Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2007:BA4574

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
08-05-2007
Datum publicatie
08-05-2007
Zaaknummer
20-004140-04
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2008:BF3205, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2008:BF3205
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

art. 289 Sr: 15 jaar gevangenisstraf voor moord op koerier eethuis in Eindhoven. Verwerping NO-verweer; medeplegen; voorbedachten rade.

Minder gelukkige gang van zaken tijdens de bezoeken van (schoon)moeder aan verdachte en zijn medeverdachte, rechtvaardigt geenszins de conclusie dat moeder door de politie is ingezet als chantagemiddel in de zin als door de raadsman aangevoerd.

Het hof acht de belastende verklaring van de medeverdachte voldoende betrouwbaar, omdat deze voldoende steun vindt in de genoemde bewijsmiddelen, nog daargelaten de consistentie in zijn verklaringen ten aanzien van een groot deel van de feitelijke gebeurtenissen rond de dood van het slachtoffer.

Uit de omstandigheden waaronder het slachtoffer is neergeschoten in combinatie met de aard van de bij het slachtoffer aangetroffen verwondingen en de wijze waarop deze verwondingen zijn toegebracht (waarbij het hof er van uit gaat dat verdachte eerst op een afstand van enkele passen twee keer op het slachtoffer heeft geschoten, vervolgens naar het slachtoffer is toegelopen en de overige zeven schoten van zeer nabij heeft gelost, waaronder drie schoten in het hoofd van het slachtoffer) volgt dat verdachte hierbij niet in een opwelling heeft gehandeld, maar dat zijn daad het gevolg is van een enige tijd te voren genomen besluit en dat verdachte in het tijdsverloop tussen het besluit en de uitvoering tijd had zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit, zodat de gelegenheid heeft bestaan dat hij over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad heeft nagedacht en zich daarvan rekenschap heeft gegeven. (zie ook BA4575)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 20-004140-04

Uitspraak : 8 mei 2007

TEGENSPRAAK

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 25 oktober 2004 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 01-039118-04 en 01-021247-04, tegen:

[VERDACHTE],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,

thans verblijvende in PI Limburg Zuid - Gev. De Geerhorst te Sittard,

Op de Geer 1 te 6135 KN Sittard.

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de eerste rechter zal vernietigen en te dien aanzien opnieuw rechtdoende zal bewezen verklaren hetgeen aan verdachte is ten laste gelegd en verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 jaar, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, met onttrekking aan het verkeer van het inbeslaggenomen vuurwapen en de munitie en met verbeurdverklaring van de inbeslaggenomen GSM-toestellen.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

t.a.v. parketnummer 01-039118-04:

hij op of omstreeks 16 maart 2004 te Eindhoven, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen één of meer kogels in (de richting van) het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] geschoten tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

t.a.v. parketnummer 01-021247-04:

hij op of omstreeks 07 mei 2004 te Eindhoven een of meer wapens van categorie III onder 1 van de Wet Wapens en Munitie, te weten een pistool en/of (daarbij behorende) munitie van categorie III, te weten negenenzestig kogelpatronen van het kaliber 7.65 mm, voorhanden heeft gehad.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Van de zijde van de verdachte is ten aanzien van parketnummer 01-039118-04

het verweer gevoerd dat het openbaar ministerie in zijn strafvervolging niet-ontvankelijk behoort te worden verklaard.

Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat de moeder van [de medeverdachte], zijnde de schoonmoeder van verdachte, door de politie als chantagemiddel is ingezet om, zo begrijpt het hof, [medeverdachte] ertoe te bewegen belastend te verklaren over verdachte en voorts om ook verdachte zelf te beïnvloeden. De raadsman doelt daarbij op de bezoeken die [moeder medeverdachte] op 27 respectievelijk 29 mei 2004 aan [medeverdachte] respectievelijk [verdachte] op het politiebureau heeft gebracht en waarbij kringgesprekken zouden hebben plaatsgevonden tussen (schoon)moeder, de respectievelijke verdachten en verbalisanten. Dit is zodanig in strijd met een behoorlijke rechtspleging dat dit dient te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging van verdachte.

