Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2007:BA4970

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
07-02-2007
Datum publicatie
14-05-2007
Zaaknummer
03/01795
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Op 14 januari 1999 is belanghebbende -varkenshouder van beroep- uitgenodigd tot het doen van de verfijnde aangifte voor de mineralenheffingen en de bestemmingsheffing over het heffingsjaar 1998. Deze heffingen dienden vóór 1 september 1999 op aangifte te zijn voldaan. Belanghebbende heeft, ook niet na een door hem ontvangen herinnering en aanmaning, geen aangifte gedaan en ook niets betaald. Aan belanghebbende zijn daarop ambtshalve de onder 1.1 vermelde naheffingsaanslagen opgelegd. Belanghebbende is op 29 november 1999 per fax en op 3 december 1999 schriftelijk, derhalve tijdig, in bezwaar gekomen. [..] Het geschil betreft, na de verklaring ter zitting door de Inspecteur dat ook de resterende boetes kunnen vervallen, nog het antwoord op de volgende vraag: Is aan belanghebbende terecht een naheffingsaanslag fosfaatheffing opgelegd?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 03/01795

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch, eerste meervoudige Belastingkamer, op het beroep van de heer X te Y (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Inspecteur van het Bureau Heffingen te Z van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (hierna aan te duiden als: de Inspecteur) op het bezwaarschrift betreffende na te melden aanslagen.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende zijn voor het jaar 1998 de navolgende aanslagen, alle gedagtekend 15 november 1999, opgelegd:

een naheffingsaanslag bestemmingsheffing, aanslagnummer 000000000MB0000, van ƒ 400,-, met een verzuimboete wegens het niet doen van aangifte van ƒ 250,- en een verzuimboete wegens het niet betalen van de bestemmingsheffing van ƒ 400,-;

een naheffingsaanslag fosfaatheffing, aanslagnummer 000000000MF0000, van ƒ 82.420,-, met een verzuimboete voor het niet doen van aangifte van ƒ 250,- en een verzuimboete wegens het niet betalen van de verschuldigde heffing van ƒ 10.000,-;

een naheffingsaanslag stikstofheffing, aanslagnummer 000000000MS0000, van ƒ 28.594,-, met een verzuimboete voor het niet doen van aangifte van ƒ 250,- en een verzuimboete wegens het niet betalen van de verschuldigde heffing van ƒ 10.000,-.

De naheffingsaanslagen zijn bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar, gedagtekend 5 november 2002, als volgt verminderd:

de naheffingsaanslag bestemmingsheffing is teruggebracht tot nihil, evenals de verzuimboete wegens het niet betalen van die heffing; de verzuimboete wegens het niet doen van aangifte voor die heffing ad

ƒ 250,- is gehandhaafd;

de naheffingsaanslag fosfaatheffing is verminderd tot ƒ 4.275,-, de verzuimboete wegens het niet doen van aangifte voor die heffing is gehandhaafd en de verzuimboete wegens het niet betalen van die heffing is verminderd tot ƒ 428,-;

de naheffingsaanslag stikstofheffing is teruggebracht naar nihil, evenals de verzuimboete wegens het niet betalen van die heffing; de verzuimboete wegens het niet doen van aangifte voor die heffing is gehandhaafd op ƒ 250,-.

1.2. Belanghebbende is tegen die uitspraken waarbij de desbetreffende naheffingsaanslag of boete niet is verminderd tot nihil in beroep gekomen bij het hof.

Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 31,00.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.3. Belanghebbende heeft, na daartoe door het hof in de gelegenheid te zijn gesteld, een conclusie van repliek ingediend; de Inspecteur heeft een conclusie van dupliek ingediend.

1.4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 3 november 2006 te 's-Hertogenbosch.

Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

1.5. Belanghebbende en de Inspecteur hebben te dezer zitting ieder een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de wederpartij. Het hof rekent deze pleitnota's tot de stukken van het geding.

