Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2007:BA4851

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
13-02-2007
Datum publicatie
10-05-2007
Zaaknummer
C200500854
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De werkneemster (grafisch vormgeefster/ontwerpster) stelt dat zij allerlei fysieke klachten heeft die het gevolg zijn van de slechte werkomstandigheden bij haar werkgeefster, bestaande uit, onder meer, het werken aan een ondeugdelijke montagetafel en een ondeugdelijke stoel.

Volgens werkneemster is gebleken dat zij aan het hypermobiliteitssyndroom (HMS) of Ehlers-Danlos syndroom type III (EDS-III) lijdt. Zij stelt haar werkgeefster daarvoor aansprakelijk.

De werkplek was ondeugdelijk. Daaruit volgt niet zonder meer dat causaal verband tussen de klachten van werkneemster en de werkomstandigheden kan worden aangenomen.

Met de kantonrechter is het hof, gelet op de inhoud van de gedetailleerde en voldoende onderbouwde deskundigenrapporten van oordeel dat in rechte niet kan worden aangenomen dat verband bestaat tussen de lichamelijke klachten van werkneemster en de (inrichting van) haar werkplek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RAR 2007, 100
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

C0500854/MA

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

sector civiel recht, achtste kamer, van 13 februari 2007,

gewezen in de zaak van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellante bij exploot van dagvaarding van 21 maart 2005,

procureur: mr. J.E. Benner,

tegen:

[Y.] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde bij gemeld exploot,

procureur: mr. J.E. Lenglet,

op het hoger beroep van de door de rechtbank Maastricht, sector kanton, locatie Heerlen gewezen vonnissen van 13 februari 2002, 4 september 2002, 2 april 2003 en 22 december 2004 tussen appellante - [X.] - als eiseres en geïntimeerde – [Y.] - als gedaagde.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr./rolnr. 67398 CV EXPL 99-3884)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen en het daaraan voorafgegane tussenvonnis van 10 januari 2001.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven, voorzien van producties, heeft [X.] twee grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van de vonnissen waarvan beroep en, kort gezegd, tot veroordeling van [Y.] om aan haar, [X.], een vergoeding van de schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 februari 1998, althans vanaf 1 december 1999, tot aan de dag van voldoening en met de buitengerechtelijke incassokosten en de wettelijke rente daarover vanaf 1 december 1999 tot aan de dag van voldoening, met veroordeling van [Y.] in de kosten van beide instanties.

2.2. Bij memorie van antwoord heeft [Y.] de grieven bestreden.

2.3. Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de gronden van het hoger beroep verwijst het hof naar de memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

4.1.1. [X.] is op 10 september 1990 in de functie van grafisch vormgeefster/ontwerpster voor 40 uren per week in dienst getreden bij [Y.]. [Y.] maakt marsepeindecoraties, grotendeels door middel van zeefdruk, voor onder meer de banketbakkerij en cateringbedrijven.

4.1.2. Sinds 1 maart 1997 is [X.] arbeidsongeschikt. Met ingang van 6 maart 1998 is zij voor 80-100% arbeidsongeschikt verklaard in het kader van de AAW/WAO.

4.1.3. Bij beschikking van 27 mei 1998 heeft de kantonrechter te Heerlen de arbeidsovereen-komst tussen partijen vanwege een verstoorde arbeidsverhouding ontbonden per 1 juni 1998 onder toekenning van een vergoeding aan [X.] ten laste van [Y.] van f. 40.000,00 bruto.

4.1.4. [X.] heeft [Y.] gedagvaard voor de kantonrechter te Heerlen en gevorderd, kort gezegd, [Y.] te veroordelen om aan haar, [X.], een vergoeding van de schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 februari 1998, althans vanaf 1 december 1999, tot aan de dag van voldoening en met de buitengerechtelijke incassokosten en de wettelijke rente daarover vanaf 1 december 1999 tot aan de dag van voldoening, met veroordeling van [Y.] in de proceskosten.

