Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2007:BA4971

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-02-2007
Datum publicatie
14-05-2007
Zaaknummer
04/02486
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende, zo verstaat het hof haar, is van mening dat zij aan de uitspraken op bezwaar tegen de aanslagen OZB van 10 maart 2004 nu die aanslagen zijn verminderd uitgaande van een waarde van € 56.929.900,= het vertrouwen kan ontlenen dat de in de beschikking van 17 juni 2003 opgenomen waarde van de onroerende zaak juist is. Het gestelde in de uitspraken zou er op wijzen dat niet de beschikking van 17 juni 2003 op een fout berustte, maar kennelijk de beschikking van 12 maart 2004.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2007-0980
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 04/02486

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

UITSPRAAK

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, dertiende enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van Stichting X te Y (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de directeur middelen en ondersteuning van de gemeente Z (hierna: de verweerder) op het bezwaarschrift betreffende de in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) aan belanghebbende gezonden herzieningsbeschikking, waarbij de waarde van de onroerende zaak A-straat 4610 en 4620 B-complex te Y (hierna: de onroerende zaak) per de peildatum 1 januari 1999 is vastgesteld voor het tijdvak 1 januari 2001 tot en met 31 december 2004 en wel met ingang van 1 januari 2003.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Bij primaire beschikking van 16 juli 2001 heeft de verweerder de waarde van de onroerende zaak vastgesteld op € 63.156.223,=.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de verweerder bij uitspraak van

1 mei 2003 de waarde van de onroerende zaak nader vastgesteld op € 56.920.900,=.

Bij de in geding zijnde herzieningsbeschikking heeft de verweerder de waarde, ingaande 1 januari 2003, vastgesteld op € 59.458.500,=.

Het tegen deze herzieningsbeschikking gemaakte bezwaar heeft de verweerder bij zijn uitspraak van 12 oktober 2004 ongegrond verklaard.

1.2. Belanghebbende heeft bij geschrift van 18 november 2004 van haar gemachtigde tegen de uitspraak beroep ingesteld bij het hof. Terzake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 273,=.

De verweerder heeft een verweerschrift, ingekomen bij het hof op 25 maart 2005, ingediend.

1.3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 5 oktober 2005 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede de verweerder.

1.4. Belanghebbende heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de wederpartij. De verweerder heeft, zonder bezwaar van de wederpartij, ter zitting een aantal stukken overgelegd. Het hof rekent de pleitnota en deze stukken tot de stukken van het geding.

1.5. Het hof heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten.

1.6. Na de zitting heeft het hof belanghebbendes gemachtigde bij brief van 19 september 2006 verzocht om toezending van kopieën van de aan belanghebbende opgelegde aanslagen onroerend-zaakbelastingen van 31 juli 2003, haar bezwaarschriften en de uitspraken op de bezwaarschriften. De verweerder is ter informatie een kopie van het verzoek gestuurd. Bij brief van 2 oktober 2006 heeft belanghebbende de gevraagde stukken aan het hof verstrekt. De verweerder is bekend met deze stukken.

2. Feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting staat, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende vast:

2.1. Bij (primaire) beschikking van 16 juli 2001 met nummer 00000 heeft de verweerder de waarde van de onroerende zaak vastgesteld op € 63.156.223,=. De beschikking vermeldt als belanghebbende de Stichting C te Y.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de verweerder in de uitspraak van 1 mei 2003 de waarde van de onroerende zaak nader vastgesteld op € 56.920.900,=.

In de uitspraak is onder meer het volgende gesteld:

"Hierbij doe ik uitspraak op uw bezwaarschrift van 21 augustus 2001, namens Stichting C te Y (thans X), (...)."

en

"Op 16 september 2002 heeft een heronderzoek plaatsgevonden door D Vastgoed voorheen F B.V.). Het advies treft u hierbij aan en maakt deel uit van de uitspraak op uw bezwaarschrift."

en

"Op grond van het advies verklaar ik uw bezwaar tegen de WOZ-beschikking nr. 00000, A-straat 4610 + 4620 te Y, gegrond." en

"De WOZ-waarde is de basis voor de berekening van de onroerende-zaakbelastingen. Als gevolg van de verlaging van de WOZ-waarde worden de aanslagen onroerende-zaakbelastingen, (...) verminderd met (...).".

