Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2007:BA4898

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
23-04-2007
Datum publicatie
11-05-2007
Zaaknummer
R200601090
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hof ’s-Hertogenbosch, 23 april 2007, R200601090:

Betreft behoefte jongmeerderjarige dochter en redelijke verdeling draagkracht man over het minderjarige en het meerderjarige kind, gelet op persoonsgebonden aftrek en verschil in behoefte.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 394
Burgerlijk Wetboek Boek 1 404
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2007/100
RFR 2007, 88

Uitspraak

WvR

23 april 2007

Rekestenkamer

Rekestnummer R200601090

Zaaknummer eerste aanleg 72092 / FA RK 06-243

GERECHTSHOF TE ’S-HERTOGENBOSCH

Beschikking

In de zaak in hoger beroep van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: de man,

procureur mr. Ph.C.M. van der Ven,

t e g e n

[Y.],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: de vrouw,

procureur mr. R.J.H. van der Dungen.

Belanghebbende in deze zaak is:

[A.], geboren op [geboortejaar],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: [A.].

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Roermond van 28 juni 2006, waarvan de inhoud bij partijen bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 21 september 2006, heeft de man verzocht – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad - voormelde beschikking gedeeltelijk te vernietigen als zijnde onjuist en ongegrond en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat de behoefte van de kinderen van partijen € 80,- per kind per maand bedraagt en dat de man financieel niet in staat mag worden geacht enig bedrag ten behoeve van de verzorging en opvoeding van de kinderen te voldoen en derhalve te bepalen dat de onderhoudsbijdrage wordt gesteld op nihil, kosten rechtens.

De man heeft het door hem gedane verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de beschikking waarvan beroep ter zitting ingetrokken.

2.2. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 3 november 2006, heeft de vrouw verzocht de door de man opgevoerde grieven, dan wel het door de man opgevoerde verweer ongegrond te verklaren, alsmede de bestreden beschikking te bevestigen.

2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 5 maart 2007. Bij die gelegenheid zijn partijen en hun advocaten gehoord.

2.5. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

-de producties, overgelegd bij het beroepschrift en het verweerschrift;

-de brief van de advocaat van de vrouw van 27 februari 2007 met als bijlage een schriftelijke procesvolmacht van [A.] van 27 februari 2007;

-de door de man ter zitting overgelegde concept jaarstukken over 2006;

-de brief met bijlagen van de advocate van de vrouw van 12 maart 2007;

-de brief van de advocate van de man van 13 maart 2007.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift.

4. De beoordeling

4.1. Partijen zijn op 19 september 1986 te [plaatsnaam], thans gemeente [gemeentenaam], gehuwd. Uit dit huwelijk zijn de thans meerderjarige [A.] (op [geboortejaar] te [geboorteplaats]) en de thans nog minderjarige [B.] (op [geboortejaar] te [geboorteplaats]) geboren.

4.2. De vrouw heeft in eerste aanleg de rechtbank verzocht de echtscheiding tussen partijen uit te spreken. Tevens heeft de vrouw, voor zover thans van belang, verzocht aan de man een onderhoudsbijdrage ten behoeve van [A.] en [B.] van € 300,- per kind per maand op te leggen. De man heeft in eerste aanleg geen verweer gevoerd.

4.3. Bij beschikking waarvan beroep heeft de rechtbank Roermond conform voornoemde verzoeken van de vrouw de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en ten laste van de man een onderhoudsbijdrage ten behoeve van de kinderen vastgesteld van € 300,- per kind per maand. De bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [A.] is per 28 september 2006 van rechtswege gewijzigd in een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud en studie.

De man kan zich voor wat betreft de vastgestelde onderhoudsbijdrage niet vinden in voornoemde beschikking en komt hiertegen op.

4.4. De grieven van de man hebben betrekking op de behoefte van [A.] en [B.] en op zijn draagkracht tot betaling van een onderhoudsbijdrage.

