijke leven presenteert als vrouw en een vrouwelijke roepnaam hanteert, is het hof van oordeel dat nu de gevraagde wijziging van de geslachtsaanduiding in de geboorteakte wordt afgewezen en de aanduiding ‘mannelijk’ dus gehandhaafd blijft, de gevraagde (vrouwelijke) voornamen niet wenselijk en tevens ongepast zijn in de zin van artikel 1:4 lid 2 BW.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 4
Burgerlijk Wetboek Boek 1 28
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2007/134
NJF 2007, 450

Uitspraak

RD

24 april 2007

Sector civiel recht

Rekestnummer R200700165

Zaaknummer eerste aanleg 116374/ FA RK 07-7

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Beschikking

In de zaak in hoger beroep van:

[X.],

wonende te [woonplaats] (Duitsland),

appellante,

hierna te noemen: [X.],

procureur: mr. M.M.G. Senssen-Franssen.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Maastricht van 25 januari 2007, waarvan de inhoud bij [X.] bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 19 februari 2007, heeft [X.] verzocht voormelde beschikking te vernietigen en alsnog voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

a. de wijziging te gelasten van de vermelding van het geslacht van [X.] in haar akte van geboorte van mannelijk in vrouwelijk;

b. de wijziging te gelasten van de voornamen [X.] in [Y.].

2.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 27 maart 2007. Bij die gelegenheid is gehoord:

- [X.], bijgestaan door haar procureur.

2.3. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de producties, overgelegd bij het beroepschrift;

- een brief van de procureur van [X.] d.d. 14 maart 2007, met als bijlage een verklaring van de huisarts van [X.] d.d. 8 maart 2007.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift.

4. De beoordeling

4.1. [X.] is geboren op [geboortejaar] te [geboorteplaats]. Zij is geboren met de geslachtskenmerken van een man. Omdat zij zichzelf als vrouw beschouwt en er dus sprake is van transseksualiteit, is [X.] in behandeling bij het Genderteam van het VU Medisch Centrum te Amsterdam om een geslachtsverandering te realiseren.

4.2. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het verzoek van [X.] tot wijziging van het geslacht in haar geboorteakte, alsmede tot wijziging van de voornamen afgewezen. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat [X.] bij het verzoek niet heeft overgelegd een verklaring waaruit blijkt of en zo ja, in hoeverre [X.] lichamelijk aan het verlangde geslacht is aangepast als uit medisch en psychologisch oogpunt mogelijk en verantwoord is, zoals ingevolge art. 1:28a lid 1 sub b BW is voorgeschreven.

[X.] kan zich met deze beslissing niet verenigen en komt daarvan in beroep.

4.3. Ten aanzien van het verzoek tot wijziging van de geslachtsaanduiding in de geboorteakte overweegt het hof als volgt.

4.3.1. Voor toewijzing van het verzoek tot wijziging van de geslachtsaanduiding in de geboorteakte, moet zijn voldaan aan alle in artikel 1:28 en 1:28a BW genoemde vereisten. Onder meer moet blijkens art. 1:28a lid 1 BW een medische verklaring overgelegd worden, waaraan twee formele vereisten zijn verbonden (te weten: de verklaring mag niet ouder zijn dan zes maanden en moet zijn afgegeven door bij algemene maatregel van bestuur aangewezen deskundigen) en waarin een drietal materiële aspecten aan de orde moeten komen.

4.3.2. Ter zitting heeft [X.] verklaard dat zij, materieel gezien, voldoet aan voornoemde vereisten. [X.] heeft een verklaring van haar huisarts in het geding gebracht, waaruit naar haar oordeel, zo begrijpt het hof, blijkt dat voldaan is aan het gestelde in art. 1:28a lid 1 sub b BW.

Voorts heeft [X.] een enkele verklaring, afkomstig van de heer [A.], coördinator van het Genderteam van het VU Medisch Centrum, gedateerd 8 september 2006, in het geding gebracht, waaruit blijkt dat [X.] onder behandeling is bij het Genderteam in verband met transseksualiteit van man naar vrouw en dat besloten is te starten met een hormoonbehandeling ter aanpassing van het lichaam aan de gewenste geslachtsrol, waarbij als startdatum van de geslachtsaanpassende behandeling 8 september 2006 zal worden beschouwd. [X.] is van mening dat met deze verklaring is voldaan aan het vereiste van art. 1:28a lid 1 sub a BW.

