Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2007:BA5117

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-03-2007
Datum publicatie
15-05-2007
Zaaknummer
06/00098
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Hof is van oordeel, dat de onder 4.3 vermelde schending van de goede procesorde en het onbehandeld laten van door partijen opgeworpen en in geschil zijnde vragen, waarvan enkele omschreven onder 4.5 tot en met 4.11, ertoe moeten leiden dat belanghebbendes verzoek om terugwijzing van de zaak naar de Rechtbank moet worden gehonoreerd. De zaak dient op de voet van artikel 27q, eerste lid, aanhef, onderdeel b van de AWR naar de Rechtbank te worden teruggewezen en de zaak moet opnieuw in volle omvang door de Rechtbank worden behandeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2007/46.7 met annotatie van Redactie
FutD 2007-0958
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Kenmerk: 06/00098

Uitspraak van de derde meervoudige Belastingkamer

op het hoger beroep van

de heer X te Y,

hierna te noemen: de belanghebbende,

tegen de schriftelijke uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 9 maart 2006, nummer 05/1954, in het geding tussen:

de belanghebbende,

en

de eenheid Belastingdienst/Zuidwest van de rijksbelastingdienst,

hierna te noemen: de Inspecteur.

met betrekking tot de in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van de Inspecteur van 11 mei 2005 op de in één geschrift vervatte bezwaren van de belanghebbende tegen de navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 1999 met aanslagnummer 1 en de tegelijkertijd met de navorderingsaanslag bij voor bezwaar vatbare beschikking in rekening gebrachte heffingsrente.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is over het jaar 1999 een navorderingsaanslag opgelegd met nummer 1 naar een belastbaar inkomen van fl. 300.832,=. Tegelijkertijd is bij voor bezwaar vatbare beschikking een bedrag ad fl. 11.791,= aan heffingsrente in rekening gebracht (hierna: rentebeschikking). Bij in één geschrift vervatte bezwaren van 13 december 2004 heeft de belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de navorderingsaanslag en de rentebeschikking. Bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur de navorderingsaanslag en - naar het Hof verstaat - de rentebeschikking gehandhaafd.

1.2. De belanghebbende heeft tegen die uitspraken op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Bij de thans bestreden uitspraak heeft de Rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

1.3 Tegen deze uitspraak van de Rechtbank heeft de belanghebbende hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. De belanghebbende heeft, met toestemming van het Hof, schriftelijk gerepliceerd en de Inspecteur heeft schriftelijk gedupliceerd.

1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 15 februari 2007 te 's-Hertogenbosch. Aldaar is toen verschenen en gehoord namens de belanghebbende zijn gemachtigde, alsmede de Inspecteur.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden tegelijkertijd met de bij Hof aanhangige hoger beroepszaken met kenmerk Hof: 06/00099 en 06/00100.

1.6. De belanghebbende en de Inspecteur hebben te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. Het Hof rekent deze pleitnota's tot de stukken van het geding.

1.7. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan:

2.1. De Rechtbank heeft in de bestreden uitspraak bij de beoordeling van het geschil het volgende overwogen:

'4. Beoordeling van het geschil

4.1. Uit het rapport van het Fiod-onderzoek, en in het bijzonder de daarin opgenomen getuigenverklaringen, blijkt dat belanghebbende zich in zijn functie van directeur van A de onder 2.3. vermelde bedragen in contanten heeft laten uitbetalen op basis van vervalste creditfacturen waarop feitelijk niet aan A verrichte leveringen van schroot waren vermeld.

4.2. Belanghebbende bestrijdt niet dat hij deze bedragen heeft ontvangen, maar hij stelt dat hij ze ten behoeve van A heeft ontvangen en weer uitgegeven als smeergeld voor (potentiële) klanten van A. Deze stelling wordt niet ondersteund door de aandeelhouders, noch door de directeur (B) die belanghebbende is opgevolgd bij A, noch door "genoemde" klanten van A die de bedragen zouden hebben ontvangen.