De man heeft in zijn beroepschrift ook verzocht om de uitvoerbaar verklaring bij voorraad van de bestreden beschikking te schorsen, maar hij heeft dit verzoek ter zitting ingetrokken.

Ingangsdatum alimentatie

4.5. De rechtbank heeft in haar beschikking geen ingangsdatum voor de door de man te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve van [A.] en [B.] genoemd. Het hof gaat ervan uit dat de bijdrage ingaat op de gebruikelijke ingangsdatum, te weten de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. Partijen hebben ten aanzien de ingangsdatum geen grieven geformuleerd, zodat het hof ook in hoger beroep de eventueel door de man te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve van [A.] en [B.] zal laten ingaan op de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking.

Ten tijde van de mondelinge behandeling in hoger beroep was de echtscheidingsbeschikking nog niet ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Behoefte

4.6. De behoefte van de kinderen aan de verzochte en vastgestelde bijdrage van

€ 300,- per kind per maand is in hoger beroep in geschil.

4.7. De man betwist primair dat de behoefte van de kinderen € 300,- per kind per maand bedraagt. De man voert daarbij aan dat gedurende de laatste jaren van het huwelijk van partijen alleen hij inkomsten had uit zijn eenmanszaak, [C.], waarin de vrouw meehielp. De winst van deze eenmanszaak bedroeg in 2004 € 17.783,- en in 2005 € 15.746,-, aldus de man. Deze resultaten gemiddeld leveren een netto maandinkomen op van € 1.282,82 per maand in 2005 en rekening houdend met de Tabel eigen aandeel kosten kinderen dient de behoefte van de kinderen volgens de man te worden bepaald op € 190,- per maand, ofwel € 80,- per kind per maand.

4.8. De vrouw brengt tegen het voorgaande naar voren dat het de kinderen tijdens het huwelijk in financiële zin aan niets heeft ontbroken. Zij betwist met klem dat het gezin voor de echtscheiding een sobere levensstijl c.q. levensstandaard heeft gehad. De vrouw is van mening dat de feitelijke kosten van [A.] en [B.] respectievelijk € 493,11 (exclusief schoolkosten) per maand en € 371,30 per maand bedragen.

4.9. Voor de bepaling van de behoefte van de minderjarige [B.] sluit het hof aan bij hetgeen is overwogen in het Rapport Werkgroep Alimentatienormen 2006 (het Trema-rapport). Ingevolge dit rapport dient de behoefte van een minderjarig kind aan een onderhoudsbijdrage te worden bepaald aan de hand van het netto besteedbaar gezinsinkomen tijdens het huwelijk.

4.10. Tussen partijen staat vast dat gedurende de laatste jaren van hun huwelijk alleen de man inkomsten had. Tevens is komen vast komen te staan dat partijen in 2005 feitelijk uit elkaar zijn gegaan.

Ter bepaling van het toenmalige netto besteedbaar gezinsinkomen van partijen acht het hof het redelijk de winst van de man uit hoofde van zijn eenmanszaak over 2004 en 2005 te middelen. Blijkens de jaarstukken over 2005 bedroeg de winst in 2004 € 17.783,- en in 2005 € 15.746,-. Het hof heeft opgemerkt dat de post ‘afschrijvingen materiële vaste activa’ zowel voor 2004 als voor 2005 een hoog bedrag betreft, te weten respectievelijk € 9.400,- en € 9.659,-. Het is het hof gebleken dat deze post voornamelijk betrekking heeft op afschrijvingen op het pand waarin de fotozaak van de man gevestigd is.