4.1.5. [X.] heeft aan haar vordering de volgende stellingen, zakelijk weergegeven, ten grondslag gelegd. Zij heeft allerlei fysieke klachten die het gevolg zijn van de slechte werkomstandigheden bij [Y.], bestaande uit, onder meer, het werken aan een ondeugdelijke montagetafel en een ondeugdelijke stoel. [Y.] heeft haar klachten jarenlang genegeerd. Aldus heeft [Y.] haar uit artikel 7:658 BW, art. 3 Arbeidsomstandighedenwet en art. 7:611 BW voortvloeiende (zorg-) plichten geschonden. Voor de dientengevolge door haar geleden en te lijden schade acht zij [Y.] aansprakelijk.

4.1.6. [Y.] heeft de vordering van [X.] gemotiveerd weersproken. Zij heeft in ieder geval betwist dat de medische situatie van [X.] in causaal verband zou staan met de door [X.] verrichte werkzaamheden.

4.1.7. Bij tussenvonnis van 2 april 2003 heeft de kantonrechter vier deskundigen benoemd, te weten:

terzake van de elementen betreffende de arbeidsomstandigheden:

drs. H.B.W. Bunnik te [woonplaats]

J. Mols te [woonplaats];

terzake van de orthopedische elementen:

dr. Ph.J. Edixhoven, p/a Het Medisch Centrum Dekkerswald te [vestigingsplaats];

J.P.J.P.M. Kortmann, p/a Justus Medische Expertises te [vestigingsplaats].

4.1.8. Na ontvangst van de rapporten van voormelde deskundigen heeft de kantonrechter de vordering van [X.] afgewezen op de grond dat niet, althans onvoldoende aannemelijk is geworden dat de klachten van [X.] het gevolg zijn van de ondeugdelijke werkplek bij [Y.].

4.2. [X.] voert in hoger beroep twee grieven aan die gericht zijn tegen de benoeming van de twee orthopedisch deskundigen dr. Edixhoven en Kortmann voornoemd en voorts tegen de overwegingen van de kantonrechter waarop hij zijn afwijzende beslissing heeft gebaseerd.

4.3. [X.] heeft tegen de vonnissen van 13 februari 2002 en 4 september 2002 geen grieven aangevoerd. Zij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep van die vonnissen.

4.4. Blijkens de grieven en de toelichting daarop stelt [X.] zich op het standpunt dat de kantonrechter terecht een onderzoek door deskundigen betreffende het door [X.] gestelde (en door [Y.] gemotiveerd betwiste) causaal verband tussen haar klachten en de ondeugdelijke werkplek bij [Y.] heeft gelast, doch dat de kantonrechter, gelet op de inhoud van de door de deskundigen uitgebrachte rapporten, onjuiste conclusies heeft getrokken.

4.5. In dit verband heeft [X.] onder meer aangevoerd dat voormelde deskundigen Bunnik en Mols wel degelijk kunnen beoordelen of haar klachten het gevolg zijn van de ondeugdelijke werkplek, aangezien zij juist deskundig zijn op dit terrein. Zo geeft de deskundige Bunnik onder meer aan dat hij zich sinds 1995 gespecialiseerd heeft in beroepsziekten. De deskundige Mols is daarbij ergotherapeut en kan wel degelijk geacht worden te kunnen oordelen over de causaliteit tussen de ondeugdelijke werkplek bij [Y.] en de klachten van [X.]. [X.] wijst op het Koninklijk besluit betreffende de beroepstitel en de kwalificatievereisten voor de uitoefening van het beroep van ergotherapeut en houdende vaststelling van de lijst van de technische prestaties, B.S. 04.09.1996, waarvan zij een afschrift als productie 8 bij memorie van grieven in het geding heeft gebracht.

Uit de door beide deskundigen gegeven antwoorden blijkt voorts, dat er wel degelijk een causaal verband kan worden aangenomen. De kantonrechter heeft, aldus [X.], in zijn eindvonnis van 22 december 2004 derhalve reeds om deze redenen ten onrechte haar vordering afgewezen.

4.6. Het hof oordeelt als volgt.

Vooropgesteld moet worden dat het op grond van art. 7:658 lid 2 BW in beginsel aan de werknemer is te stellen en zonodig te bewijzen dat hij de schade waarvan hij vergoeding vordert, heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden. De werknemer dient daartoe onder meer aannemelijk te maken dat hij lijdt aan een ziekte of aan lichamelijke klachten die zijn veroorzaakt door de werkomstandigheden (zie arrest HR 23 juni 2006, JAR 2006, 174).