Het hof overweegt met betrekking tot dit verweer als volgt.

Het hof heeft kennisgenomen van een vertaling van het in de Turkse taal (op videoband opgenomen) gesprokene tijdens een bezoek van [moeder medeverdachte] aan [medeverdachte] op

27 mei 2005 en een vertaalde uitwerking van een gesprek in de Turkse taal, op videoband, tussen Faruk [verdachte] en [moeder medeverdachte] op 29 mei 2004.

Het hof stelt vast dat het bezoek van de moeder van [medeverdachte] aan [medeverdachte] op 27 mei 2004 niet op initiatief van de politie heeft plaatsgevonden, maar op verzoek van [medeverdachte] (zie pg. 145 APV). Uit de inhoud van het gesprek tussen [medeverdachte] en zijn moeder, waarvan zich een uitwerking in het dossier bevindt, kan worden vastgesteld dat er inderdaad een gesprek heeft plaatsgevonden tussen moeder en [medeverdachte], waarbij verbalisanten in de ruimte aanwezig waren. Op enig moment, terwijl het gesprek tussen moeder en [medeverdachte] al enige tijd gaande was, hebben de verbalisanten, kennelijk in reactie op de stellingen van moeder, uitspraken gedaan over het lopende onderzoek. Hoewel dit wellicht minder gelukkig kan worden genoemd, omdat het onderhoud daar niet voor was bedoeld, rechtvaardigt zulks geenszins de conclusie dat moeder door de politie is ingezet als chantagemiddel in de zin als door de raadsman aangevoerd.

Dit geldt in gelijke mate voor het gesprek tussen [verdachte] en de moeder van [medeverdachte], dat op verzoek van de moeder (zie pg. 324 APV) en met instemming van [verdachte] (zie pg. 322 APV) heeft plaatsgevonden.

Het hof verwerpt het verweer.

Nu ook overigens geen feiten of omstandigheden zijn aangevoerd of anderszins aannemelijk zijn geworden die zouden moeten leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, is het openbaar ministerie ontvankelijk in de vervolging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder parketnummers 01-039118-04 en 01-021247-04 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

t.a.v. parketnummer 01-039118-04:

hij op 16 maart 2004 te Eindhoven, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers hebben verdachte en zijn mededader met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen kogels in het hoofd en het lichaam van die [slachtoffer] geschoten tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

t.a.v. parketnummer 01-021247-04:

hij op 07 mei 2004 te Eindhoven een wapen van categorie III onder 1 van de Wet Wapens en Munitie, te weten een pistool en munitie van categorie III, te weten negenenzestig kogelpatronen van het kaliber 7.65 mm, voorhanden heeft gehad.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan wordt vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

De raadsman van verdachte heeft ten aanzien van het verweer als vermeld onder het kopje “ontvankelijkheid van het openbaar ministerie” subsidiair aangevoerd dat de aldaar vermelde omstandigheden dienen te leiden tot de conclusie dat de verklaringen van [medeverdachte], met name waar hij belastend verklaard over verdachte, niet tot bewijs gebezigd mogen worden.

Het hof verwerpt ook dit verweer, onder verwijzing naar hetgeen daaromtrent is overwogen onder het kopje “ontvankelijkheid van het openbaar ministerie”.

Uit de gebezigde bewijsmiddelen ten aanzien van de onder parketnummer 01-039118-04

ten laste gelegde moord op [slachtoffer] komt het volgende naar voren.

- Op 15 maart 2004 om 23.56 uur wordt [medeverdachte] gebeld door [verdachte] met het verzoek om naar Eindhoven te komen voor iets belangrijks. Het heeft betrekking op [betrokkene 1]. [betrokkene 1] is de zus van [medeverdachte] en de schoonzus van [verdachte].

