Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2007:BA5109

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
03-04-2007
Datum publicatie
15-05-2007
Zaaknummer
04/00607
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Op 26 oktober 2000 heeft de raad van de gemeente Gulpen-Wittem een bekostigingsbesluit vastgesteld. Dit bekostigingsbesluit heeft tot doel de kosten van de aanleg van een openbaar riool met aansluitvoorzienigen in Y door een baatbelasting te verhalen op de genothebbenden krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van de door deze voorzieningen gebate onroerende zaken. Dit bekostigingsbesluit is gepubliceerd door plaatsing in het Gemeenteblad 2000, nummer 126, van de gemeente Gulpen Wittem. [..] Het geschil betreft het antwoord op de vraag of belanghebbende terecht in de baatbelasting is betrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2007, 960
FutD 2007-0972
Belastingblad 2007/655
V-N 2007/38.32

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 04/00607

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, derde meervoudige Belastingkamer, op het beroep van de heer X en mevrouw XX te Y (hierna tezamen aan te duiden als: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Hoofd van de afdeling Middelen van de gemeente Gulpen-Wittem (hierna: verweerder) op het bezwaarschrift betreffende na te melden aanslag.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan mevrouw XX is voor het jaar 2003 een aanslag in de baatbelasting openbare riolering ten behoeve van Y opgelegd tot een bedrag van € 276,94, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de verweerder is gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het hof.

Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 37,=.

De verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

1.3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 7 december 2006 te

's-Hertogenbosch.

Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, tot bijstand vergezeld van mevrouw XX en A en B, alsmede, namens de verweerder, mevrouw C, de heer D en mevrouw E.

1.4. Belanghebbende heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de wederpartij. Het hof rekent deze pleitnota tot de stukken van het geding.

1.5. Het hof heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende vast:

2.1. Op 26 oktober 2000 heeft de raad van de gemeente Gulpen-Wittem een bekostigingsbesluit vastgesteld. Dit bekostigingsbesluit heeft tot doel de kosten van de aanleg van een openbaar riool met aansluitvoorzienigen in Y door een baatbelasting te verhalen op de genothebbenden krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van de door deze voorzieningen gebate onroerende zaken. Dit bekostigingsbesluit is gepubliceerd door plaatsing in het Gemeenteblad 2000, nummer 126, van de gemeente Gulpen Wittem.

2.2. Mede gelet op het in 2.1 bedoelde bekostigingsbesluit heeft de raad van de gemeente Gulpen-Wittem op 4 juli 2002 de "Verordening baatbelasting riolering Y 2002" (hierna: de verordening) vastgesteld. De verordening luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

'Artikel 2 Belastbaar feit

1. Onder de naam "baatbelasting openbare riolering ten behoeve van Y" wordt in de vorm van een heffing ineens een directe belasting geheven ter zake van de onroerende zaken gelegen in de gemeente binnen de blauwe omlijning op de bij deze verordening behorende en als zodanig gewaarmerkte kaart, die op 1 januari 2002 zijn gebaat door de in het tweede lid genoemde voorziening die tot stand is gebracht is gebracht door of met medewerking van het gemeentebestuur.

2. De in het eerste lid bedoelde voorziening omvat de aanleg van een openbare riolering.

Artikel 3 Belastingplicht

1. De belasting wordt geheven van degene die van een onroerende zaak als bedoeld in artikel 2, eerste lid, het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht.

2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die op het tijdstip van de ingang van de heffing dan wel, indien de belasting wordt geheven in de vorm van een jaarlijkse belasting, bij de aanvang van het belastingjaar als zodanig in de kadastrale registratie is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.

Artikel 4 Maatstaf van heffing

De maatstaf van heffing is een bedrag per onroerende zaak.

Artikel 5 Belastingtarief

1. De belasting bedraagt per onroerende zaak € 5.445,36.

2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid bedraagt de belasting per onroerende zaak, dat als zodanig qua indeling uitsluitend bestemd is te worden gebruikt als woning € 3.176,46.

Artikel 6 Regeling inzake heffing in de vorm van een jaarlijkse belasting

1. In afwijking van het bepaalde in artikel 2 wordt op verzoek van de belastingplichtige de belasting geheven in de vorm van een jaarlijkse belasting gedurende 20 jaren.

(...)

Artikel 7 Wijze van heffing

De belasting wordt bij wege van aanslag geheven.'.

De verordening is gepubliceerd door plaatsing in het Gemeenteblad 2002, nummer 9, van de gemeente Gulpen Wittem.

2.3. De heer X had voor de helft het genot krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van een in artikel 2 van de verordening bedoelde onroerende zaak en is in de heffing van de baatbelasting betrokken.

2.4. De onroerende zaak, waarop is gelegen de woning met het adres Y 1 was, voordat de aanleg van de in de verordening bedoelde riolering een aanvang had genomen, reeds aangesloten op een riolering (hierna: de oude riolering). De oude riolering was aan de rand van het dorp niet doorgevoerd of aangesloten op een ander rioolstelsel. Hoewel die riolering uitsluitend bestemd was voor de afvoer van hemelwater, werd daarop feitelijk ook huishoudelijk afvalwater geloosd. Tegen deze lozing van huishoudelijk afvalwater werd door de gemeente niet opgetreden.

2.5. Binnen Y bevinden zich andere onroerende zaken welke niet op de oude riolering waren aangesloten doch wel zijn aangesloten op de in de verordening bedoelde riolering. Bedoelde onroerende zaken zijn derhalve door de realisering van de in de verordening bedoelde riolering voor het eerst op een riolering aangesloten.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de vraag of belanghebbende terecht in de baatbelasting is betrokken.