4.7. Met betrekking tot haar gezondheidsklachten en de werkomstandigheden bij [Y.] heeft [X.] onder meer het volgende gesteld.

4.7.1. Als gevolg van een verkeerde werkhouding heeft zij rugklachten gekregen die vanaf oktober 1995 steeds ernstigere vormen hebben aangenomen. Haar huisarts dr. J. Goossen heeft in april 1996 een scheef bekken en een scheve wervelkolom bij haar geconstateerd. Door de hevige klachten (bestaande uit onder meer een gestoord bewegingspatroon van de lage rug, reuma-achtige helse gewrichtspijnen, pijn in de rug, schouderbladen, heupen, benen en billen, misselijkheid) is [X.] begin maart 1997 ingestort en is zij genoodzaakt geweest zich voor langere tijd ziek te melden. Ten slotte is gebleken dat [X.] lijdt aan een relatief zeldzame reumatologische aandoening, namelijk het hypermobiliteits- syndroom (HMS) of Ehlers-Danlos syndroom type III (EDS-III of hypermobiliteitstype volgens de Villefrancheclassificatie), aan te duiden als “HMS/EMD”.

Op 19 juni 1997 heeft reumatologe Van Santen-Hoeufft overwogen dat [X.] “als grafisch ontwerpster een aantal jaren roofbouw gepleegd heeft door 12-urige werkdagen in een zeer slechte houding te midden van toxische stoffen door te brengen. Vervolgens ontstaan toenemende klachten van rug en benen, later ook van schouders, die sterk belastings- afhankelijk zijn” met als diagnose: “fors hypermobiliteitssyndroom met door slechte houding en deconditionering onderhouden enthesopatische klachten”.

4.7.2. Voormelde verkeerde werkhouding is veroorzaakt door een ondeugdelijke montagetafel, een ondeugdelijk bureau en een ondeugdelijke stoel. [X.] hield zich bijna uitsluitend bezig met het monteren van films, gezeten aan een vlakke tafel met lichtbak, voortdurend voorovergebogen en starend in de lichtbak. In 1992 heeft [X.] een nieuw bureau met vaste lichtbak gekregen. Ook dit bureau was ondeugdelijk. Zo was door de aanwezigheid van een dwarsbalk onder de montagetafel de beenruimte voor [X.] te beperkt, waardoor de tafel diende te worden verhoogd. In combinatie met de beperkte instelbaarheid van de stoel heeft dit, aldus [X.], geleid tot de verkeerde werkhouding die [X.] jarenlang gedurende lange werkdagen heeft moeten aannemen.

4.8. [Y.] heeft voormeld betoog van [X.] grotendeels betwist. Zij heeft daartoe onder meer het volgende aangevoerd. In het voorjaar van 1996 begon [X.] te klagen over haar rug en haar bekken. De klachten zouden haars inziens met haar werk te maken hebben. [Y.] heeft naar aanleiding van die klachten de Arbodienst ingeschakeld. Bij rapport van 31 mei 1996 heeft de Arbodienst geadviseerd om de ontwerp-/montage-werkzaamheden te verrichten aan een schuin werkvlak met een goed instelbare stoel, waarbij de werkvlakhoogte ingesteld kan worden op de lichaamslengte van de werknemers. Voorovergebogen zitten en werken is dan, aldus het rapport, niet meer mogelijk. [Y.] heeft het advies opgevolgd. Door problemen bij de leverancier is het (complete) meubilair eerst begin 1997 afgeleverd. Kort nadien heeft [X.] zich ziek gemeld om vervolgens niet meer terug te keren.

[X.] deed afwisselend werk. Uitsluitend tijdens het monteren was er volgens [Y.] sprake van een ergonomisch minder juiste werkhouding die maximaal 50% van de werktijd, verspreid over de hele dag, in beslag nam.