De uitspraak is gezonden aan gemachtigde van belanghebbende.

2.2. In het voornoemde advies is onder meer het volgende opgenomen:

"Belanghebbende is van mening dat de waarde van het onderhavige object te hoog is vastgesteld daar een te lage technische correctie is vastgesteld en een te hoge grondwaarde is berekend.

Met betrekking tot de technische veroudering is de taxateur het oneens met belanghebbende."

en

"Met betrekking tot de grondwaarde heeft de taxateur de volgende mening."

en

"Gezien bovenstaande adviseert de taxateur de waarde ad.

€ 63.156.222,-- (Nlg 139.178.000,--) te verminderen tot

€ 56.920.900,-- (Nlg 125.437.000,--)".

Aan het slot van het advies is gesteld:

"Opmerking gemeente

De mutatie in de grondoppervlakte d.d. 25 maart 2002 is niet meegenomen in bovenstaande taxatie. Hiervoor wordt de waarde naar de toestand op 1 januari 2003 tesamen met andere bouwkundige wijzigingen bij mutatie-beschikking vastgesteld.".

2.3. Gedagtekend 17 juni 2003 zendt de verweerder belanghebbende

een nieuwe beschikking met nummer 11111 voor de onroerende zaak. De vastgestelde waarde van de onroerende zaak is € 56.920.900,=.

In de beschikking is vermeld dat de waardevaststelling betrekking heeft op het tijdvak 1 januari 2001 tot 1 januari 2005 en vanaf 1 januari 2003 in de plaats treedt van de eerdere beschikking.

In de beschikking is tevens vermeld:

"Ter uitvoering van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) is de waarde van de hierna vermelde onroerende zaak opnieuw vastgesteld naar de staat waarin de zaak zich op 1 januari 2003 bevond. De reden hiervan is dat in de oorspronkelijk vastgestelde waarde een wijziging is gekomen.".

2.4. Met dagtekening 31 juli 2003 legt de verweerder aan belanghebbende als eigenaar en als gebruiker aanslagen onroerende-zaakbelastingen (hierna: OZB) op. De heffingsmaatstaf is € 59.458.500,=.

Na daartegen gemaakt bezwaar is de verweerder in de uitspraken van 10 maart 2004 belanghebbende tegemoet gekomen. De belasting wordt vastgesteld uitgaande van de waarde van de onroerende zaak van € 56.920.900,=.

2.5. In de uitspraken op bezwaar van 10 maart 2004 is onder meer het volgende gesteld:

"Naar aanleiding van uw brief van 11 september 2003 is ons gebleken dat de aanslag onroerende-zaakbelastingen (...) is berekend met inachtneming van een waarde van € 59.458.500,00.

Deze aanslag had echter moeten worden berekend conform de WOZ-beschikking van 17 juni 2003 (nr. 11111) naar een waarde van € 56.920.900,00.".

2.6. Bij brief 25 september 2003 zendt de verweerder belanghebbende een geschrift met de aanduiding beschikking, de datum 23 juni 2003 en het nummer 11112.

In die brief is onder meer het volgende opgenomen:

"Zoals telefonisch met u is besproken, berust de toezending van de beschikking met nummer 11111 met een WOZ-waarde van € 56.920.900,-- op een fout onzerzijds. Deze beschikking, aangemaakt ten behoeve van het verkrijgen van een juiste tenaamstelling van de te nemen mutatiebeschikking (artikel 19 Wet WOZ), had niet uitgeprint en verzonden mogen worden. Overigens had belanghebbende kunnen weten dat genoemde waarde die op deze ten onrechte verzonden beschikking stond vermeld onjuist was en niet de waarde na de bouwmutaties in 2002 kon zijn. Immers dit blijkt duidelijk uit de uitspraak op het WOZ-bezwaarschrift in 2001.