Er wordt een afspraak gemaakt dat [medeverdachte] op 16 maart 2004 om 19.00 uur bij

[verdachte] thuis (Barrierweg 148 te Eindhoven) zal komen.

- Op 16 maart 2004 omstreeks 19.00 uur arriveert [medeverdachte] in een bij hem in gebruik zijnde auto, een blauwe Nissan, bij de woning van [verdachte].

- In de woning wordt kort gesproken over een relatie tussen [betrokkene 1] en [slachtoffer], waarvan [medeverdachte] tot op dat moment niet op de hoogte was.

- Vervolgens vertrekken [verdachte] en [medeverdachte] met de auto van [medeverdachte], die wordt bestuurd door [verdachte], naar [eethuis A] te Eindhoven alwaar het gesprek wordt voortgezet.

[verdachte] vertelt tegen [medeverdachte] onder andere dat hij [slachtoffer] in aanwezigheid van [betrokkene 1] heeft aangesproken over hun relatie, hem daarbij de huid heeft volgescholden en dat hij op 15 maart 2004, nadat hij had gezien dat [slachtoffer] reed in de [straatnaam] (de straat waar [betrokkene 1] toen woonde), hem heeft achtervolgd.

Voorts komt [verdachte] met het plan om [slachtoffer] bang te gaan maken. Dat bang maken zou inhouden het bedreigen van [slachtoffer] met woorden en hem desnoods (flinke) klappen geven. [verdachte] vraagt [medeverdachte] hem daarbij te helpen, waarmee [medeverdachte] instemt.

Beiden zijn boos over de ontstane situatie.

- In de tijdspanne die volgt zijn [medeverdachte] en [verdachte] nog in de woning van [verdachte] geweest , rijden zij langs de woning en het eethuis ([eethuis B] aan de [adres]) van [slachtoffer] , wordt een vluchtroute verkend , getankt en wordt een loktelefoontje geplaatst bij [eethuis B].

Die telefonische bestelling vindt plaats om 21.48 uur met het verzoek de bestelling af te leveren op de Bessenvlinderstraat [nummer] te Eindhoven . Het plan om [slachtoffer] op deze wijze naar een afgelegen plek te lokken wordt door [verdachte] onderweg voorgesteld aan [medeverdachte], die daarmee instemt .

De bestelling wordt vanuit de auto van [medeverdachte] gedaan in de buurt van de flat aan de Bessenvlinderstraat door [verdachte] in aanwezigheid van [medeverdachte] . [verdachte] bedient zich hierbij van de telefoon van [medeverdachte] , waarin een simkaart wordt geplaatst afkomstig van [verdachte] .

Vervolgens wordt door [medeverdachte] en [verdachte] bij het huis van [slachtoffer] gecontroleerd of [slachtoffer] aanstalten maakt om de bestelling te gaan bezorgen, hetgeen het geval is.

[medeverdachte] en [verdachte] keren in de auto van [medeverdachte] terug naar de Pagelaan, waar de auto wordt geparkeerd nabij de plaats waar de vluchtroute uitkomt.

Vervolgens gaan [medeverdachte] en [verdachte] te voet naar de flat aan de Bessenvlinderstraat, alwaar zij de komst van [slachtoffer] verscholen afwachten. Op dat moment dragen zij mutsen en handschoenen, waarvoor [verdachte] heeft gezorgd.

- Als [slachtoffer] met de bestelling verschijnt wordt hij door [verdachte] aangeroepen.

Op dat moment kijkt [medeverdachte] naar [verdachte] die op korte afstand schuin achter hem loopt en ziet dat deze met gestrekte arm een pistool richt op [slachtoffer].

Vervolgens loopt [medeverdachte] naar [slachtoffer] toe en trekt een draagtas uit diens handen.