4.9. Uit de door de deskundigen Bunnik en Mols op 9 februari 2004 respectievelijk op 4 mei 2004 uitgebrachte rapporten blijkt dat de werkplek van [X.] bij [Y.] niet aan de in de periode 1990-1997 geldende (wettelijke minimum)eisen voldeed en dat de inrichting van de werkplek als gevolg had dat [X.] haar werkzaamheden verrichtte in een houding die, mede gelet op de duurbelasting (ca. 85% van de tijd volgens het rapport van Arbo-adviseur De Winter betreffende het door hem verrichte werkplekonderzoek op 21 mei 1996) gevaarzettend was voor het ontstaan van overbelastingsklachten van de (gezonde) rug. Die bevindingen - waarin beide partijen zich kunnen vinden - neemt het hof, evenals de kantonrechter, over.

Anders dan [X.] heeft gesteld, kan (louter en alleen) op basis van die rapporten niet geoordeeld worden dat een causaal verband bestaat tussen de lichamelijke klachten van [X.] en de tekortkomingen op de werkplek. Allereerst verdient opmerking dat de beide deskundigen, overeenkomstig het verzoek van de kantonrechter, de werkplek en niet [X.] hebben onderzocht. Voorts heeft de deskundige Bunnik in zijn rapport aangegeven dat hij, als niet medicus, niet de vraag kan beantwoorden of er een relatie bestaat tussen enerzijds de arbeidsongeschiktheid van [X.] en de door haar gestelde aandoening HMS/EMD en anderzijds de inrichting van de werkplek vanaf 1990 tot aan de laatste feitelijke werkdag. De deskundige Mols heeft gerapporteerd dat hij de vraag of de arbeidsongeschiktheid c.q. de door [X.] gestelde aandoening HMS/EMD van [X.] een (rechtstreeks) gevolg is van haar werkhouding en de inrichting van de werkplek bij [Y.] niet kan beantwoorden. Wel vermeldt de deskundige Mols dat arbeids-ongeschiktheid in zijn visie altijd wordt veroorzaakt door een complex van factoren, waarin de werkplek zeker een rol speelt. Daarnaast zijn volgens de deskundige Mols tal van andere factoren te noemen die een rol (kunnen) spelen bij het ontstaan van arbeidsongeschiktheid, die meer zijn gelegen in de privésfeer en hoe de persoon in kwestie reageert op de diverse situaties waarbij stress een rol speelt.

Nu de deskundigen Bunnik en Mols de vragen betreffende de causaliteitskwestie niet voldoende hebben beantwoord en daartoe, blijkens hun rapporten, ook niet in staat zijn, is het hof van oordeel dat deze rapportages voor de causaliteitsvraag niet voldoende relevant zijn.

4.10. In verband met de causaliteitsvraag heeft de kantonrechter twee orthopedisch chirurgen benoemd, te weten – op verzoek van [X.] – de deskundige Edixhoven en – op verzoek van [Y.] – de deskundige Kortmann voornoemd. Tevoren had [X.] (bij conclusie na comparitie) aangegeven dat Dr. Edixhoven zowel bij verzekeraars als ook bij anderen bekend staat om zijn gedegen en deskundige expertises, hij gespecialiseerd is in expertises op zijn vakterrein en dat hij bekend is met HMS/EDS.

4.11. [X.] heeft in hoger beroep gesteld dat voor de medische expertise twee reumatologen danwel klinisch genetici de meest geschikte keuze zijn, nu zij aan een relatief zeldzame reumatologische aandoening, namelijk de aandoening HMS/EDS, lijdt. Blijkens hun rapporten hebben de orthopeden geen, of op zijn hoogst beperkte, kennis van en ervaring met HMS/EDS, aldus [X.].

4.12. Het hof kan [X.] hierin niet volgen. Zoals [Y.] terecht heeft aangevoerd, heeft [X.] zelf dr. Edixhoven voorgesteld, met de aantekening dat deze deskundige bekend is met HMS/EDS.

Hierop is [X.] pas na ontvangst van de desbetreffende rapporten – met de inhoud waarvan zij het niet eens is - terug- gekomen. Er zijn onvoldoende feiten en/of omstandigheden aangevoerd danwel gebleken op grond waarvan kan worden geoordeeld dat de door de kantonrechter gestelde vragen met betrekking tot het causaal verband tussen de (rug- en andere lichamelijke) klachten van [X.] en (de inrichting van) haar werkplek slechts door reumatologen en niet door orthopeden kan worden beantwoord.