Uit de tekst van de toegezonden beschikking blijkt dat er sprake is van een mutatiebeschikking, als bedoeld in artikel 19 van de Wet WOZ, en vanaf 1-1-2003 in de plaats treedt van een eerder genomen beschikking. Deze waarde moet dan altijd hoger of lager zijn dan de eerder vastgestelde WOZ-waarde. Deze mutatiebeschikking met nummer 11112 is wel genomen, maar abusievelijk niet verzonden, waardoor op de aanslag Gemeentebelastingen O.Z.B. de nieuwe heffingsgrondslag vermeld was.

Aan belanghebbende had mutatiebeschikking met nummer 11112 verzonden moeten worden. Wij betreuren dat dit abusievelijk niet is gebeurd. Wij hebben genoemde mutatiebeschikking met bijbehorend taxatieverslag uitsluitend ter kennisname bij deze brief gevoegd. Tevens is een taxatieverslag na bovengenoemde uitspraak op bezwaar (2001) bijgevoegd.".

2.7. Het voornoemde geschrift met de aanduiding beschikking bevat onder meer de volgende gegevens:

-reden toezending: mutatie WOZ-waarde;

-objectomschrijving: A-straat 4610 + 4620 B-complex;

-Vastgestelde waarde: € 59.458.500.

Verder is in het geschrift met de aanduiding beschikking het volgende opgenomen:

"Ter uitvoering van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) is de waarde van de hierna vermelde onroerende zaak opnieuw vastgesteld naar de staat waarin de zaak zich op 1 januari 2003 bevond. De reden hiervan is dat in de oorspronkelijk vastgestelde waarde een wijziging is gekomen.

(...) Deze beschikking heeft betrekking op het tijdvak 1 januari 2001 tot 1 januari 2005 en treedt vanaf 1 januari 2003 in de plaats van een eerder genomen beschikking.".

2.8. Bij de in geding zijnde herzieningsbeschikking, gedagtekend 12 maart 2004, heeft de verweerder de waarde, ingaande 1 januari 2003, vastgesteld op € 59.458.500,=. In de beschikking is onder meer het volgende gesteld:

"Met dagtekening 17 juni 2003 is aan u een mutatiebeschikking toegestuurd ter uitvoering van de Wet (...). (...)"

en

"Gebleken is dat deze waarde te laag is. Bij u had bekend kunnen zijn dat de afgegeven beschikking onjuist was. Op het bezwaarschrift tegen de WOZ-waarde per 1 januari 2001 is op 1 mei 2003 uitspraak gedaan en is de WOZ-waarde bepaald op € 56.920.900. In een bijgevoegd advies van het taxatiebureau is toen aangekondigd dat naar de toestand op 1 januari 2003 nog een mutatiebeschikking vastgesteld zou worden (zie bijgevoegde brief).

Op 17 juni 2003 (nog kort na 1 mei 2003) had u kunnen weten dat de genoemde WOZ-waarde op een fout berustte.

Om deze reden wordt de bovenbedoelde WOZ-beschikking hierbij herzien."

en

"De herzieningsbeschikking geldt voor het tijdvak 1 januari 2001 tot 1 januari 2005 en treedt met ingang van 1 januari 2003 in de plaats van de eerder genomen beschikking.".

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Tussen partijen is in geschil of de verweerder terecht op de voet van artikel 27 van de Wet WOZ de herzieningsbeschikking voor de onroerende zaak heeft vastgesteld.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Ter zitting hebben zij hieraan nog het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd:

Belanghebbende

-De indruk bestaat dat de gemeente de data door elkaar haalt. Eerst zijn de aanslagen OZB opgelegd en daarna is de in geding zijnde beschikking vastgesteld. De vervangen mutatiebeschikking is van 17 juni 2003, daarna zijn de aanslagen OZB opgelegd.

