Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2007:BA5114

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
13-03-2007
Datum publicatie
15-05-2007
Zaaknummer
06/00056
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vraag: heeft de Inspecteur in het licht van artikel 3:4, tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht en het zogenoemde herstelbeleid van de Staatssecretaris van Financiën in zijn Besluit van 13 december 2002, nr. CPP2002/157M, onder meer gepubliceerd in V-N 2003/10.25 (hierna: het Besluit), ten onrechte belanghebbende niet in de gelegenheid gesteld de geconstateerde tekortkoming, een te kort schietende vaste tussenwand in de auto van belanghebbende, te herstellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2007/46.27 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Kenmerk: 06/00056

Uitspraak van de derde meervoudige Belastingkamer

op het hoger beroep van

de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/P van de rijksbelastingdienst te Z,

hierna: de Inspecteur,

tegen de mondelinge uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 4 januari 2006, nummer AWB 05/2379 in het geding tussen

de heer X, wonende te Y,

hierna: belanghebbende

en

de Inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is onder aanslagnummer 1 over het tijdvak 31 maart 2003 tot en met 30 maart 2005 een naheffingsaanslag in de motorrijtuigenbelasting opgelegd ten bedrage van € 2.251 aan belasting. De naheffingsaanslag is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Bij mondelinge uitspraak heeft de Rechtbank het beroep gegrond verklaard en de uitspraak op bezwaar vernietigd.

1.3. Tegen deze uitspraak heeft de Inspecteur hoger beroep ingesteld bij het Hof. Belanghebbende heeft geen verweerschrift ingediend.

1.4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 31 augustus 2006 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, vergezeld van zijn echtgenote, alsmede de Inspecteur.

2. Feiten

Het Hof verwijst voor de feiten naar de onderdelen 2.1 en 2.2 van de uitspraak van de Rechtbank.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vraag: heeft de Inspecteur in het licht van artikel 3:4, tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht en het zogenoemde herstelbeleid van de Staatssecretaris van Financiën in zijn Besluit van 13 december 2002, nr. CPP2002/157M, onder meer gepubliceerd in V-N 2003/10.25 (hierna: het Besluit), ten onrechte belanghebbende niet in de gelegenheid gesteld de geconstateerde tekortkoming, een te kort schietende vaste tussenwand in de auto van belanghebbende, te herstellen. Belanghebbende is van oordeel dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

3.3. Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank. De Inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en bevestiging van de uitspraak op bezwaar.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Artikel 1, aanhef en onderdeel a, van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (hierna: de Wet) bepaalt dat motorrijtuigenbelasting wordt geheven ter zake van het houden van een bestelauto.

4.2. Tussen partijen staat vast dat de auto van belanghebbende niet voldeed aan de gestelde uitzonderingen in artikel 3, eerste lid, onder b van de Wet, zodat de auto moet worden aangemerkt als een personenauto en niet als een bestelauto.

4.3. Het Hof is van oordeel dat, gelet op hetgeen onder 4.2. is weergegeven, de Inspecteur op de juiste gronden het tarief van de verschuldigde belasting zoals die geldt voor een personenauto met de toepassing van artikel 20 Algemene wet inzake Rijksbelastingen heeft nageheven.

4.4. Het oordeel van de Rechtbank dat de Inspecteur ten onrechte belanghebbende niet in de gelegenheid heeft gesteld de geconstateerde tekortkoming te herstellen, kan niet staande blijven, nu de Wet geen mogelijkheid biedt voor herstel achteraf en de Inspecteur het binnen het kader van het Besluit aan beleidsvrijheid ontbreekt om een herstelmogelijkheid te bieden.

4.5 Voorts is er naar het oordeel van Hof niet sprake van een zodanig ernstige schending van het evenredigheidsbeginsel als neergelegd in artikel 3:4 Algemene wet bestuursrecht, dat dit daarin zou resulteren dat de naheffingsaanslag vernietigd moet worden nu meergenoemde herstelmogelijkheid niet is geboden. Hierbij moet in aanmerking worden genomen dat de Staatssecretaris van Financiën tot het tijdstip van inwerkingtreding van het Besluit deze herstelmogelijkheid wél heeft geboden, en de beleidsvrijheid heeft om op enig moment het gevoerde beleid aan te scherpen.

4.6. Gelet op het vorenstaande is het gelijk met betrekking tot de in geschil zijnde vraag aan de zijde van de Inspecteur, dient het hoger beroep van de Inspecteur gegrond te worden verklaard, en dient de uitspraak van de Rechtbank geheel te worden vernietigd.

5. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. Beslissing

Het Hof:

- verklaart het hoger beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;

- verklaart het tegen de uitspraak van de Inspecteur ingestelde beroep ongegrond;

- handhaaft de naheffingsaanslag.

Aldus gedaan op 13 maart 2007

door A.J. van Soest, voorzitter, N. van Beelen en J.W. Zwemmer, in tegenwoordigheid van J.W.J. van der Heijden, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze

uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het

volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het

beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.