1.6. Het hof heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende vast:

2.1. Op 14 januari 1999 is belanghebbende -varkenshouder van beroep- uitgenodigd tot het doen van de verfijnde aangifte voor de mineralenheffingen en de bestemmingsheffing over het heffingsjaar 1998. Deze heffingen dienden vóór 1 september 1999 op aangifte te zijn voldaan.

2.2. Belanghebbende heeft, ook niet na een door hem ontvangen herinnering en aanmaning, geen aangifte gedaan en ook niets betaald.

2.3. Aan belanghebbende zijn daarop ambtshalve de onder 1.1 vermelde naheffingsaanslagen opgelegd. Belanghebbende is op 29 november 1999 per fax en op 3 december 1999 schriftelijk, derhalve tijdig, in bezwaar gekomen. Bij dit bezwaarschrift heeft belanghebbende alsnog de door hem ingevulde jaaropgaaf bij beperkte vrijstelling voor het jaar 1998 ingeleverd. Volgens deze opgave is er bij belanghebbendes bedrijf uitsluitend sprake van een aanvoer van 1463 kilogram fosfaat, belanghebbende doet geen aangifte van aanvoer van stikstof.

2.4. De Inspecteur heeft op 5 november 2002 uitspraak op bezwaar gedaan en daarbij de naheffingsaanslagen verminderd zoals hiervoor vermeld onder 1.1. De Inspecteur heeft zich bij het doen van uitspraak op bezwaar gebaseerd op de volgende gegevens:

Belanghebbendes bedrijf beschikt over 5 hectare grasland en 10 hectare bouwland.

Aangevoerd is, volgens de bemonsterde en geanalyseerde geregistreerde aanvoer volgens de afleveringsbewijzen, 1965 kg fosfaat en 3069 kilogram stikstof.

2.5. Belanghebbende stelt in beroep dat een aantal afleveringsbewijzen niet door hem is ondertekend en dat de op deze afleveringsbewijzen vermelde hoeveelheden daarom niet mogen meegenomen in de berekening van de door hem verschuldigde heffingen.

2.6. Op alle tot de gedingstukken behorende afleveringsbewijzen staat aangegeven dat de betreffende partij mest is bemonsterd; de uitslag van deze analyse wordt standaard door het betrokken laboratorium gezonden aan de leverancier en de afnemer van de betrokken partij mest. Als afnemer wordt daarbij het in rubriek 2 van het afleveringsbewijs genoemde bedrijf beschouwd.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft, na de verklaring ter zitting door de Inspecteur dat ook de resterende boetes kunnen vervallen, nog het antwoord op de volgende vraag:

Is aan belanghebbende terecht een naheffingsaanslag fosfaatheffing opgelegd?

Belanghebbende is van oordeel dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

Partijen zijn het er ter zitting over eens geworden dat indien deze vraag bevestigend moet worden beantwoord, de betreffende naheffingsaanslag moet worden gehandhaafd.

Belanghebbende verzoekt om vergoeding van de (werkelijke) kosten die hij heeft moeten maken in de bezwaarfase; tevens verzoekt hij om vergoeding van de (werkelijke) kosten van de beroepsfase.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Ter zitting hebben zij hieraan nog het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd:

Belanghebbende

De mestbon is het enige bewijs en die moet zijn voorzien van twee geldige handtekeningen en daar is hier geen sprake van.

Anders dan gesteld op pagina 3, midden, van belanghebbendes pleitnota, kan de mest wel geleverd zijn, maar belanghebbende ontkent dat hij daarvoor toestemming heeft gegeven. Het in 1998 gehanteerde systeem deugt niet.

Hoewel de betwiste partijen mest bemonsterd zijn, heeft belanghebbende met betrekking tot die partijen nimmer een analyseverslag ontvangen. Ter zake van die verslagen heeft belanghebbende dan ook nooit actie ondernomen.

