Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2007:BA4834

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
23-01-2007
Datum publicatie
10-05-2007
Zaaknummer
KGC200600832
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Bestaan huurovereenkomst onvoldoende komen vast te staan. Zo die huurovereenkomst al bestaat is deze opgezegd, zodat ontruiming kan worden gelast. Ontruimingsbescherming van art. 7:230a BW niet van toepassing. Door een derde is beslag gelegd op de woonboot. Dit feit staat aan ontruiming niet in de weg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

KG C0600832/RO

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

zevende kamer, van 23 januari 2007,

gewezen in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid MAASPLASSEN HERTEN B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

appellante bij exploot van dagvaarding van 7 juli 2006,

verder te noemen: Maasplassen,

advocaat en procureur: mr. L.R.G.M. Spronken,

tegen:

[X.], weduwe van [Y.],

volgens haar opgave wonende, althans verblijvende te [verblijfplaats],

geïntimeerde bij gemeld exploot,

verder te noemen: [Y.],

advocaat: mr. Stegeman te Roermond,

procureur: mr. Ph.C.M. van der Ven,

op het hoger beroep van het door de voorzieningenrechter van de rechtbank Roemond onder zaaknummer 73363/KG ZA 06-75 gewezen vonnis van 9 juni 2006 tussen Maasplassen als eiseres en [Y.] als gedaagde.

1. Het verloop van het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2. Het verloop van geding in hoger beroep

2.1. In de appeldagvaarding heeft Maasplassen 2 grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot toewijzing van haar vorderingen met veroordeling van [Y.] in de kosten.

2.2. Bij memorie van antwoord heeft [Y.] de grieven bestreden.

2.3. Partijen hebben hun zaak op 13 december 2006 door hun advocaat doen bepleiten. Beide advocaten hebben gepleit aan de hand van overgelegde pleitnotities. Bij brief van 4 december 2006 heeft [Y.], en bij van 12 december 2006 heeft Maasplassen nog producties in geding gebracht.

2.4. Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de inhoud van de grieven en de toelichting daarop verwijst het hof naar de appeldagvaarding.

4. De beoordeling

4.1. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

4.1.1. Maasplassen is eigenaresse van een ligplaats, bestaande uit grond en water. Op deze ligplaats ligt de woonboot ’t Schrijverke. Inzet van dit geding vormt de vordering van Maasplassen tot ontruiming van de ligplaats. De voorzieningenrechter heeft deze vordering afgewezen.

4.1.2. Tussen de rechtsvoorgangster van Maasplassen, Aqua Terra N.V. en de broer van [Y.], [Z.] (verder te noemen: [Z.]), zijn op 30 november 1988 en op 22 november 1997 huur-overeenkomsten gesloten met betrekking tot de ligplaats. Laatstgenoemde huurovereenkomst expireerde op 31 december 2000. De rechtsverhouding tussen Aqua Terra c.q. Maasplassen nadien is niet komen vast te staan. Bij brief van 28 december 2001 heeft Maasplassen [Z.] de huur opgezegd tegen 1 juli 2002. [Z.] heeft toen de ligplaats niet ontruimd. De woonboot is blijven liggen. Op enig moment heeft [Z.] de woonboot verlaten en werd de boot alleen nog bewoond door een vriendin van [Z.], mevrouw [A.]. Zij heeft op 8 april 2006 de woonboot verlaten.

4.1.3. De laatste factuur voor een huurtermijn is op 27 september 2000 aan [Z.] verzonden. [Y.] heeft nimmer facturen toegezonden gekregen.

4.1.4. [Y.] is op 13 juni 1994 eigenaresse geworden van de woonboot ’t Schrijverke door koop en levering van [Z.]. Tussen [Y.] en [Z.] is een procedure aanhangig (inmiddels bij dit hof) met als inzet de teruglevering van de eigendom van de woonboot. [Z.] heeft ter verzekering van zijn vordering conservatoir beslag gelegd op de woonboot. Voorts heeft dit geding tot inzet het beheer of de zaakwaarneming door [Z.] van [Y.].