Daarbij komt dat niet is komen vast te staan dat [X.] aan de aandoening HMS/EDS lijdt. Objectieve onderzoeksresultaten, die de diagnose van HMS/EDS bij [X.] zouden kunnen bevestigen, ontbreken.

Ook indien ervan wordt uitgegaan dat [X.] wel aan deze aandoening lijdt, kan dit haar niet baten.

Blijkens de overgelegde medische bescheiden behoort de aandoening HMS/EDS tot een groep van aangeboren ziekten van het bindweefsel. Naar het oordeel van het hof valt zonder nadere toelichting (die ontbreekt) niet in te zien dat deze erfelijke aandoening door een verkeerde werkhouding (als gevolg van een verkeerde inrichting van de werkplek) kan zijn veroorzaakt. Voorts zijn er onvoldoende aanknopingspunten om te kunnen oordelen dat de uit die aandoening voortvloeiende klachten van [X.] door haar verkeerde werkhouding zijn toegenomen.

4.13. [X.] heeft voorts de rapporten van de deskundigen Kortmann en Edixhoven bekritiseerd. [Y.] heeft daarop gemotiveerd aangegeven waarom zij, kort gezegd, de door [X.] geuite kritiek onterecht acht.

4.14. Voor de duidelijkheid zal hierna eerst de inhoud van deze rapporten (voor zover relevant) worden weergegeven.

4.15. De deskundige Kortmann heeft blijkens zijn rapport van 10 oktober 2003 [X.] op 9 juli 2003 onderzocht teneinde antwoord te geven op de vragen van de kantonrechter inzake de orthopedische aspecten van haar arbeidsongeschiktheid in relatie tot haar werkzaamheden gedurende de periode 1990 tot en met de laatste werkdag.

In het rapport zijn de voorgeschiedenis van [X.] en haar klachten uitgebreid beschreven. Ook worden de resultaten van het lichamelijk onderzoek in detail weergegeven. Blijkens het rapport heeft de deskundige tijdens zijn expertise, naast gegevens betreffende o.a. röntgenonderzoek van het Maaslandziekenhuis [plaatsnaam] en van het Academisch Ziekenhuis [plaatsnaam], de beschikking gehad over de volgende stukken, die (onder andere) afkomstig zijn van de behandelende sector of door [X.] zelf zijn overgelegd:

een uitvoerige beschrijving van [X.] over het verloop van haar klachten en arbeidsconflict in de periode van indiensttreding d.d. 10 september 1990 tot aan haar definitieve ziekmelding op 23 september 1997;

brieven van de medisch adviseur W. Schuwirth d.d. 27 juli 1998 en 20 maart 2001;

3)

brieven van de orthopedisch chirurg Van der Schaaf d.d. 27 januari 1997, 26 maart 1997 en 8 oktober 2001;

4)

brieven van de reumatoloog M. van Santen-Hoeufft d.d. 19 juni 1997, 6 april 1998 en 11 juni 1998;

een ongedateerde brief van de fysiotherapeute G. Reuvers;

dossiernotities van de orthopedisch chirurg prof. dr. B. van Linge d.d. 18 november 1999, 28 september 2000, 30 maart 2001 en 20 november 2001;

een brief van de klinisch geneticus drs. C. de Die-Smulders d.d. 29 maart 1999 en een brief van de klinisch geneticus mw. Schrander-Stumpel d.d. 6 januari 2000.

In zijn rapport geeft de deskundige Kortmann de inhoud, voor zover relevant, weer van de onder 1 tot en met 7 genoemde stukken. Daarnaast somt hij de door hem over de aandoening HMS/EDS geraadpleegde literatuur op.

De bevindingen van de deskundige Kortmann zijn gedetailleerd in het rapport beschreven. Ook is de deskundige in zijn rapport ingegaan op de kritiek op zijn concept-rapport van de zijde van [X.]. Op basis van zijn bevindingen komt deze deskundige tot de volgende conclusies: De arbeidsongeschiktheid van [X.] is met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet een rechtstreeks gevolg van haar werkhouding en de inrichting van de werkplek. [X.] lijdt niet aan HMS/EDS. Bij [X.] zijn geen structurele afwijkingen gevonden, dus ook geen afwijkingen die klachten kunnen geven en ook geen afwijkingen die veroorzaakt zijn door de werkhouding van [X.] in de periode 1990-1997. Op orthopedisch terrein kan, aldus de deskundige Kortmann, een causaal verband niet worden aangetoond.