De Inspecteur

Het gebeurt vaak dat als de mest wordt afgeleverd er iemand die op het bedrijf aanwezig is voor ontvangst tekent.

3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de bestreden uitspraken en van de naheffingsaanslag in de fosfaatheffing en de resterende boetes. De Inspecteur concludeert tot gegrondverklaring van het beroep voor zover dat betrekking heeft op de resterende boetes en tot ongegrondverklaring van het beroep voor wat betreft de fosfaatheffing.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Belanghebbende stelt in zijn conclusie van repliek dat de Nederlandse Meststoffenwet volgens het Europese Hof van Justitie niet voldeed aan de "Europese Nitraatrichtlijn van 10 jaar terug".

Wat er zij van deze grief, het staat de rechter niet vrij de wet te toetsen; het ligt op de weg van de wetgever om de door het Europese Hof geconstateerde gebreken te herstellen en inmiddels heeft de wetgever de Meststoffenwet zoals die gold in 1998 vervangen door andere wetgeving. Het Hof verwerpt daarom deze grief.

4.2. Vaststaat dat belanghebbende als bijlage tot zijn bezwaarschrift tegen de ambtshalve vastgestelde naheffingsaanslagen aangifte heeft gedaan van een aanvoer op zijn bedrijf in het jaar 1998 van 1463 kilogram fosfaat.

Vaststaat tevens dat de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar aan de hand van door hem ontvangen (kopieën van) afleveringsbewijzen dierlijke meststoffen de naheffingsaanslag fosfaatheffing heeft verminderd tot een naar een aanvoer in het onderhavige jaar van 1965 kilogram fosfaat op het bedrijf van belanghebbende.

Met deze (aanzienlijke) verminderingen heeft de Inspecteur de ambtshalve opgelegde aanslagen verlaagd tot een niveau dat in overeenstemming is met het niveau waarop zich de inhoudelijke discussie met belanghebbende afspeelt. Gelet op het feit dat de ambtshalve aanslagen het gevolg waren van het niet doen van aangifte door belanghebbende en het feit dat bij uitspraak op bezwaar deze aanslagen aanzienlijk zijn verminderd, verwerpt het hof de grief van belanghebbende dat er sprake zou zijn van onbehoorlijk bestuur en willekeur.

4.3. Belanghebbende beklaagt zich over de lange termijn die de Inspecteur heeft genomen alvorens uitspraak op bezwaar te doen.

Belanghebbende heeft geen gebruik gemaakt van zijn recht om tegen het uitblijven van een uitspraak op bezwaar overeenkomstig artikel 6:12 Algemene wet bestuursrecht beroep aan te tekenen. Belanghebbendes beroep op termijnoverschrijding kan niet leiden tot vernietigen van de aanslagen; het hof verwerpt dan ook deze grief.

Belanghebbende heeft in zijn bezwaarschrift niet verzocht om een proceskostenvergoeding; ingevolge artikel 7:28, derde lid, eerste volzin, Algemene wet bestuursrecht moet een verzoek om vergoeding van de kosten gedaan zijn voordat op het bezwaar is beslist. Gelet hierop wijst het hof belanghebbendes verzoek om vergoeding voor de kosten van bezwaar af.

4.4. Belanghebbende betwist van vijf door de Inspecteur bij de berekening van de naheffingsaanslag fosfaatheffing gehanteerde afleveringsbewijzen dat hij op deze afleveringsbewijzen getekend heeft voor ontvangst en stelt dat de betreffende handtekeningen zijn vervalst. Op de door belanghebbende betwiste afleveringsbewijzen staat als afleveringsadres het adres van belanghebbendes bedrijf.

Belanghebbende betwist niet de mogelijkheid dat de betreffende mestleveringen daadwerkelijk op zijn bedrijf hebben plaatsgevonden maar stelt dat die leveringen dan zonder zijn toestemming zijn geschied en vindt dat de vijf betreffende afleveringsbewijzen daarom niet betrokken mogen worden in de berekening van de op zijn bedrijf aangevoerde mest omdat ze niet zijn voorzien van zijn eigen handtekening.