4.1.5. [Y.] heeft in eerste aanleg gesteld dat zij op de woonboot woont. Ter gelegenheid van het pleidooi heeft zij aangegeven daar vanaf het midden van de zomer 2006 te wonen (in eerste aanleg, voor de zomer had zij gesteld ook toen al in de woonboot te wonen). Nadat de heer [B.] van Maasplassen (die woont in de naastgelegen woonboot) dit feit ter zitting van het hof ontkende en aanvoerde dat sedert het vertrek van mevrouw [A.] de woonboot niet meer is aangesloten op water en elektra en dat de woonboot niet was ingericht, heeft [Y.] deze feiten erkent, zij het dat ze volhardde in haar stelling op de woonboot te wonen, althans te verblijven wanneer zij niet bij haar kinderen verblijft.

4.1.6. [Y.] heeft zich in de procedure onder meer op het standpunt gesteld dat tussen haar en Aqua Terra (de heer [C.] of de heer [B.], vader van [B.] van de Maasplassen) een huur-overeenkomst tot stand is gekomen (althans dat Aqua Terra haar heeft gezegd dat zij, [Y.], doordat zij eigenaresse te worden van de woonboot, opvolgend huurster is geworden) en dat, in een later stadium, haar is toegezegd dat zij geen huur hoefde te betalen, dit in verband met onderhandelingen tussen partijen over de aankoop van de woonboot. Maasplassen betwist deze huurovereenkomst, mededeling en toezegging, maar heeft voor zoveel nodig de huur opgezegd tegen 15 december 2006. Deze opzegging heeft [Y.] bereikt.

4.1.7. Tussen [Y.] en [B.] zijn besprekingen gevoerd over de koop van de woonboot door Maasplassen. Deze onderhandelingen hebben niet tot resultaat geleid.

4.2.1. Door de (voorwaardelijke) huuropzegging van Maasplassen tegen 15 december 2006 is de vraag of een huurovereenkomst bestaat nog maar beperkt van belang, namelijk alleen voor zover die opzegging geen rechtskracht heeft.

4.2.2. Het hof is bovendien van oordeel dat het bestaan van een huurovereenkomst onvoldoende is komen vast te staan. Deze huurovereenkomst ontleend [Y.] aan een gesprek met iemand, waarvan zij de naam niet meer weet, noch kan aangeven wanneer dat gesprek heeft plaats-gevonden. Bovendien is voor de totstandkoming van een huurovereenkomst de mededeling die namens Aqua Terra is gedaan (de huur gaat over op de koper van de boot), die zonder meer rechtens onjuist is, ontoereikend. Maasplassen heeft het aangaan van de huurovereenkomst op andere gronden gemotiveerd betwist, en wel onder meer aan de hand van een schriftelijke verklaring van de heet [C.] van Aqua Terra. Bovendien is niet kunnen blijken dat Aqua Terra of Maasplassen zich hierna hebben gedragen door ooit enige uitvoering aan de overeenkomst te gegeven, bijvoorbeeld door het versturen van faturen aan [Y.]. Het gesprek waaraan [Y.] refereert zou hebben plaatsgevonden kort na de koop door haar van de woonboot in 1994. Aqua Terra en Maasplassen hebben nadien met [Z.] huurcontracten gesloten, niet met [Y.]. Dat [Z.] daarbij als zaakwaarnemer van [Y.] optrad is niet kunnen blijken uit de contracten of anderszins. Gelet op de gemotiveerde betwisting van het bestaan van de huurovereenkomst zal in een bodemprocedure de bewijslast op [Y.] rusten. Naar het voorlopig oordeel zal [Y.] in een bewijsopdracht niet slagen. De door haar overgelegde verklaringen van derden zijn vooralsnog ontoereikend voor een ander oordeel.

4.2.3. Daarnaast beroept [Y.] zich op een indeplaatsstelling of contractovername, zodat zij thans huurster is in de plaats van [Z.]. Dit verweer verwerpt het hof. Deze rechtsfiguur vereist immers eveneens een overeenkomst (en dus wilsoverstemming) met Maasplassen of haar rechtsvoorgangster. Daarvan is niet kunnen blijken.