4.16. Ook de deskundige Edixhoven heeft blijkens zijn rapport van 24 oktober 2003 [X.] (op 10 juni 2003) onderzocht teneinde antwoord te geven op de vragen van de kantonrechter inzake de orthopedische aspecten van haar arbeidsongeschiktheid in relatie tot haar werkzaamheden gedurende de periode 1990 tot en met de laatste werkdag.

In het rapport zijn de anamnese van [X.] en haar klachten uitgebreid beschreven. Ook worden de resultaten van het lichamelijk onderzoek in detail weergegeven. In het rapport heeft de deskundige de (medische) stukken betreffende [X.] betrokken, die grotendeels overeenkomen met de door de deskundige Kortmann opgesomde stukken. Voorts somt de deskundige Edixhoven de door hem over onder andere de aandoening HMS/EDS geraadpleegde literatuur op.

De bevindingen van de deskundige Edixhoven zijn gedetailleerd in het rapport beschreven. De deskundige vermeldt op blz. 10 van zijn rapport onder meer:

“Bij het lichamelijk onderzoek stel ik vast dat er sprake is van normale laxiteit van de banden van de gewrichten bij betrokkene. Er is niet zoiets als hyperlaxiteit of hypermobiliteit bij betrokkene. Ik stel vast dat er sprake is van normaal functionerende gewrichten en spieren. In tegenstelling tot hetgeen enkele onderzoekers hebben gevonden (overigens is er in de stukken tegenstrijdigheid tussen bevindingen op dit punt van diverse onderzoekers) is er sprake van een mate van laxiteit van gewrichten zoals men die aantreft bij een groep normalen.”

Op basis van zijn bevindingen komt deze deskundige tot de volgende conclusies: De arbeidsongeschiktheid van [X.] kan niet worden beschouwd als een gevolg van de werk-houding en de inrichting van de werkplek. De klachten van [X.] over de periode van 1990 tot aan de laatste feitelijke werkdag kunnen niet worden verklaard op het vakgebied van de tractus locomotorius (d.i. het bewegingsapparaat, hof). Er is geen hypermobiliteitssyndroom dan wel een syndroom van Ehlers Danlos aanwezig bij [X.]. Er is sprake van een normale laxiteit van de banden, biomechanisch normale gewrichten. [X.] heeft geen bindweefselaandoening. Een verband tussen de klachten van [X.] en haar werkhouding kan niet worden aangenomen via de tractus locomotorius. Het is niet denkbaar dat de klachten van betrokkene een gevolg zouden zijn van een bepaalde werkhouding en dat die klachten zich eerst na jaren zouden manifesteren, zelfs niet als er bij [X.] sprake zou zijn van een hypermobiliteitssyndroom, dan wel Ehlers Danlos.

4.17. [X.] heeft onder andere gesteld dat laatstgenoemde deskundigen (de orthopeden)blijkens de wijze waarop de onderzoeken zijn uitgevoerd en uiteindelijk is gerapporteerd, zich niet hebben gehouden aan de Wet inzake de geneeskundige behandelingsovereenkomst (WGBO), die rechtstreeks althans via de schakelbepaling van artikel 7:464 lid 1 BW van toepassing is, en aan (in de memorie van grieven genoemde) vigerende richtlijnen terzake expertise-onderzoeken.

[X.] heeft daartoe het volgende aangevoerd. Afgezien van de voor artsen ontoelaatbare methodes van ondervraging en onderzoek, zijn onomstotelijk noodzakelijke vragen in de anamnese achterwege gebleven. [X.] heeft in dit verband gewezen op het Handboek EDS, hoofdstuk 2.4 onder redactie van Dr. B.C.J. Hamel, klinisch geneticus, waarvan een afschrift als productie 2 bij memorie van grieven in het geding is gebracht. Tevens zijn, aldus [X.], de onomstotelijke duidelijk omschreven diagnoses van behandelend (academisch) specialisten (reumatologen, klinisch geneticus, revalidatieartsen, orthopedisch chirurg), huisarts en therapeuten – en de daarmee verband houdende en in de curatieve sector gebruikelijke schriftelijke verslagleggingen – in de expertiserapporten van de deskundigen Kortmann en Edixhoven weggelaten of zodanig verdraaid en selectief samengevat, dat de uitgebrachte expertiserapporten in het geheel niet de waarheid reproduceren en derhalve ontoelaatbaar zijn in deze procedure.