Kort hierop en zonder dat met [slachtoffer] is gesproken schiet [verdachte] [slachtoffer] neer , van nabij, in twee series schoten, de laatste staand bij/boven de inmiddels op de grond liggende [slachtoffer] .

- [verdachte] steekt vervolgens het wapen achter zijn jas .

- Daarna vluchten [medeverdachte] en [verdachte], zonder zich te bekommeren om [slachtoffer], weg over de verkende vluchtroute naar de auto van [medeverdachte] . [medeverdachte], die de auto bestuurt, zet [verdachte] af bij diens woning, waarna hij uit Eindhoven vertrekt .

Na binnenkomst in zijn woning zegt [verdachte] tegen zijn echtgenote [vrouw van verdachte] dat hij [slachtoffer] heeft doodgeschoten, terwijl hij een vuurwapen onder zijn jas vandaan haalt en op tafel legt . Dat wapen was afkomstig uit de woning van [verdachte] .

- [medeverdachte] was, voordat hij die avond met [verdachte] op pad ging, op de hoogte van het feit dat [verdachte] een vuurwapen met munitie in huis had en heeft [verdachte] wel eens met een vuurwapen zien schieten .

Door de raadsman is aangevoerd dat de verklaring van [medeverdachte], voor zover deze belastend is voor [verdachte], zodanig onbetrouwbaar is dat deze niet voor het bewijs kan worden gebezigd.

Het hof acht, anders dan de raadsman, de voor [verdachte] belastende verklaring van [medeverdachte], voor zover gebezigd tot bewijs, voldoende betrouwbaar om als zodanig te worden gebruikt, omdat deze voldoende steun vindt in de hierna te noemen bewijsmiddelen, nog daargelaten de consistentie in zijn verklaringen ten aanzien van een groot deel van de feitelijke gebeurtenissen rond de dood van [slachtoffer].

De verklaring van [medeverdachte] dat hij op initiatief van [verdachte] naar Eindhoven is gekomen op

16 maart 2004 en daar met [verdachte] de relatie tussen [betrokkene 1] en [slachtoffer], waarvan [medeverdachte] tot op dat moment niet op de hoogte was, heeft besproken vindt bevestiging in de tot bewijs gebezigde verklaring van [verdachte] zelf (zie voetnoot 1).

Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat zij vervolgens gezamenlijk langs de woning en het eethuis van [slachtoffer] zijn gereden.

De verklaring van [medeverdachte] dat [verdachte] kort voor het loktelefoontje heeft getankt en twee blikjes frisdrank heeft gekocht bij een benzinestation aan de Eisenhowerlaan gelegen zeer dicht bij de plaats waar later [slachtoffer] is neergeschoten, wordt bevestigd door de resultaten van het onderzoek van de administratie van genoemd tankstation (zie voetnoot 11).

De verklaring van [medeverdachte] dat het loktelefoontje is gepleegd met zijn mobiele telefoon, met daarin aanwezig een simkaart afkomstig van [verdachte], wordt bevestigd door het onderzoek naar het gebruik van die simkaart (zie voetnoot 14).

De verklaring van [medeverdachte] dat na de schietpartij [verdachte] en hij samen over een pad dat uitkwam op de Pagelaan naar [medeverdachte]’s auto zijn gerend, wordt bevestigd door de [getuige 1] en door [verdachte] zelf (zie voetnoot 22).

De verklaring van [medeverdachte] dat [verdachte] [slachtoffer] heeft neergeschoten, wordt bevestigd door de verklaring van [vrouw van verdachte] over hetgeen [verdachte] daaromtrent tegen haar heeft gezegd na thuiskomst (zie voetnoot 19).

De verklaring van [medeverdachte] dat [verdachte] na de schietpartij het wapen waarmee is geschoten achter zijn jas steekt en meeneemt wordt bevestigd door de verklaring van [vrouw van verdachte], over het door [verdachte] onder zijn jas vandaan halen van het wapen na thuiskomst (zie voetnoot 24), terwijl ook [verdachte] verklaart het wapen meegenomen te hebben naar zijn huis .