Op een onroerende zaak wordt over het algemeen afgeschreven in verband met het feit dat, rekening houdend met een bepaalde levensduur, de onroerende zaak te zijner tijd moet worden vervangen, ongeacht of dit ook daadwerkelijk zal plaatsvinden. De man heeft desgevraagd echter niet betwist dat het pand waarin zijn fotozaak is gevestigd, in waarde is gestegen. Uit de jaarstukken blijkt dat het pand daarin is opgenomen tegen de aanschafwaarde, zodat het hof ervan uitgaat dat er een discrepantie bestaat tussen de werkelijke waarde en de boekwaarde van het pand en dat dus sprake is van een stille reserve. Het is niet onredelijk om waardestijging buiten beschouwing te laten, als vervanging ook duurder is geworden. Indien echter daarnaast ook afschrijvingen worden toegepast, wordt de stille reserve onnodig vergroot. Het hof acht het dan ook niet aannemelijk dat de in de jaarstukken genoemde afschrijvingen op het pand noodzakelijk zijn. De stelling van de man dat het een 200 jaar oud pand betreft met achterstallig onderhoud kan hieraan niet afdoen, nu niet is gesteld of gebleken dat er in werkelijkheid onderhoudskosten gemaakt of te maken zijn. Gelet hierop en op de niet, althans onvoldoende weersproken verklaring van de vrouw ter zitting dat partijen tijdens het huwelijk altijd ruim hebben kunnen leven van de fotozaak, acht het hof het niet onredelijk om de afschrijvingen op het bedrijfspand mee te nemen bij de vaststelling van het netto besteedbaar gezinsinkomen tijdens huwelijk. Hieruit volgt dat het hof voor 2004 rekening houdt met een winst van € 27.183,- (€ 17.783,- vermeerderd met € 9.400,-) en voor 2005 met een winst van € 25.405,- (€ 15.746,- vermeerderd met € 9.659,-), hetgeen een gemiddelde winst over die jaren oplevert van € 26.294,-.

4.11. Voornoemd bedrag resulteert in een netto besteedbaar gezinsinkomen van € 2.028,- per maand. Hierbij is in fiscaal opzicht rekening genomen met de algemene heffingskorting, de arbeidskorting, een zelfstandigenaftrek van € 6.425,-, een hypotheekrente van € 6.000,- op jaarbasis, een eigenwoningforfait van € 1.086,- en de verschuldigde inkomstenbelasting. Uitgaande van voornoemd netto besteedbaar gezinsinkomen en rekening houdend met de tabel ‘eigen aandeel kosten kinderen’ 2005 bij 0 punten becijfert het hof de behoefte van [B.] op een bedrag van € 200,- per maand. Deze behoefte bedraagt ingevolge de wettelijke indexering per 1 januari 2007 € 205,43 per maand.

4.12. Voor de behoefte van de inmiddels meerderjarige [A.] wordt aangesloten bij de door de Informatie Beheer Groep gehanteerde normbedragen voor een thuiswonende mbo-student. Voor 2007 dient de behoefte van [A.] dan vastgesteld te worden op € 518,92 per maand. Hierin is reeds een bedrag begrepen voor de door [A.] te betalen premie zorgverzekering. Nu de vrouw de premie zorgverzekering voor [A.] voldoet (zie hierna), brengt het hof deze premie (€ 138,15 minus € 36,- aan zorgtoeslag = € 102,15 per maand) in mindering op voornoemde behoefte. De behoefte van [A.] bedraagt dan € 416,77 per maand. Blijkens het Bericht Studiefinanciering van 13 oktober 2006, overgelegd namens de vrouw bij brief van 12 maart 2007, ontvangt [A.] in 2007 een basisbeurs van € 71,57 per maand, welk bedrag eveneens in mindering dient te worden gebracht op voornoemde behoefte. Het voorgaande betekent dat [A.] in ieder geval behoefte heeft aan de verzochte bijdrage van € 300,- per maand.

Draagkracht

4.13. De man stelt dat zijn draagkracht ontoereikend is om de hem opgelegde onderhoudsbijdrage ten behoeve van [A.] en [B.] te kunnen voldoen. De man stelt voorts dat de vrouw eveneens in staat dient te worden geacht om een bijdrage te leveren in de kosten van de kinderen.

4.14. Het hof zal de financiële situaties van partijen met elkaar vergelijken om ieders aandeel in de kosten van de kinderen te bepalen.