4.18. Het hof oordeelt dat voormelde stelling van [X.] faalt, nu deze onvoldoende feitelijk is onderbouwd. [X.] heeft volstaan met algemeenheden, zonder te vermelden waarom de door de beide deskundigen gehanteerde methoden van ondervraging en onderzoek in haar visie ontoelaatbaar zijn. Evenmin heeft [X.] aangegeven welke vragen door de deskundigen betreffende de anamnese gesteld hadden moeten worden en welke diagnoses van behandelend (academisch) specialisten in de expertiserapporten zijn weggelaten, verdraaid of selectief zijn samengevat. De door [X.] in de conclusie na deskundigen- bericht opgesomde kritiekpunten, waarnaar [X.] in hoger beroep verwijst, zijn van onvoldoende gewicht. Bovendien hebben deze voornamelijk betrekking op de stelling van [X.] dat zij aan de aandoening HMS/EDS lijdt, welke stelling het hof, blijkens het onder 4.12 (laatste alinea) overwogene, niet relevant acht.

Nu [X.] haar kritiek op de beide rapporten onvoldoende heeft geconcretiseerd, gaat het hof hieraan voorbij.

4.19. Mede gezien het feit dat [X.] haar kritiek op de rapporten van de deskundigen Kortmann en Edixhoven onvoldoende feitelijk heeft onderbouwd, ziet het hof geen aanleiding om door deze deskundigen (zoals [X.] heeft verzocht) medische dossiers, waaronder hun aantekeningen, in het geding te laten brengen danwel deskundigen van andere disciplines (reumatologen of klinisch genetici) te benoemen of als getuigen-deskundigen te horen over de onderhavige kwestie.

Voor zover het bewijsaanbod van [X.] betrekking heeft op de aandoening HMS/EDS, wordt dit door het hof, met verwijzing naar onderdeel 4.12, laatste alinea, van dit arrest, gepasseerd.

Voor het overige wordt aan het door [X.] gedaan bewijsaanbod als te vaag en/of niet ter zake dienend voorbijgegaan.

4.20. Met de kantonrechter is het hof, gelet op de inhoud van de – gedetailleerde en voldoende onderbouwde – rapporten van de deskundigen Kortmann en Edixhoven, van oordeel dat in rechte niet kan worden aangenomen dat verband bestaat tussen de lichamelijke(/rug-)klachten van [X.] en de (inrichting van) haar werkplek bij [Y.].

4.21. Wellicht ten overvloede merkt het hof op dat [X.] kennelijk haar in eerste aanleg geponeerde stelling dat diverse gezondheidsklachten van haar verband hielden met het gebruik van de lijmspray Kiwofix bij haar werkzaamheden voor [Y.] in hoger beroep niet heeft gehandhaafd. Opmerking verdient dat ter zake daarvan in eerste aanleg geen vragen aan de deskundigen zijn gesteld en dat [X.] in appel hierover niet rept.

4.22. Het hiervoor overwogene leidt tot de conclusie dat de grieven falen en dat de vonnissen waarvan beroep dienen te worden bekrachtigd. [X.] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten van het hoger beroep worden veroordeeld.

5. De uitspraak

Het hof:

verklaart [X.] niet-ontvankelijk in het hoger beroep van de vonnissen van 13 februari 2002 en 4 september 2002;

bekrachtigt de vonnissen van 2 april 2003 en 22 december 2004;

veroordeelt [X.] in de proceskosten van het hoger beroep, welke kosten aan de zijde van [Y.] tot de dag van deze uitspraak worden begroot op € 244,00 aan verschotten en € 894,00 aan salaris procureur;

verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. Aarts, Spoor en Walsteijn en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 13 februari 2007.