4.2.4. Ter gelegenheid van het pleidooi heeft [Y.] tevens (subsidiair) betoogd dat sprake is van een bruikleenovereenkomst tussen haar en Maasplassen. Ook dit verweer faalt. Maasplassen heeft met [Z.] huurovereenkomsten gesloten. Deze zijn geëindigd. Dat er voordien of nadien tussen [Y.] en Maasplassen een overeenkomst is gesloten, is niet kunnen blijken. Uit het feit dat de ligplaats al sinds 1988 (of mogelijk langer) op de ligplaats ligt en meer dan 12 jaar wordt gebruikt voor de in eigendom aan [Y.] toebehorende woonboot, kan geen overeenkomst van bruikleen (of enige andere titel) met [Y.] worden afgeleid, reeds omdat er niet blijkt van enige wilsovereenstemming tussen partijen, ook niet stilzwijgend. Daaraan staat bovendien ook nog het sluiten van de huurovereenkomsten met [Z.] in de weg.

4.2.5. [Y.] heeft zich er ook nog (subsidiair) op beroepen dat zij onderhuurster van [Z.] is geweest. Daarvan is het hof niet kunnen blijken. Bovendien kan zij aan deze relatie geen rechten jegens Maasplassen worden ontleend. [Y.] stelt weliswaar dat de opzegging van [Z.] niet rechtsgeldig is, maar zij ziet eraan voorbij dat [Z.] heeft berust in het einde van de huurovereenkomst, hetgeen blijkt uit een verklaring van die strekking van [Z.].

4.2.6. De stelling van [Y.] als zou de opzegging tegen 15 december 2006 rechtskracht ontberen omdat zij in strijd is met de redelijkheid en billijkheid of misbruik van recht opleveren, omdat Maasplassen onvoldoende zwaarwegend belang heeft bij ontruiming, verwerpt het hof. Het vertrek van de vorige bewoners [Z.] en [A.] is een goede aanleiding om aan de relatie van partijen, zo die al bestaat en hoe deze ook moge worden gekwalificeerd, een einde te maken. De enkele omstandigheden dat de woonboot al meer dan 12 jaar eigendom van [Y.] is en al langer dan die 12 jaren op de betreffende ligplaats ligt en dat het moeilijk, zo niet ondoenlijk is voor haar een andere ligplaats te vinden, nopen er niet toe Maasplassen te verplichten om [Y.], als opvolgend bewoonster van de woonboot te aanvaarden. Het staat Maasplassen vrij, en het is niet van haar onredelijk om de ligplaats aan derden te koop aan te bieden of te verhuren tegen een aanmerkelijk hogere huurprijs dan [Z.] betaalde of [Y.] kan opbrengen (ter zitting heeft zij erkend niet over voldoende middelen te beschikken). In dit verband neemt het hof mede in aanmerking dat de afweging mogelijk anders zou uitvallen als [Y.] de woonboot al jaren als woning had gebruik. Het feitelijk gebruik van de woonboot door [Y.] sedert enkele maanden (zoals dat ter zitting is gebleken), terwijl zij weet dat dit (zeer beperkte) gebruik niet door Maasplassen wordt aanvaard (de inleidende dagvaarding dateert van mei 2006, dus van een datum vóórdat [Y.] op de boot kwam), rechtvaardigt niet enig woonbelang van [Y.] mee te wegen.

4.2.7. [Y.] stelt voorts dat haar ontruimingsbescherming als bedoeld 7:230a BW zal toekomen. Naar het voorlopig oordeel kan de gehuurde ligplaats niet worden aangemerkt als een gebouwd onroerende zaak (of een gedeelte daarvan) als bedoeld in die bepaling. [Y.] leidt deze opvatting af uit de volgende voorzieningen: een drinkwatervoorziening, riool en elektra, bestrating (waaronder een terras), een vaste loopbrug, bolders een schuur met fundering, afrastering en beplanting. Zulke voorzieningen leiden niet tot het aannemen van een onroerende zaak. Voor de vraag welk huurregime van toepassing komt het aan op de bedoeling van partijen (Hof Den Bosch 12 februari 2003, WR 2003/69) en het doel wat partijen voor ogen stond bij het aangaan van de overeenkomst (HR 30 september 2005, NJ 2006/101), en deze is hier de huur van een ligplaats te water. Daarbij komt dat het ongebouwde gedeelte van hetgeen is verhuurd in zodanige mate overheerst dat aan het feit dat op land mogelijk iets dat ter beschikking is gesteld als onroerend kan worden aangemerkt, nog niet meebrengt dat reeds daarom het regime van artikel 7:230a BW van toepassing zou zijn.