Financiële situatie van de man

4.15. Met betrekking tot de financiële situatie van de man gaat het hof uit van de navolgende gegevens. Voor zover die gegevens in hoger beroep zijn betwist, zal het hof daarop gemotiveerd ingaan bij het desbetreffende onderdeel.

a. Inkomen van de man

De man is in zijn draagkrachtberekening uitgegaan van een bedrijfsresultaat van € 15.746,- op jaarbasis, zoals ook vermeld in de jaarstukken over 2005. De man stelt dat dit inkomen in 2006 naar alle waarschijnlijkheid aanzienlijk zal zijn gedaald, nu de fotografiewinkel niet meer tijdens winkeltijden steeds open kan zijn. Voorheen hielp de vrouw in de winkel als de man onderweg was in verband met het maken van reportages, maar de onderneming van de man is naar zijn zeggen financieel niet in staat om personeel in dienst te nemen om de winkel bij zijn afwezigheid open te houden.

De vrouw betwist de hoogte van de door de man opgevoerde winst en de stelling van de man dat de omzet in 2006 aanzienlijk zou zijn gedaald.

Het hof overweegt als volgt.

De man heeft ter zitting de concept jaarstukken over 2006 in het geding gebracht. Uit deze jaarstukken blijkt een winst over 2006 van € 20.451,-. Gelet op de hoogte van de winst in 2005 (€ 15.746,-) kan niet gezegd worden dat de winst in 2006 aanzienlijk is gedaald ten opzichte van 2005, integendeel.

Het hof gaat bij de bepaling van de draagkracht van de man tot betaling van een onderhoudsbijdrage uit van de gemiddelde winst over de jaren 2004, 2005 en 2006. In de jaarstukken over 2006 is een post van € 9.300,- opgenomen ter zake van afschrijvingen op het bedrijfspand. Gelet op hetgeen het hof in rechtsoverweging 4.10 heeft overwogen ten aanzien van de afschrijvingen op het bedrijfspand van de man, vermeerdert het hof ook in het kader van de berekening van de draagkracht van de man de winst met deze afschrijvingen. Hieruit volgt dat voor 2004 en 2005 rekening zal worden gehouden met de in rechtsoverweging 4.10 genoemde bedragen van respectievelijk € 27.183,- (€ 17.783,- vermeerderd met € 9.400,-) en € 25.405,- (€ 15.746,- vermeerderd met € 9.659,-). Voor 2006 zal rekening worden gehouden met een totale winst van € 29.751,- (€ 20.451,- vermeerderd met € 9.300,-). Voornoemde bedragen resulteren in een gemiddelde winst van € 27.446,33. Op grond hiervan becijfert het hof het netto besteedbaar inkomen van de man op € 2.136,- per maand. Hierbij is in fiscaal opzicht rekening gehouden met de algemene heffingskorting, de arbeidskorting, een zelfstandigenaftrek van € 6.916,-, een hypotheekrente van € 6.000,- op jaarbasis, een eigenwoningforfait van € 1.086,- en de verschuldigde inkomstenbelasting.

b. Lasten van de man

-Normbedrag WWB exclusief de woonkostencomponent voor een zelfstandig wonende alleenstaande, inclusief de maximale toeslag, ter voorziening in de noodzakelijke kosten van levensonderhoud;

-Woonlasten: de man voert als woonlasten € 500,- per maand aan hypotheekrente, € 218,45 per maand aan premie levensverzekering, alsmede € 95,- per maand aan forfaitaire eigenaarslasten op.

De vrouw is van mening dat sprake is van een onredelijke hoge woonlast en dat om die reden de door de man opgevoerde woonlasten gekort dienen te worden. Daarnaast wenst zij verificatoire bescheiden te zien, waaruit blijkt dat de door de man opgevoerde levensverzekering gekoppeld is aan de hypothecaire lening.