In het licht van het vorenstaande acht het hof de verklaring van verdachte , voor zover deze hiermee strijdig is, ongeloofwaardig, ook gelet op de reden die hij geeft voor zijn gestelde handelen, te weten:

- dat verdachte die avond merkte dat [medeverdachte] zijn, verdachtes, woning had verlaten en hij een vuurwapen miste, bij de woning van [medeverdachte]’s moeder en in café’s waar [medeverdachte] mogelijk heen zou kunnen gaan, omdat zijn vrienden daar zaten, naar [medeverdachte] is gaan zoeken;

- dat hij vervolgens op het idee is gekomen dat [medeverdachte] mogelijk naar [slachtoffer] zou zijn gegaan en is gaan kijken of [medeverdachte] bij [slachtoffer] in de buurt was, daarna achter [slachtoffer] is aangereden om te voorkomen dat [medeverdachte] [slachtoffer], mogelijk met een vuurwapen, iets zou aandoen;

- dat hij daarom aan de achterzijde van de flat aan de Bessenvlinderstraat, waar [slachtoffer] heen ging, aanwezig was toen [slachtoffer] werd neergeschoten;

- dat hij na de schietpartij zijn zwager, die hij aantrof bij het lichaam van [slachtoffer], het wapen dat hij miste heeft afgepakt en zijn zwager, die al weg begon te rennen heeft begeleid naar diens auto en vervolgens naar zijn eigen auto is teruggelopen die geparkeerd stond dicht bij eerdergenoemde flat en naar huis is gereden;

- dat de telefoonkaart, die is gebruikt bij het loktelefoontje, ook door [medeverdachte] zonder zijn, verdachtes, medeweten is meegenomen uit zijn, verdachtes, woning.

Steun voor de ongeloofwaardigheid van deze verklaring van verdachte kan voorts nog worden gevonden in de, door [vrouw van verdachte] aan de politie overhandigde, door verdachte op schrift gestelde verklaring inhoudende: “[medeverdachtes] verklaring. Mijn verklaring en Belangrijke vragen en antwoorden” , waaruit naar ’s-hofs oordeel valt af te leiden dat verdachte reeds eerder kennelijk heeft geprobeerd op andere wijze zijn strafwaardig aandeel in het bewezenverklaarde te elimineren, onder meer door zijn zwager te instrueren zodanig te verklaren dat verdachte ten tijde van het neerschieten van [slachtoffer] niet op of nabij de plaats van het delict aanwezig kon zijn.

Hetgeen door de raadsman wordt aangevoerd met betrekking tot de getuigenverklaring van [getuige2] doet aan dit oordeel niet af, omdat het feitelijke grondslag mist. Uit de door de raadsman aangehaalde verklaring van [getuige 2] valt slechts af te leiden dat hij één persoon uit de richting heeft zien komen van de plek waar de schoten zijn gelost. [Getuige 2] heeft niet gezien dat deze persoon een pistool in zijn handen had, noch dat deze persoon geschoten heeft. Het feit dat [getuige 2] in tweede instantie zegt geen andere persoon te hebben gezien, wil niet zeggen dat er geen andere persoon ter plaatse was.

Gelet op genoemde feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang en (tijds)verband bezien ook met hetgeen overigens uit de gebezigde bewijsmiddelen naar voren komt, leidt het hof af:

A. dat het verdachte is geweest die het slachtoffer heeft doodgeschoten;

B. dat verdachte dit in bewuste en nauwe samenwerking met [medeverdachte] heeft gedaan;

C. dat verdachte dit met voorbedachten rade heeft gedaan.

Dat verdachte heeft gehandeld in bewuste en nauwe samenwerking met [medeverdachte] en met voorbedachte rade leidt het hof met name af uit de volgende omstandigheden.