4.3. De rechtbank is van oordeel dat onder deze omstandigheden op belanghebbende de bewijslast rust van zijn stelling dat hij de in contanten van A ontvangen bedragen inderdaad - geheel of ten dele - ten behoeve van dat bedrijf heeft ontvangen dan wel heeft uitgegeven. Hij dient dat derhalve tenminste aannemelijk te maken. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende, die in het geheel geen feiten, verklaringen of andere bewijzen daaromtrent heeft aangevoerd, niet in dat bewijs is geslaagd. De verklaringen die door de overige personeelsleden van A bij de strafrechter zijn afgelegd, leveren naar het oordeel van de rechtbank niet het vereiste bewijs op, nu zij daarin slechts vermoedens uiten en duidelijk is dat geen van hen uit eigen wetenschap bekend is met doorbetaling van de door belanghebbende in contanten ontvangen bedragen ten behoeve van A.

4.4. Uit het onder 4.1. tot en met 4.3. overwogene put de rechtbank het - door belanghebbende niet ontzenuwde - vermoeden dat belanghebbende genoemde bedragen voor zichzelf heeft ontvangen en dat hij ze niet heeft gebruikt voor uitgaven ten behoeve van A. Derhalve moeten de bedragen in hun geheel worden aangemerkt als door belanghebbende in het kader van zijn arbeid genoten inkomsten in de zin van artikel 22, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964.

4.5. De rechtbank heeft geen reden te twijfelen aan de juistheid van hetgeen de getuigen in de strafzaak hebben verklaard en ziet dan ook geen reden deze getuigen opnieuw te horen.

4.6. Het onder 4.1. tot en met 4.5. overwogene leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond is.'.

2.2. Het proces-verbaal van het onderzoek tijdens de zitting voor de Rechtbank luidt, voor zover te dezen relevant, als volgt:

'In antwoord op vragen van de rechtbank verklaart belanghebbende:

Het aanbod om getuigen te horen betreft de door de rechtbank in de strafzaak gehoorde getuigen; in de belastingzaak zouden zij opnieuw gehoord kunnen worden indien de rechtbank twijfelt aan hetgeen zij in de strafzaak hebben verklaard. Er zou verder doorgevraagd kunnen worden.

Belanghebbende heeft een schikking getroffen met zijn werkgever in verband met onjuiste onkostendeclaraties; van bepaalde onkosten bleken er geen bonnetjes te zijn. Hoe en waarom belanghebbende A heeft verlaten, is niet bekend. Bij gebrek aan wetenschap wordt ontkend dat belanghebbende is ontslagen.

De schadevergoeding die belanghebbende vraagt heeft betrekking op de proceskosten. Het is vreemd dat de officier van justitie concludeert tot vrijspraak maar de inspecteur niet. In de visie van de inspecteur zou de beoordeling door de strafrechter strenger zijn.

en verklaart de inspecteur:

Er geldt een andere bewijslast in het strafrecht dan in het belastingrecht. Er is daardoor een andere invulling van artikel 6 van het EVRM. Er is nooit onderzoek gedaan naar de privé-uitgaven van belanghebbende.

Benadrukt moet worden dat er sprake is van een niet ontzenuwd vermoeden dat belanghebbende het geld heeft ontvangen. Belanghebbende stelt daarover niets. Vanuit dat vermoeden kun je stellen dat sprake is van een bepaalde mate van opzet. Belanghebbende is wel veroordeeld voor valsheid in geschrifte. De heer C is niet vervolgd.

Partijen worden in de gelegenheid gesteld voor het laatst het woord te voeren.

Belanghebbende verklaart:

Het is te betwijfelen of een vermoeden voldoende is voor het heffen van belasting en het opleggen van een boete. Er is voldoende door belanghebbende aangevoerd. Het jaar 2001 is in het strafrechtelijk onderzoek niet meegenomen. Het is niet juist om een vermoeden over andere jaren toe te laten als bewijs voor een jaar dat niet is onderzocht.

De inspecteur verklaart:

De omstandigheid dat belanghebbende voor het jaar 2001 niet strafrechtelijk is vervolgd, betekent niet dat er geen onderzoek naar dat jaar is gedaan. Dat is wel gebeurd.

De rechtbank sluit het onderzoek ter zitting en deelt mee dat de rechtbank binnen zes weken schriftelijk uitspraak zal doen.'.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

I. Dient de bestreden uitspraak van de Rechtbank te worden vernietigd, omdat, zoals de belanghebbende stelt, de Rechtbank in zijn uitspraak een (niet-ontzenuwd) vermoeden ten nadele van de belanghebbende heeft aangenomen zonder aan hem kenbaar te maken dat bij de Rechtbank dit vermoeden was gerezen en zonder dat de Rechtbank de belanghebbende in de gelegenheid heeft gesteld tegen dit vermoeden van de Rechtbank bewijs te leveren?