4.5. Het hof verwerpt belanghebbendes stelling dat mestleveringen die zijn vermeld op afleveringsbewijzen waarop voor ontvangst is getekend door een ander dan belanghebbende buiten beschouwing dienen te blijven bij de berekening van de op belanghebbendes bedrijf aangevoerde kilogrammen fosfaat, omdat grondslag voor de fosfaatheffing is de in enig jaar op het bedrijf aangevoerde kilogrammen fosfaat en de Inspecteur, gelet op het hierna overwogene, aannemelijk maakt dat ook de op de betwiste afleveringsbewijzen vermelde hoeveelheid mest is afgeleverd op het bedrijf van belanghebbende, dit ondanks het feit dat de op die bewijzen voorkomende handtekeningen niet gezet zijn door belanghebbende zelf en belanghebbende stelt dat die leveringen dan niet met zijn toestemming zijn geschied.

4.6. Het hof is van oordeel dat, gelet op hetgeen onder 2.6 is vermeld, belanghebbende ook van de vijf door hem betwiste mestleveringen een analyse door het laboratorium van de afgeleverde mest moet hebben ontvangen; voor dat geval is niet in geschil dat belanghebbende naar aanleiding van de ontvangst van die analyses geen actie heeft ondernomen, hoewel hij op het moment dat hij deze analyses ontving moest weten dat de betreffende mestleveringen bij het Bureau Heffingen als op zijn naam afgeleverde mest te boek zouden worden gesteld.

4.7. Belanghebbende betwist slechts de echtheid van de handtekening op het afleveringsbewijs, maar maakt, tegenover de gemotiveerde stelling van de Inspecteur, niet aannemelijk dat de betreffende mest niet is afgeleverd op zijn bedrijf. Het hof hecht daarbij tevens waarde aan het door de Inspecteur gestelde en door belanghebbende niet weersproken feit dat, in de jaren na 1998, zoals de heffingsjaren 1999, 2000 en 2002 op de in die jaren uitgeschreven mestafleveringsbewijzen eveneens verschillende handtekeningen voorkomen en belanghebbende desondanks de betreffende mestafleveringsbewijzen heeft begrepen in zijn aangiften voor die jaren.

4.8. Gelet op het vorenstaande is het gelijk met betrekking tot de in geschil zijnde vraag aan de zijde van de Inspecteur, zodat moet worden beslist als hierna is vermeld.

5. Griffierecht

De omstandigheid dat het beroep voor wat betreft de resterende boetes gegrond is, brengt, gelet op het bepaalde in artikel 8:74, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, met zich dat aan belanghebbende het door deze betaalde griffierecht dient te worden vergoed.

6. Proceskosten

Nu het beroep gegrond is, acht het hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep bij het hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

Het hof stelt deze kosten, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, op 2,5 (punten wegens proceshandelingen) x € 322,= (waarde per punt) x 1,5 (gewicht van de zaak) is € 1.207,50 en slaat, mede gelet op het onder 4.3 overwogene, geen acht op de voor het overige door belanghebbende geclaimde kosten.

8. Beslissing

Het hof verklaart het beroep gegrond voor wat betreft de boetes en ongegrond voor wat betreft de fosfaatheffing;

vernietigt de bestreden uitspraken inzake de boetes, alsmede de desbetreffende boetebeschikkingen;

gelast dat aan belanghebbende het door deze betaalde griffierecht ad € 31,-- wordt vergoed;

veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1.207,50, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die het griffierecht en de proceskosten aan belanghebbende moet vergoeden.

Aldus gedaan op 7 februari 2007 door G.J. van Muijen, voorzitter, T. Blokland en J.A. Meijer, leden, in tegenwoordigheid van R.O.J.M. de Windt, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 7 februari 2007

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het beroepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.