I. [medeverdachte] en [verdachte] waren kwaad op het slachtoffer en hebben het plan opgevat om het slachtoffer naar een afgelegen plek te lokken. [medeverdachte] heeft verklaard dat [verdachte] hem heeft verzocht mee te helpen met het bang maken van het slachtoffer, waarbij flinke klappen zouden kunnen vallen. [medeverdachte] heeft hiermee ingestemd. Het was voor [medeverdachte] dan ook duidelijk dat het verzoek van [verdachte] een strekking had die zeer wel fors gewelddadig handelen van zowel [verdachte] als [medeverdachte] zou kunnen meebrengen. Uit het tijdsverloop en uit de handelingen die [medeverdachte] en [verdachte] vervolgens hebben verricht (het verkennen van de vluchtroute, het meenemen van mutsen en handschoenen, het plaatsen van de lokbestelling) blijkt dat [medeverdachte] tot aan het moment dat het slachtoffer op de Bessenvlinderlaan arriveerde in dat opzicht reeds bewust en nauw op basis van gemeenschappelijke planvorming met [verdachte] samenwerkte en uitvoeringshandelingen verrichtte.

II. Kort nadat het slachtoffer op de Bessenvlinderlaan aan kwam en zonder dat [medeverdachte] of [verdachte] met hem in gesprek zijn gegaan is het slachtoffer door [verdachte] neergeschoten. [verdachte] had het vuurwapen dat hij daarvoor gebruikte kennelijk tevoren bij zich gestoken. Uit deze omstandigheden in combinatie met de aard van de bij het slachtoffer aangetroffen verwondingen en de wijze waarop deze verwondingen zijn toegebracht (waarbij het hof er van uit gaat dat [verdachte] eerst op een afstand van enkele passen twee keer op het slachtoffer heeft geschoten, vervolgens naar het slachtoffer is toegelopen en de overige zeven schoten van zeer nabij heeft gelost, waaronder drie schoten in het hoofd van het slachtoffer) volgt dat [verdachte] hierbij niet in een opwelling heeft gehandeld, maar dat zijn daad het gevolg is van een enige tijd te voren genomen besluit en dat [verdachte] in het tijdsverloop tussen het besluit en de uitvoering tijd had zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit, zodat de gelegenheid heeft bestaan dat hij over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad heeft nagedacht en zich daarvan rekenschap heeft gegeven. Dit levert op kalm beraad en rustig overleg ten aanzien van [verdachte] zoals is bewezen verklaard.

III. [medeverdachte] heeft verklaard dat hij niet wist dat [verdachte] het vuurwapen bij zich had. Hij wist wel dat [verdachte] een vuurwapen in huis had en heeft hem wel eens met een vuurwapen zien schieten. Voorts onderkende [medeverdachte] het gevaar van het gebruik van vuurwapens. Naar eigen zeggen wist hij dat, als er wapens in het spel zijn, ze gebruikt kunnen worden.

Nu [medeverdachte], met deze wetenschap, op het moment dat hij zag dat [verdachte] een vuurwapen op het slachtoffer richtte, zich niet van deze – voor hem nieuwe – situatie heeft gedistantieerd, maar naar het slachtoffer is toegelopen en hem de draagtas uit handen heeft getrokken, is er, gelet ook op de overige omstandigheden genoemd onder I, sprake van een voortgaande samenwerking en uitvoering als vorenomschreven, waarbij verdachte willens en wetens de aanmerkelijk kans heeft aanvaard dat het vuurwapen zou worden gebruikt met dodelijke afloop.

Verder leidt het hof hieruit af dat [medeverdachte] tijd had zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit, zodat de gelegenheid heeft bestaan dat hij over de betekenis en de gevolgen daarvan heeft nagedacht en zich daarvan rekenschap heeft gegeven. Dit levert op kalm beraad en rustig overleg als bewezenverklaard ten aanzien van [medeverdachte].