II. Dient de bestreden uitspraak van de Rechtbank te worden vernietigd, omdat, zoals de belanghebbende stelt, de Rechtbank in zijn bestreden uitspraak is uitgegaan van een onjuiste vaststelling van feiten en van verklaringen van derden die niet zijn afgelegd?

III. Dient de bestreden uitspraak van de Rechtbank te worden vernietigd, omdat, zoals de belanghebbende stelt, de Rechtbank ten onrechte belanghebbendes getuigenaanbod heeft gepasseerd?

IV. Dienen de navorderingsaanslag en de rentebeschikking te worden vernietigd, omdat, zoals de belanghebbende stelt, sprake is van een feit, waarmee de Inspecteur ten tijde van het opleggen van de primitieve aanslag bekend was dan wel redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, als bedoeld in artikel 16 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR)?

V. Rust ingevolge artikel 27e van de AWR op de belanghebbende de last overtuigend aan te tonen dat en in hoeverre de uitspraken op bezwaar onjuist zijn?

VI. Dienen de navorderingsaanslag en de rentebeschikking te worden vernietigd, omdat, zoals de belanghebbende stelt, de belanghebbende de door de Inspecteur beweerdelijk aanwezige inkomsten niet heeft genoten?

De belanghebbende is van oordeel dat de vragen I tot en met IV en VI bevestigend en vraag V ontkennend moeten worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, waaronder de onder 1.6 vermelde pleitnota's, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Voor hetgeen zij hieraan ter zitting hebben toegevoegd wordt verwezen naar het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van het onderzoek ter zitting.

3.3. De belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, en primair tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar, van de navorderingsaanslag en van de rentebeschikking en subsidiair tot terugwijzing van de zaak naar (een) de Rechtbank. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Beoordeling van het geschil

Vraag I

4.1. Bij de beantwoording van vraag I stelt het Hof voorop, dat de Hoge Raad der Nederlanden in zijn arrest van 25 oktober 2002, nr. 36 898, onder meer gepubliceerd in BNB 2003/14 onder 3.2.3 heeft overwogen dat de belastingrechter bij de mededeling, dat hij aanleiding ziet om ten nadele van een partij een vermoeden aan te nemen, zich ervan dient te vergewissen of deze mededeling voor die partij aanleiding geeft zich te beraden op zijn mogelijkheden om tegenbewijs te leveren en zo ja, die partij daartoe de gelegenheid moet bieden.

4.2. Het Hof is van oordeel, dat in de onder 4.1 vermelde overweging van de Hoge Raad der Nederlanden ligt besloten, dat de belastingrechter dient mede te delen dat bij hem een vermoeden ten nadele van een partij is gerezen (in dit verband wijst het Hof op het arrest van de Hoge Raad der Nederlanden van 5 juni 1996, nr 31 163, onder meer gepubliceerd in BNB 1996/234, r.o. 3.6; van 9 december 2005, nr 40 817, onder meer gepubliceerd in BNB 2006/241 en van 13 januari 2006, nr 41 679, onder meer gepubliceerd in BNB 2006/243, r.o. 3.4.).

4.3. Uit de conclusie van dupliek in eerste aanleg en het proces-verbaal van het onderzoek ter zitting in eerste aanleg blijkt, dat de Inspecteur uitging van een (niet-ontzenuwd) vermoeden. Echter, uit de bestreden uitspraak van de Rechtbank noch uit het proces-verbaal van het onderzoek ter zitting noch uit de overige gedingstukken blijkt dat op enig moment de Rechtbank aan de belanghebbende heeft medegedeeld, dat ook de Rechtbank aanleiding zag om ten nadele van de belanghebbende een vermoeden aan te nemen. Hieruit volgt, dat de belanghebbende door de Rechtbank niet in de gelegenheid is gesteld om zich te beraden op zijn mogelijkheden om bewijs tegen het bij de Rechtbank gerezen vermoeden te leveren en de belanghebbende derhalve ook niet in de gelegenheid is gesteld tot het leveren van dit tegenbewijs. Het Hof is van oordeel, dat de Rechtbank bij het nemen van zijn in de bestreden uitspraak genomen beslissing de goede procesorde niet in acht heeft genomen.