4.2.8. [Y.] voert mede aan dat Maasplassen het beslag gelegd door [Z.] moet respecteren en dat zulks meebrengt dat de woonboot niet mag worden verplaatst. Dit betoog wordt verworpen. Het beslag staat niet aan de verplichting voor [Y.] om de gehuurde ligplaats leeg en ontruimd op te leveren. Een tegengestelde opvatting zou er immers toe leiden dat derden (die handelt uit hoofde van een geschil waarbij Maasplassen niet bij betrokken is) het in hun macht kunnen hebben om Maasplassen het genot van haar eigendom te onthouden en haar te verplichten de ligplaats – om niet, er wordt niet betaald – ter beschikking van die derde te houden. Het is aan [Y.] om met de beslaglegger tot een regeling te komen. Het ontbreken daarvan kan zij niet aan Maasplassen tegenwerpen.

4.2.9. [Y.] beroept zich ook nog op rechtsverwerking, misbruik van recht en de redelijkheid en billijkheid (ten aanzien van ontruiming, dus niet toegespitst op de opzegging), maar ook deze verweren faalt. Het feit dat de woonboot al (meer dan) twaalf jaar op deze ligplaats ligt, dat zij belang heeft bij continuering van de ligplaats omdat geen andere (betaalbare) ligplaatsen voor-handen zijn, dat Maasplassen andere ligplaatsen voorhanden heeft, dat de woonboot waar-schijnlijk onverkoopbaar is, althans niet verkoopbaar voor een voor haar aanvaardbare prijs (verkoop is niet goed denkbaar zolang het beslag rust) ontneemt Maasplassen niet de mogelijk-heid om een einde aan een eventuele rechtsverhouding te maken en de ontruiming van de woonboot te bewerkstelligen, noch noopt het haar [Y.] in een positie te stellen met iemand die over een rechtsgeldig (niet geëindigd) huurcontract beschikt.

4.2.10. Gelet op al hetgeen hiervoor werd overwogen is het hof van oordeel dat het hoogst-waarschijnlijk is dat een bodemrechter zal oordelen dat er na 15 december 2006 geen rechts-verhouding bestaat die Maasplassen verplicht om de woonboot op de ligplaats te laten dan wel [Y.] een andere ligplaats aan te bieden en dat mitsdien [Y.] de ligplaats zonder recht of titel bezet houdt.

4.2.11. [Y.] heeft ten slotte een beroep gedaan op het ontbreken van een spoedeisend belang aan de zijde van Maasplassen. Het hof verwerpt ook dit verweer. Het belang bij het ter vrije beschikking krijgen van de ligplaats voor verkoop op verhuur weegt zwaarder dan het belang bij [Y.] bij het afwachten van een bodemprocedure, waarbij het hof betrekt dat de te entameren procedures vrijwel kansloos zijn en dat [Y.] (zo bleek ter zitting) niet bereid of in staat is, in afwachting van de uitkomsten van zodanige procedure een marktconforme gebruiksvergoeding te betalen.

4.2.12. De conclusie is dat de vordering van Maasplassen kan worden toegewezen zodat het vonnis waarvan beroep niet in stand kan blijven. Het hof zal [Y.] een termijn geven om de verwijdering van de woonboot te bewerkstelligen. De dwangsom zal worden gematigd omdat Maasplassen zich door de voorzieningenrechter (of [Y.]) kan doen machtigen om de ontruiming zelf (maar op kosten van [Y.]) te bewerkstelligen.

4.2.13. [Y.] dient als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten te worden verwezen.

5. De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en opnieuw recht doende:

veroordeelt [Y.] de woonboot ’t Schrijverke van de ligplaats aan de [adres] te [woonplaats] uiterlijk 1 april 2007 te verwijderen en nadien verwijderd te houden en ook geen ligplaats te laten innemen in wateren die eigendom zijn van Maasplassen,

zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,-, met een maximum van

€ 15.000,-, voor elke dag dat [Y.] na betekening van dit arrest in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen;

veroordeelt [Y.] in de kosten van het geding tot op heden begroot op:

€ 84,52 voor dagvaarden eerste aanleg

€ 248,- voor vast recht in eerste aanleg;

€ 816,- voor salaris procureur in eerste aanleg;

€ 71,32 voor kosten dagvaarding in hoger beroep;

€ 296,- voor vast recht in hoger beroep;

€ 2.682,- voor salaris procureur in hoger beroep;

en verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. Den Hartog Jager, Adriaansens en Kleingeld en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 23 januari 2007.