-Het is belanghebbende niet duidelijk waarin de tik- of schrijffout zou bestaan. Wij zijn pas met de gemeente in gesprek gekomen na de vaststelling van de beschikking van 17 juni 2003. De inhoud van dat overleg is niet van belang voor het antwoord op de vraag of de in geding zijnde beschikking juist is.

-Kennisneming van de beschikking van 17 juni 2003 leert dat er sprake is van een mutatie. De later toegezonden beschikking van 23 juni 2003 heeft een ander nummer dan die van 17 juni 2003. Boven water blijft staan dat er geen reden was om te twijfelen aan de juistheid van de waarde die was vermeld op de beschikking van 17 juni 2003. Niet elke verandering, wijziging, in het B leidt tot een verhoging van de waarde. De situatie was niet duidelijk, zeker niet ten tijde van de toezending van de beschikking van 17 juni 2003.

-Het bezwaartraject is afgerond in 2003. Toen zijn ook de nodige kosten gemaakt.

De verweerder

-Bij het opleggen van de aanslagen OZB is een fout gemaakt. Er is uitgegaan van een onjuiste beschikking. De fout is onderkend en het bezwaar tegen de aanslagen is gegrond verklaard. De fout was overigens direct zichtbaar.

-Dat het gebeuren inzake de mutatiebeschikking niet de schoonheidsprijs verdient is duidelijk. Daarmee is overigens alles gezegd. Het is een situatie die vergelijkbaar is met de gevallen van tik- en schrijffouten. De nieuwe beschikking komt niet uit de lucht vallen, het daarop vermelde bedrag was immers ook vermeld op de aanslagen OZB. Dat moet belanghebbende zijn opgevallen. De gemeente maakt een tikfout. Men neemt bij vergissing het bedrag van 56 miljoen over.

-De rechtsvraag is of het aannemelijk is dat de gemeente een tik- of schrijffout heeft gemaakt bij de eerste herzieningsbeschikking. De rechtspraak overziende is sprake van een fout die belanghebbende redelijkerwijs bekend had kunnen zijn. Bij het opmaken van de eerste herzieningsbeschikking is een tikfout gemaakt.

-In het voorjaar van 2003 is de bezwaarfase inzake de primaire beschikking afgerond. Er is geconstateerd dat in de toekomst rekening moest worden gehouden met een tweetal wijzigingen van de onroerende zaak. Het betreft wijzigingen in de grote hal van de polikliniek en de koepel. De waarde moest met circa 3 miljoen worden verhoogd.

-Verder moest in verband met de naamswijziging de primaire beschikking worden aangepast. In dat verband is een en ander op een verkeerd formulier afgedrukt en verzonden. Zodoende leek een mutatiebeschikking, een beschikking op verzoek, met datum 27 juni 2003 te zijn afgegeven. Er was voor de duidelijkheid voor een andere lay-out dan de primaire beschikking gekozen. De mutatie van de naam, de beschikking, is op een verkeerd formulier verstuurd.

-De stukkenwisseling is duidelijk. Het is de bedoeling geweest keurig te schrijven wat er aan de hand was. Een en ander moet zichtbaar zijn geweest voor belanghebbende. Het bedrag van de mutatiebeschikking is precies hetzelfde als het bedrag dat in de uitspraak op bezwaar inzake de primaire beschikking is vastgesteld. Bij een mutatiebeschikking moet er een verschil in waarde te constateren zijn.

3.3. Belanghebbende concludeert dat er vanwege het ontbreken van een nieuw feit en het niet verschoonbaar handelen van de verweerder ten onrechte een herzieningsbeschikking is vastgesteld voor de onroerende zaak.

De verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Vaststaat dat de verweerder voor de onroerende zaak, gedagtekend 17 juni 2003, een beschikking met nummer 11111 met daarop vermeld een waarde van € 56.920.900,= heeft genomen. De verweerder heeft deze beschikking aan belanghebbende toegezonden. Hoewel deze beschikking, anders dan de primaire beschikking, is gesteld op naam van Stichting X volgt daar naar het hof van oordeel is niet uit dat sprake is van een geschrift dat enkel bedoeld is om de tenaamstelling van de primaire beschikking te wijzigen. In de beschikking is immers ondubbelzinnig als reden van toezending opgenomen: mutatie WOZ-waarde, terwijl ook overigens in de tekst van die beschikking op dezelfde wijze melding wordt gemaakt van een wijziging in de oorspronkelijke waarde. Verder is vermeld dat deze beschikking per 1 januari 2003 in de plaats treedt van de eerder genomen beschikking. Het vorenstaande heeft tot gevolg dat die beschikking moet worden aangemerkt als een beschikking afgegeven op grond van artikel 19 van de Wet WOZ.

4.2. Het in 4.1. gestelde betekent dat, zoals ook in geschil is, de herzieningsbeschikking enkel kan worden vastgesteld als voldaan is aan het bepaalde in artikel 27 van de Wet WOZ.

In artikel 27, eerste lid, van de Wet WOZ is bepaald dat de gemeenteambtenaar een vastgestelde beschikking kan herzien bij voor bezwaar vatbare beschikking, indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat de waarde te laag is vastgesteld. Een feit dat de gemeenteambtenaar bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor herziening opleveren.

4.3. In de memorie van toelichting bij de wet van 15 december 1994, Stb. 874, houdende algemene regels inzake de waardering van onroerende zaken (Kamerstukken II 1992/93, 26 885, nr. 3, blz. 20) is vermeld:

"Voor een dergelijke herziening wordt dezelfde eis gesteld als voor het opleggen van een navorderingsaanslag in art. 16, eerste lid, AWR, namelijk het aanwezig zijn van een (nieuw) feit. (...) Voor het antwoord op de vraag of een herziening van de aanvankelijk op een te laag bedrag vastgestelde waarde geoorloofd is, is het college van burgemeester en wethouders gebonden aan dezelfde normen als die in het fiscale recht gelden ten aanzien van de mogelijkheid tot navorderen op grond van art. 16, eerste lid, AWR. De aldaar gevormde jurisprudentie, met inbegrip van de daarin aangebrachte verzachting van de vereisten voor navordering als sprake is van een voor de belanghebbende kenbare schrijf- of tikfout, dan wel een daarmee gelijk te stellen fout, is van overeenkomstige toepassing op de herziening van de waardevaststellingsbeschikking. Een herziening van de beschikking zal derhalve uitsluitend plaats kunnen vinden in geval van een duidelijk voor de belanghebbende kenbare fout in de beschikking, zodat hij daaraan niet het vertrouwen kan ontlenen dat het college van burgemeester en wethouders hebben willen beslissen als uit de beschikking te lezen is, dan wel indien het college achteraf de beschikking krijgt over een gegeven dat het tijdens het nemen van de beschikking redelijkerwijs niet behoefde te kennen.".

4.4. De Hoge Raad heeft het vorenstaande in het arrest van 8 augustus 2003, nr. 37 570, V-N 2003/38.7, als volgt uitgewerkt:

"3.5. Artikel 16, lid 1, eerste volzin, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen behelst de hoofdregel dat indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag ten onrechte achterwege is gelaten of tot een te laag bedrag is vastgesteld, de inspecteur de te weinig geheven belasting kan navorderen.

De tweede volzin van dit artikellid bevat een uitzondering op die

hoofdregel: een feit dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is.