Een en ander vindt bevestiging in de omstandigheid dat de schoten in twee series hebben plaatsgevonden en voorts nog in de omstandigheid dat [medeverdachte] zich na het schieten niet om het slachtoffer heeft bekommerd, maar met [verdachte] is gevlucht.

Feiten en/of omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten leiden zijn uit het onderzoek ter terechtzitting niet naar voren gekomen.

Gelet op het vorenstaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde, te weten “medeplegen van moord”, heeft begaan. Dat uit het onderzoek ter terechtzitting geen duidelijk motief voor het doden van het slachtoffer naar voren is gekomen, doet daaraan niet af.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde onder parketnummer 01-039118-04 is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 289 (oud), juncto artikel 47, eerste lid aanhef sub 1, van het Wetboek van Strafrecht.

Het bewezen verklaarde onder parketnummer 01-021247-04 is telkens voorzien bij artikel 26, eerste lid, van de Wet Wapens en Munitie en strafbaar gesteld bij artikel 55 (oud) van die wet.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten worden gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van het hof kan niet worden volstaan met een andere sanctie dan een straf welke onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt. Daarbij is rekening gehouden met:

- de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

- het gewelddadig karakter van het bewezen verklaarde en de maatschappelijke onrust die daarvan het gevolg is;

- de omstandigheden dat verdachte de initiatiefnemer is geweest tot de confrontatie, de telefoonkaart heeft meegenomen waarmee het loktelefoontje is gepleegd, het wapen heeft meegenomen waarmee het slachtoffer is doodgeschoten en de daadwerkelijke schutter is geweest;

- de omstandigheid dat verdachte heel bewust een ander, te weten [medeverdachte], bij zijn plan heeft betrokken en vervolgens heeft getracht de verklaring van [medeverdachte] dusdanig te regisseren dat verdachte zelf buiten schot bleef;

- de mate waarin het gewelddadig overlijden van het slachtoffer persoonlijk leed teweeg heeft gebracht aan diens nabestaanden, waarbij een gezin ontredderd is achtergebleven.

Het hof komt tot een lagere straf als door de advocaat-generaal gevorderd met name gezien de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd rekening houdend met het gegeven dat verdachte niet eerder voor een geweldsdelict is veroordeeld.

De na te melden inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, met betrekking tot welke het onder parketnummer 01-021247-04 ten laste gelegde en bewezen verklaarde is begaan, dienen te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en de wet.

De na te melden inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, volgens opgave van verdachte aan hem toebehorend, zijn vatbaar voor verbeurdverklaring, nu het voorwerpen zijn met behulp waarvan het onder parketnummer 01-039118-04 ten laste gelegde en bewezen verklaarde is voorbereid.

Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 24, 33, 33a, 36b, 36c, 47, 57, 63 en 289 (oud) van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 (oud) van de Wet wapens en munitie.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het onder parketnummers 01-039118-04 en 01-021247-04 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder parketnummers 01-039118-04 en

01-021247-04 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

t.a.v. parketnummer 01-039118-04:

Medeplegen van moord.

t.a.v. parketnummer 01-021247-04:

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie.

Verklaart verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) jaren.

Bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen voorwerpen, ten aanzien waarvan nog geen last tot teruggave is gegeven, te weten:

een pistool (Walther PPK) en 69 patronen.

Verklaart verbeurd de inbeslaggenomen voorwerpen, ten aanzien waarvan nog geen last tot teruggave is gegeven, te weten:

een GSM Siemens, type SL55 (IMEI [nummer]) en

een GSM Sony Ericsson type T100 (IMEI [nummer]).

Aldus gewezen door

mr. H. Eijsenga, voorzitter,

mr. A.J.M. Bark - van Gink en mr. J.H.J.M. Mertens - Steeghs,

in tegenwoordigheid van mw. C.M. Sweep, griffier,

en op 8 mei 2007 ter openbare terechtzitting uitgesproken.