Tussenconclusie

4.4. Alvorens in te gaan op de vraag welke gevolgen moeten worden verbonden aan de onder 4.3 door het Hof aanwezig geachte schending van de goede procesorde door de Rechtbank zal het Hof eerst de vragen IV en V behandelen om daarna onder 4.12 tot een slotsom te komen.

Vraag IV

4.5. De belanghebbende heeft in de motivering van het beroepschrift in hoger beroep onder 1.3 vermeld de zaak in volle omvang aan het Hof te willen voorleggen en te persisteren bij de standpunten, die in de door hem genoemde processtukken, waaronder het in het geschrift d.d. 13 december 2004 opgenomen bezwaar tegen de navorderingsaanslag, zijn opgenomen. Onder 1.4 in het beroepschrift in eerste aanleg verwijst de belanghebbende voor zijn grieven eveneens naar het vorenvermelde bezwaarschrift en verzoekt hij dat bezwaarschrift als herhaald en ingelast te beschouwen. In dit bezwaarschrift heeft de belanghebbende gesteld, dat sprake is van een feit, waarmee de Inspecteur ten tijde van het opleggen van de primitieve aanslag bekend was dan wel redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, als bedoeld in artikel 16 van de AWR. Tijdens het onderzoek ter zitting heeft de belanghebbende medegedeeld deze stelling te handhaven. De Inspecteur heeft in zijn verweerschrift voor de Rechtbank verdedigd, dat niet sprake is van navordering op grond van een feit, waarmee hij ten tijde van het opleggen van de primitieve aanslag bekend was dan wel redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, als bedoeld in artikel 16 van de AWR.

4.6. Het onder 4.5 overwogene laat geen andere gevolgtrekking toe, dan dat partijen ook bij de Rechtbank de hiervoor onder 3.1 vermelde vraag IV hadden opgeworpen en dat de Rechtbank deze vraag onbehandeld heeft gelaten. Nu de Rechtbank in de bestreden uitspraak concludeerde tot ongegrondverklaring van het beroep had hij deze vraag echter niet onbehandeld mogen laten.

Vraag V

4.7. De belanghebbende heeft in zijn pleitnota onder 4.5 gesteld, dat de Rechtbank impliciet heeft geoordeeld dat geen sprake is van het doen van onjuiste aangiften en dat de Rechtbank de zogenoemde omkering en verzwaring van de bewijslast terecht achterwege heeft gelaten. De Inspecteur heeft in zijn verweerschrift in hoger beroep verdedigd, dat, gelet op door hem aangehaalde omstandigheden, op de belanghebbende de last rust aannemelijk te maken dat de belanghebbende de ontvangen bedragen inderdaad ten behoeve van A heeft ontvangen en uitgegeven. De Inspecteur acht de belanghebbende in die bewijslast niet geslaagd en hij verbindt daaraan de conclusie dat de belanghebbende niet de vereiste aangifte heeft gedaan en dat, gelet op artikel 27e van de AWR, dientengevolge op de belanghebbende de last rust overtuigend aan te tonen dat en in hoeverre de uitspraken op bezwaar onjuist zijn.

4.8. De Inspecteur heeft in het verweerschrift in eerste aanleg, gelezen in samenhang met de conclusie van dupliek in eerste aanleg, reeds voor de Rechtbank verdedigd, dat juist het (niet-ontzenuwde) vermoeden, dat de belanghebbende de ontvangen bedragen als inkomsten had genoten noopte, tot de conclusie dat de vereiste aangifte (in de zin van artikel 27e van de AWR) niet was gedaan.

4.9. Uit de bestreden uitspraak van de Rechtbank blijkt niet, dat de Rechtbank met betrekking tot de door de Inspecteur reeds voor de Rechtbank ingenomen stelling, dat op grond van artikel 27e van de AWR op de belanghebbende de last rustte overtuigend aan te tonen dat en in hoeverre de uitspraken op bezwaar onjuist zijn, een oordeel heeft gegeven.