Indien echter een aanslag te laag is vastgesteld niet als gevolg van een verwijtbaar onjuist inzicht van de inspecteur in de feiten die bepalend zijn voor de (omvang van de) belastingplicht of van een onjuist inzicht van de inspecteur in het recht, maar als gevolg van een vergissing die heeft geleid tot een discrepantie tussen wat de inspecteur wilde en wat in het aanslagbiljet is vastgelegd, zoals bijvoorbeeld een schrijf-, reken-, overname-, of intoetsfout, en het voor de belastingplichtige redelijkerwijs kenbaar was dat bij de totstandkoming van de aanslag een fout was gemaakt - waarbij niet van belang is of tevens kenbaar was waarin de fout bestond -, is overeenkomstig de hoofdregel navordering toegestaan. Op aan het aanslagbiljet te ontlenen vertrouwen kan een belastingplichtige zich in een dergelijk geval niet met vrucht beroepen.".

4.5. De verweerder heeft in zijn brief van 25 september 2003 en in zijn uitspraak op bezwaar kenbaar gemaakt dat de toezending van de beschikking van 17 juni 2003 met nummer 11111 berust op een fout. De beschikking aangemaakt voor het verkrijgen van een juiste tenaamstelling had niet mogen worden uitgeprint en niet mogen worden verzonden. Verder geeft de verweerder aan dat de mutatiebeschikking met nummer 11112 wel was genomen, maar abusievelijk niet was verzonden. Dat laatste zou mede blijken uit het feit dat op de aanslagen OZB de nieuwe heffingsgrondslag wel vermeld was. Ook ter zitting brengt de verweerder naar voren dat de vermelding van het bedrag op de beschikking van 17 juni 2003 op een vergissing berust en wijst er nogmaals op dat het juiste bedrag van 59 miljoen wel, op zich blijkt later overigens ten onrechte, is opgenomen in de aanslagen OZB. Belanghebbende heeft het vorengaande niet, althans onvoldoende, weersproken. Haar stelling dat mogelijk geen controle is uitgeoefend, kan daar niet toe dienen. Ook de bekendheid van de verweerder met alle relevante feiten kan niet tot gevolg hebben dat in dezen geen sprake meer kan zijn van een vergissing. Het hof acht het maken van een vergissing in deze situatie van afdoening van het bezwaar tegen de oorspronkelijke beschikking, de noodzakelijke wijziging van tenaamstelling en de noodzakelijke mutatie van de waarde van de onroerende zaak ook voorstelbaar.

4.6. Op grond van het bovenstaande is het hof van oordeel dat aannemelijk is dat de vermelding van het bedrag op de beschikking van 17 juni 2003 niet berust op een verwijtbaar onjuist inzicht van de verweerder in de feiten die bepalend zijn voor de vaststelling van de waarde of een onjuist inzicht van de verweerder in het recht, maar het gevolg is van een vergissing die heeft geleid tot een discrepantie tussen wat de verweerder wilde en wat in de beschikking is vastgelegd. Het hof vindt hiervoor steun in het feit dat zowel in de uitspraak op bezwaar van 1 mei 2003 als in de beschikking van 17 juni 2003 duidelijk melding wordt gemaakt van een noodzakelijke mutatie van de waarde, die (ook voor belanghebbende) kenbaar is gerelateerd aan wijzigingen in de feitelijke situatie van de onroerende zaak. Enige wijziging in inzicht van de verweerder in de feiten en het recht is ook niet gesteld en/of gebleken.

4.7. Alsdan rest de vraag of het voor belanghebbende redelijkerwijs kenbaar was dat bij de totstandkoming van de beschikking een fout is gemaakt. Belanghebbende stelt in dit verband dat zij in redelijkheid niet aan de juistheid van de beschikking van 17 juni 2003 behoefde te twijfelen en dat het risico van een onjuiste beschikking, nu alle relevante feiten bekend waren, voor de verweerder dient te blijven.

Omdat het voor belanghebbende op geen enkele wijze kenbaar is geweest dat de beschikking van 17 juni 2003 op een fout berustte, mocht zij, zo stelt zij, er op vertrouwen dat de beschikking van 17 juni 2003 juist was.