Belanghebbende is van oordeel dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. De verweerder is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Ter zitting hebben zij hieraan nog het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd:

Belanghebbende

Mevrouw XX is voor 50% eigenaresse van de onroerende zaak. De heer X is eigenaar voor de overige 50%. Bij ons ligt de situatie derhalve anders dan bij het nabijgelegen Y nummer 6, waar sprake is van ongedeelde eigendom bij één persoon.

De verweerder

De lozing van huishoudelijk afvalwater op de oude riolering werd gedurende jaren door de gemeente gedoogd, echter aan dat gedogen kwam een eind omdat de centrale overheid steeds stringentere regelgeving uitvaardigde om ook in het buitengebied voor riolering te zorgen. De heffing van rioolrecht staat los van de onderhavige baatbelasting. Aanslagen rioolrecht zijn hier niet aan de orde. Inderdaad waren er in Y bewoners die niet op de oude riolering waren aangesloten. In de verordening wordt geen onderscheid gemaakt tussen bewoners die voorheen wel op een riolering waren aangesloten enerzijds, en bewoners die niet op een riolering waren aangesloten anderzijds.

3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de bestreden uitspraak en vernietiging van de bestreden aanslag.

De verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. In het beroepschrift neemt belanghebbende de stelling in dat de grondslag voor de heffing ontbreekt nu aan andere huishoudens welke binnen Y, echter buiten het centrum daarvan, zijn gelegen, welke huishoudens niet op de oude riolering waren aangesloten en derhalve voor de eerste maal op een riolering zijn aangesloten, een gelijke baatbelasting is opgelegd als die welke aan belanghebbende is opgelegd, zulks terwijl belanghebbende wel reeds op de oude riolering was aangesloten en derhalve door de nieuwe aansluiting aanzienlijk minder gebaat is dan eerderbedoelde andere huishoudens.

4.2. Het hof neemt de onder 4.1 bedoelde stelling in aanmerking als een beroep op gehele of gedeeltelijke onverbindendheid van de verordening nu toepassing van die verordening leidt tot een willekeurige en onredelijke belastingheffing.

4.3. Het hof is met belanghebbende van oordeel dat de baat welke samenhangt met het vervangen van een aansluiting op een bestaand riool door een aansluiting op een nieuw riool aanzienlijk kleiner is dan de baat welke samenhangt met de aansluiting op een riool waar voorheen een dergelijke aansluiting ontbrak. Daaraan doet naar het oordeel van het hof niet af dat, zoals in casu, op de oude riolering slechts hemelwater mocht worden afgevoerd, en niet, zoals feitelijk geschiedde, tevens huishoudelijk afvalwater, met name nu de gemeente niet optrad tegen de afvoer van huishoudelijk afvalwater door dat riool en die afvoer gedoogde.

4.4. Uitgaande van het onder 4.3 overwogene oordeelt het hof dat de baat welke belanghebbendes onroerende zaak had door de aanleg van de in de verordening bedoelde voorziening aanzienlijk kleiner was dan de baat welke de onder 4.1 aangeduide andere onroerende zaken welke niet eerder op een riolering waren aangesloten. Bij de keuze van de heffingsmaatstaf is het van belang dat deze aansluit bij de aard van de voorzieningen en bij het werkelijk gebaat zijn van de objecten. Aangezien de baat van belanghebbendes object aanzienlijk kleiner is dan die van gemelde andere betrokken objecten zou zulks redelijkerwijs tot uitdrukking moeten zijn gebracht door ter zake enigerlei differentiatie in het tarief toe te passen. Nu dit niet is geschied en zulks door de keuze voor de maatstaf van heffing ook niet meer mogelijk is, leidt het voorgaande tot de conclusie dat de verweerder een onjuiste maatstaf van heffing heeft aangelegd. Het in de baatbelasting betrekken van belanghebbendes onroerende zaak kan daarom in zoverre als willekeurig worden bestempeld, zodat reeds hierom de verordening jegens belanghebbende in zoverre onverbindend is.

4.5. Gezien het vorenoverwogene kunnen de antwoorden op de vraag of de verweerder de aanslag mocht opleggen aan de heer X terwijl de eigendom van de onroerende zaak voor de helft bij mevrouw XX berustte, en op de vraag of de verweerder de uitspraak mede mocht richten aan mevrouw XX terwijl de aanslag was opgelegd enkel aan, de heer X in het midden blijven.

4.6. Gelet op het vorenstaande is het gelijk met betrekking tot de in geschil zijnde vraag aan de zijde van belanghebbende.

5. Griffierecht

Gelet op artikel 8:74, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht dient het betaalde griffierecht te worden vergoed.

6. Proceskosten

Hoewel het beroep gegrond is, acht het hof geen termen aanwezig de verweerder te veroordelen in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Belanghebbende heeft namelijk niet verzocht om een proceskostenvergoeding, en het hof is ook ambtshalve niet gebleken dat belanghebbende voor vergoeding in aanmerking komende kosten heeft gemaakt als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

8. Beslissing

Het hof:

- verklaart het beroep gegrond,

- vernietigt de bestreden uitspraak alsmede de bestreden aanslag,

- gelast dat aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 37,=, en

- wijst de Staat aan als de rechtspersoon die het griffierecht moet vergoeden.

Aldus gedaan op 03 april 2007

door N. van Beelen, voorzitter, A.J. van Soest en P. Fortuin, in tegenwoordigheid van J.W.J. van der Heijden, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op:03 april 2007

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het beroepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.