Het hof overweegt dat de man ter zitting onweersproken naar voren heeft gebracht dat de door hem opgevoerde hypotheekrente zowel op de woning als op het bedrijfspand betrekking heeft. Uit de jaarstukken over 2005 en de concept jaarstukken over 2006 leidt het hof af dat de hypotheekrente niet ten laste van het resultaat van de fotozaak van de man is gebracht, ook niet voor wat betreft het zakelijke gedeelte daarvan. Het hof acht het dan ook redelijk om met de volledige hypotheekrente van € 500,- per maand rekening te houden en zal, voor zover er al inclusief de premie levensverzekering (zie hierna) sprake zou zijn van een onredelijke woonlast, hierop geen korting toepassen.

Het hof neemt voorts in aanmerking dat op het door de man bij zijn beroepschrift overgelegde bankafschrift van 6 juni 2006 de premie levensverzekering omschreven wordt als ‘prolongatie-premie inzake uw ABN AMRO meegroeihypotheek’. Gelet op het feit dat uit hetzelfde bankafschrift blijkt dat de hypothecaire lening is afgesloten bij de ABN AMRO bank, kan uit het voorgaande naar het oordeel van het hof genoegzaam worden afgeleid dat de door de man opgevoerde premie levensverzekering gekoppeld is aan de hypothecaire lening. Met deze premie zal daarom eveneens rekening worden gehouden;

-Ziektekosten: het hof houdt rekening met een zorgpremie van € 85,- per maand en een inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet van

€ 75,28 per maand (uitgaande van 4,4 % op jaarbasis van een gemiddelde winst over 2004 tot en met 2006 van € 27.446,-, verminderd met de zelfstandigenaftrek);

-Omgangskosten: de man heeft ter zitting niet, althans onweersproken verklaard dat hij wekelijks omgang met [B.] heeft op vrijdag, zaterdag en woensdag. Partijen zijn het er ter zitting over eens geworden dat voor wat betreft de hieraan verbonden kosten een bedrag van € 40,- per maand in aanmerking genomen kan worden, zodat het hof met dit bedrag rekening zal houden;

4.15. Op grond van bovenstaande inkomsten en lasten heeft de man een draagkrachtruimte van € 454,- per maand, waarvan 60 % beschikbaar is voor alimentatie (€ 272,- per maand).

Financiële situatie van de vrouw

4.16. Met betrekking tot de financiële situatie van de vrouw gaat het hof uit van de navolgende gegevens. Voor zover die gegevens in hoger beroep zijn betwist, zal het hof daarop gemotiveerd ingaan bij het desbetreffende onderdeel.

a.Inkomen van de vrouw

Vast is komen te staan dat de vrouw via het uitzendbureau 30 uur per week werkzaam is. Namens de vrouw is in de bij brief van 12 maart 2007 overgelegde draagkrachtberekening een inkomen uit arbeid opgevoerd van € 851,- netto per maand inclusief vakantiegeld. Echter, uit de overgelegde salarisspecificaties over de weken 46 tot en met 52 van 2006 blijkt een gemiddeld maandsalaris van € 1.173,85 netto per maand exclusief vakantiegeld en uit de overgelegde salarisspecificaties over de weken 1 tot en met 4 blijkt (omgerekend) een maandsalaris van € 1.101,92 netto per maand exclusief vakantiegeld. Dit komt ook overeen met de verklaring van de vrouw ter zitting dat zij met haar uitzendwerk gemiddeld € 1.000,- à € 1.100,- netto per maand verdient. Het hof houdt dan ook aan de zijde van de vrouw rekening met een inkomen van € 1.100,- netto per maand, te vermeerderen met vakantiegeld.

b.Lasten van de vrouw

-Normbedrag WWB exclusief de woonkostencomponent voor een zelfstandig wonende alleenstaande, inclusief de maximale toeslag, ter voorziening in de noodzakelijke kosten van levensonderhoud;