Het hof stelt voorop dat, zoals de Hoge Raad oordeelde, het niet van belang is of voor belanghebbende tevens kenbaar was waarin de door de verweerder gemaakte fout bestond. Verder is er geen rechtsregel die er toe leidt dat bij bekendheid van de feiten het risico van een onjuiste beschikking in alle gevallen voor de verweerder is. Ook in zo'n geval moet worden bezien of het voor belanghebbende redelijkerwijs kenbaar was dat bij de totstandkoming van de beschikking een fout is gemaakt.

4.8. In het bij de uitspraak op bezwaar, gedagtekend 1 mei 2003, gevoegde advies is kenbaar gemaakt dat een mutatiebeschikking zal worden genomen. De wijziging is, aldus het advies, het gevolg van een mutatie in de grondoppervlakte en andere bouwkundige wijzigingen. De wijzigingen in de onroerende zaak zijn niet in geschil. In beschikking van 17 juni 2003 wordt aangegeven dat het gaat om een mutatiebeschikking, dat er een wijziging is in de oorspronkelijk vastgestelde waarde en dat de beschikking geldt vanaf 1 januari 2003. De op de beschikking gestelde waarde is echter exact gelijk aan de bij de uitspraak op bezwaar vastgestelde waarde. Gelet op het vorenstaande en gezien de korte tijdsspanne tussen de uitspraak op bezwaar en de datum van de mutatiebeschikking is het hof van oordeel dat het belanghebbende redelijkerwijs kenbaar was dat bij de totstandkoming van de beschikking een fout is gemaakt. Het hof merkt hierbij op dat uit de pleitnota blijkt dat belanghebbende zich ervan bewust is dat voor vaststelling van zo'n mutatiebeschikking moet worden voldaan aan drempels en voorwaarden. Verder is mede uit het door belanghebbende gestelde ter zitting af te leiden dat de vaststelling van de waarde (ook in 2003) nog de nodige aandacht heeft gehad. De wijzigingen in de onroerende zaak zijn tenslotte niet aan te merken als een incident van geringe omvang.

4.9. Belanghebbende, zo verstaat het hof haar, is van mening dat zij aan de uitspraken op bezwaar tegen de aanslagen OZB van 10 maart 2004 nu die aanslagen zijn verminderd uitgaande van een waarde van € 56.929.900,= het vertrouwen kan ontlenen dat de in de beschikking van 17 juni 2003 opgenomen waarde van de onroerende zaak juist is. Het gestelde in de uitspraken zou er op wijzen dat niet de beschikking van 17 juni 2003 op een fout berustte, maar kennelijk de beschikking van 12 maart 2004.

4.10. In het voornoemde bezwaar, met dagtekening 11 september 2003, wordt een beroep gedaan op de WOZ-beschikking met dagtekening 17 juni 2003. Verder wordt verzocht voor de aanslagen OZB uit te gaan van de op die beschikking vermelde waarde van € 56.920.000,=. Mede gezien het vorenstaande en in het bijzonder gelet op het gestelde in de brief de verweerder van 25 september 2003, is het hof van oordeel dat aan de uitspraak op bezwaar met dagtekening 10 maart 2004, welke verder geen enkele motivering bevat, niet het vertrouwen kan worden ontleend dat de beschikking van 17 juni 2003 definitief als juist had te gelden en dat geen andere waarde aan de orde zou zijn. Dat de waarde van € 56.920.900, = na daartegen gemaakt bezwaar ook geldt voor primaire beschikking doet daar niet aan af nu het in casu betreft een nader vast te stellen waarde per 1 januari 2003.

4.11. Gelet op het vorenstaande is het gelijk met betrekking tot de in geschil zijnde vraag aan de zijde van de verweerder.

5. Griffierecht

Het hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat aan belanghebbende het door haar betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk wordt vergoed.

6. Proceskosten

Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

7. Beslissing

Het hof verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan op 22 februari 2007 door G.D. van Norden, lid van voormelde Kamer, in tegenwoordigheid van Th.A.J. Kock, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en in afschrift aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak

overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het

volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het beroepschrift kan de Hoge Raad worden gevraagd de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.