4.10. Gelet op hetgeen de Rechtbank onder 4 van zijn bestreden uitspraak heeft overwogen is niet uitgesloten, dat de Rechtbank van oordeel is geweest dat de onder 4.8 bedoelde stelling van de Inspecteur geen behandeling meer behoefde, doch anderzijds blijkt uit de bestreden uitspraak - in het bijzonder uit hetgeen is vermeld onder 3.1 - noch uit het proces-verbaal van het onderzoek ter zitting in eerste aanleg dat de Rechtbank zich een oordeel heeft gevormd over de hiervoor genoemde - door de belanghebbende in de conclusie van repliek in eerste aanleg betwiste - stelling van de Inspecteur.

4.11. Bovendien zou - nu de Rechtbank met de Inspecteur een vermoeden ten nadele van de belanghebbende aanwezig en niet-ontzenuwd achtte - het meer voor de hand hebben gelegen indien de Rechtbank zich wèl op enigerlei wijze zou hebben uitgelaten over de onder 4.8 bedoelde stelling van de Inspecteur, omdat de Inspecteur heeft gesteld dat met dat (niet-ontzenuwde) vermoeden de onjuistheid van de aangifte was gegeven.

Slotsom

4.12. Het Hof is van oordeel, dat de onder 4.3 vermelde schending van de goede procesorde en het onbehandeld laten van door partijen opgeworpen en in geschil zijnde vragen, waarvan enkele omschreven onder 4.5 tot en met 4.11, ertoe moeten leiden dat belanghebbendes verzoek om terugwijzing van de zaak naar de Rechtbank moet worden gehonoreerd. De zaak dient op de voet van artikel 27q, eerste lid, aanhef, onderdeel b van de AWR naar de Rechtbank te worden teruggewezen en de zaak moet opnieuw in volle omvang door de Rechtbank worden behandeld.

4.13. De overige in hoger beroep in geschil zijnde vragen behoeven geen behandeling meer.

5. Griffierecht

5.1. De Staat dient aan belanghebbende het door hem ter zake van de behandeling van het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 105,= te vergoeden.

5.2. De Rechtbank zal hebben te beslissen omtrent het griffierecht voor het bij de Rechtbank ingediende beroep.

6. Kosten van bezwaar en proceskosten

6.1. De Rechtbank zal hebben te beslissen over het, reeds in eerste aanleg gedane, verzoek tot vergoeding van de kosten van het bezwaar.

6.2. De Rechtbank zal (opnieuw) hebben te beslissen over het verzoek tot vergoeding van de proceskosten in verband met de behandeling bij de Rechtbank.

6.3. Nu het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

Het Hof stelt deze kosten, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, op 2,5 (punten) x € 322,- (waarde per punt) x 1,5 (factor gewicht van de zaak) x 1 (samenhangende zaken) is € 1.207,50.

Daarbij wordt uitgegaan van drie samenhangende zaken waarin belanghebbende geheel of gedeeltelijk in het gelijk is gesteld. Dit betreft onderhavige zaak en kenmerken Hof: 06/00099 en 06/00100.

Het Hof zal in deze zaak en in elk van de overige hiervóór genoemde zaken een proceskostenvergoeding toekennen van € 1.207,50 : 3 = € 402,50.

7. Schadevergoeding

De Rechtbank zal hebben te beslissen over het, reeds in eerste aanleg gedane, verzoek tot vergoeding van schade op de voet van artikel 8:73 van de Awb.

8. Beslissing

Het Hof:

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;

- wijst de zaak ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van deze uitspraak terug naar de Rechtbank te Breda;

- draagt op de voet van artikel 27q, tweede lid van de AWR aan de griffier op, na het onherroepelijk worden van deze uitspraak, het gehele dossier met een afschrift van deze uitspraak te zenden aan de Rechtbank te Breda;

- gelast dat de Staat aan de belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 105,= vergoedt;

- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding bij het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 402,50; en

- wijst de Staat aan als de rechtspersoon die de proceskosten moet vergoeden.

Aldus vastgesteld op:20 maart 2007

door P. Fortuin, voorzitter, N. van Beelen en J.W. Zwemmer, in tegenwoordigheid van J.W.J. van der Heijden, griffier. De beslissing is op die datum in het openbaar uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep

in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.