-Woonlasten: het hof neemt een huur van € 406,23 per maand in aanmerking, welke huur blijkt uit de overgelegde brief van Woningstichting St. Urbanus van 13 april 2006. Hierop brengt het hof de door de vrouw in 2007 maandelijks te ontvangen huurtoeslag van € 186,- per maand in mindering, zodat rekening gehouden wordt met een totaal bedrag aan woonlasten van

€ 220,23 per maand;

-Ziektekosten: de vrouw voert in de door haar overgelegde draagkrachtberekening een totaal bedrag van € 276,- per maand op. Dit bedrag is opgebouwd uit een zorgpremie voor haarzelf van € 138,15 per maand en uit een zorgpremie voor [A.] van eveneens € 138,15 per maand, zoals ook blijkt uit de bijgevoegde zorgpolissen van haar en [A.] van 2007. Het hof acht het redelijk om de premie voor [A.] in aanmerking te nemen bij de bepaling van de draagkracht van de vrouw, nu zij bij de vrouw inwoont en de vrouw hierdoor automatisch de meeste kosten van [A.] voor haar rekening neemt. Het hof gaat er daarbij wel van uit dat [A.] recht heeft op de maximale zorgtoeslag van € 36,- per maand, aangezien zij een voltijd opleiding volgt en zij daarnaast, voor zover het hof bekend is, geen inkomsten heeft. Het hof houdt aldus rekening met een bedrag van € 240,- per maand aan ziektekosten (€ 276,- minus € 36,-).

4.17. Op grond van bovenstaande inkomsten en lasten heeft de vrouw een draagkrachtruimte van € 26,- per maand, waarvan 60 % (€ 18,- per maand) beschikbaar is voor de kosten van de kinderen.

Draagkrachtvergelijking

4.18. Nu de totale draagkracht van partijen (€ 298,- per maand) de behoefte van [A.] en [B.] tezamen niet overschrijdt, ziet het hof aanleiding om de man als niet-verzorgende ouder tot de grens van zijn draagkracht alimentatie voor beide kinderen op te leggen. Dit heeft tot gevolg dat de vrouw, voor zover mogelijk, de overige kosten van [A.] en [B.] zal moeten dragen.

Voor wat betreft de verdeling van de draagkracht van de man over [A.] en [B.] neemt het hof in aanmerking dat de man recht heeft op een persoonsgebonden aftrek, indien de bijdrage van [B.] wordt bepaald op een bedrag van tenminste

€ 131,- per maand. Het hof acht het redelijk om de bijdrage van [B.] op dit bedrag vast te stellen en het overige gedeelte van de draagkracht van de man vast te stellen als bijdrage voor [A.], mede gelet op het feit dat de behoefte van [A.] thans hoger is dan de behoefte van [B.].

De man voldoet dan feitelijk een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [B.] van € 86,- netto per maand (€ 131,- minus € 45,-), zodat er € 272,- minus € 86,- = € 186,- per maand voor [A.] resteert.

4.19. De bestreden beschikking van de rechtbank dient aldus te worden vernietigd voor wat betreft de daarbij vastgestelde onderhoudsbijdragen ten behoeve van [A.] en [B.].

5. De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Roermond van 28 juni 2006, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en uitsluitend voor wat betreft de daarbij vastgestelde onderhoudsbijdragen ten behoeve van de kinderen van partijen;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

bepaalt dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [B.], geboren op [geboortejaar] te [geboorteplaats], zal voldoen een bedrag van € 131,- per maand met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, voor wat de nog niet verschenen termijnen betreft te voldoen bij vooruitbetaling;

bepaalt dat de man als bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van de jongmeerderjarige [A.], geboren op [geboortejaar] te [geboorteplaats], aan deze zal voldoen een bedrag van € 186,- per maand met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, voor wat de nog niet verschenen termijnen betreft te voldoen bij vooruitbetaling;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Smeenk-Van der Weijden, Pellis en Van Arkel-Van Gasselt en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 23 april 2007 in tegenwoordigheid van de griffier.