Ten aanzien van het vereiste, geformuleerd in art. 1:28a lid 1 sub c BW, heeft [X.] een verklaring van dr. [B.], gynaecoloog in het St. Radboud Ziekenhuis te Nijmegen d.d. 26 november 1999 overgelegd, waaruit volgens haar blijkt dat zij nimmer in staat is kinderen te verwekken.

4.3.3. Het hof is van oordeel dat door [X.] niet is voldaan aan de formele vereisten, te weten het overleggen van een verklaring, gezamenlijk ondertekend door bij algemene maatregel van bestuur (hierna: amvb) aangewezen deskundigen en afgifte van de verklaring ten hoogste zes maanden voor de datum van indiening van het verzoek. De overgelegde verklaringen zijn niet afkomstig van en niet ondertekend door bij genoemde amvb aangewezen deskundigen. Ten aanzien van de verklaring met betrekking tot sub c merkt het hof tevens op dat deze reeds ruim 7 jaar geleden is afgegeven.

4.3.4. Ten aanzien van de inhoudelijke eisen aan bedoelde verklaring, is het hof voorts van oordeel dat uit de verklaring van dr. [B.] niet blijkt dat [X.] nimmer meer in staat zal zijn kinderen te verwekken en dat uit de verklaring van de heer [A.] niet blijkt dat de overtuiging van [X.] als van blijvende aard kan worden beschouwd.

4.3.5. Het hof begrijpt dat de visie van [X.] aldus is, dat wijziging van de geslachtsaanduiding in de geboorteakte reeds op dit moment mogelijk is omdat zij “op dit moment”, mede gelet op de daarvoor geldende protocollen, zodanig is aangepast aan het verlangde geslacht als uit medisch of psychologisch oogpunt mogelijk en verantwoord is. Het hof is van oordeel dat dit een verkeerde interpretatie van de wet en de wetsgeschiedenis is, zodat het hof de stelling van [X.] niet volgt. Blijkens de tekst van artikel 28 lid 1 BW is wijziging van de geslachtsaanduiding mogelijk indien iemand “lichamelijk aan het verlangde geslacht is aangepast voor zover dit uit medisch of psychologisch oogpunt mogelijk en verantwoord is”. Hieruit en uit de wetsgeschiedenis volgt naar het oordeel van het hof dat het uitgangspunt is dat lichamelijke aanpassing reeds (volledig) moet hebben plaatsgevonden, alvorens een verzoek tot wijziging van de geslachtsaanduiding kan worden toegewezen en dat zulks slechts anders is indien zulks uit medisch of psychisch oogpunt niet verantwoord of niet mogelijk is. Uit de stukken en uit de verklaringen van [X.] ter zitting is gebleken dat [X.] pas in september 2006 is gestart met de hormoonbehandeling en dat operatieve ingrepen in de toekomst zullen plaatsvinden. [X.] voldoet derhalve (nog) niet aan de in de wet gestelde voorwaarden.

4.3.6. Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat het verzoek van [X.] dient te worden afgewezen. De bestreden beschikking dient ten aanzien van dit punt te worden bekrachtigd.

4.4. Ten aanzien van het verzoek van [X.] tot voornaamswijziging, overweegt het hof als volgt.

4.4.1. Artikel 1:4 lid 4 BW geeft de rechter de bevoegdheid te voornamen van een persoon op diens verzoek te wijzigen. Uit de wettekst van artikel 1:4 lid 4 BW vloeit voort dat in de eerste plaats beoordeeld dient te worden of een voldoende zwaarwichtig belang bij de inwilliging aanwezig is. Bij positieve beantwoording van de eerste toets, dient vervolgens beoordeeld te worden of de gevraagde naam geoorloofd is naar de maatstaven van artikel 1:4 lid 2 BW.

4.4.2. Hoewel [X.] zich in het maatschappelijke leven presenteert als vrouw en een vrouwelijke roepnaam hanteert, is het hof van oordeel dat nu de gevraagde wijziging van de geslachtsaanduiding in de geboorteakte wordt afgewezen en de aanduiding ‘mannelijk’ dus gehandhaaft blijft, de gevraagde (vrouwelijke) voornamen niet wenselijk en tevens ongepast zijn in de zin van artikel 1:4 lid 2 BW.

4.4.3. Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat het verzoek van [X.] tot voornaamswijziging dient te worden afgewezen.

5. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt, met aanvulling van de gronden, de beschikking van de rechtbank Maastricht van 25 januari 2007 voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Soest-van Dijkhuizen, Lamers en Schaafsma-Beversluis en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 24 april 2007 in tegenwoordigheid van de griffier.