Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2007:BA4091

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
15-02-2007
Datum publicatie
01-05-2007
Zaaknummer
R200600912
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toepasselijk recht op huwelijksgoederenregime. Gemeenschappelijke (Marokkaanse) nationaliteit en daarnaast Belgische (vrouw) en Nederlandse nationaliteit (man).

Art. 4 en 5 Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RD

15 februari 2007

Sector civiel recht

Rekestnummer R06/00912

Zaaknummer eerste aanleg 134246/ FA RK 05-4418

GERECHTSHOF ’S-HERTOGENBOSCH

Beschikking

In de zaak in hoger beroep van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: de man,

procureur mr. L.C.J. Sars,

t e g e n

[Y.],

wonende te [woonplaats] (Belgie),

geïntimeerde,

hierna te noemen: de vrouw,

procureur mr. T. Peters.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 23 mei 2006, waarvan de inhoud bij partijen bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 4 augustus 2006, heeft de man verzocht voormelde beschikking te vernietigen, voor zover het betreft het daarin van toepassing verklaarde Nederlands recht op het huwelijksgoederenregime van partijen, in casu inhoudende algehele gemeenschap van goederen, en het daarbij gegeven bevel tot verdeling van die gemeenschap, en, opnieuw rechtdoende, de verzoeken van de vrouw op dit punt alsnog af te wijzen.

2.2. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 4 september 2006, heeft de vrouw verzocht voormelde beschikking te bekrachtigen.

2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 11 januari 2007. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat mr. Sars;

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat mr. Peters.

2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de producties, overgelegd bij het beroepschrift;

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 7 april 2006.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift.

4. De beoordeling

4.1. Partijen zijn op 2 juli 2004 te [plaatsnaam], Marokko met elkaar gehuwd. Bij zijn verzoekschrift in eerste instantie heeft de man onder meer verzocht de echtscheiding tussen partijen uit te spreken. Bij haar verweerschrift in eerste instantie heeft de vrouw de rechtbank onder meer verzocht de verdeling van de tussen partijen bestaande huwelijksgemeenschap te bevelen.

4.2. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank onder meer de echtscheiding tussen partijen uitgesproken, alsmede de verdeling van de huwelijksgemeenschap van partijen bevolen. De rechtbank volgt niet de stelling van de man dat op het huwelijksgoederenregime van partijen het Marokkaans recht van toepassing is en oordeelt dat hierop het Nederlands recht van toepassing is.

4.3. In zijn beroepschrift stelt de man dat partijen, naast de Nederlandse respectievelijk de Belgische nationaliteit, beiden ook de Marokkaanse nationaliteit hebben. De man is dan ook van mening dat in deze het recht van de gemeenschappelijke nationaliteit, te weten: het Marokkaans recht, prevaleert boven Nederlands recht. De rechtbank heeft dus ten onrechte het Nederlands recht van toepassing verklaard. Mitsdien, aldus de man, is ook het bevel tot verdeling van de huwelijksgemeenschap van partijen ten onrechte gegeven, omdat volgens het toepasselijke Marokkaans recht geen sprake is van een gemeenschap van goederen.

4.4. In haar verweerschrift voert de vrouw aan dat de man ten onrechte stelt dat Marokkaans recht van toepassing is op het huwelijksgoederenregime. De vrouw is van mening dat de rechtbank terecht op grond van het in artikel 4 lid 1 Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 bepaalde heeft geoordeeld dat Nederlands recht van toepassing is. Volgens haar is het bevel tot verdeling derhalve terecht gegeven, omdat volgens het toepasselijke Nederlandse recht tussen partijen een gemeenschap van goederen bestaat.

4.5. Het hof overweegt het volgende.

4.5.1. Op het huwelijksgoederenregime van partijen is het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 van toepassing. Om vast te stellen welk recht op het huwelijksgoederenregime van partijen van toepassing is, dient op grond van het in artikel 4 lid 1 van voormeld verdrag bepaalde eerst te worden nagegaan of partijen ten aanzien van hun huwelijksgoederenregime een rechtskeuze hebben gemaakt.

Nu niet is gesteld of gebleken dat partijen een dergelijke rechtskeuze hebben gemaakt, is, in afwijking van het in artikel 4 lid 1 van voormeld verdrag bepaalde, artikel 4 lid 2, aanhef en sub 2, aanhef en sub a van voormeld verdrag van toepassing, waaruit volgt dat het recht van het land waarvan de beide partijen de nationaliteit hebben van toepassing is op hun huwelijksgoederenregime, zulks ook gelet op het feit dat Nederland – één van de verdragsstaten – de in artikel 5 van het verdrag bedoelde verklaring heeft afgelegd en dat de staat van de gemeenschappelijke nationaliteit van partijen (Marokko) geen verdragsstaat is. De conclusie uit het voorgaande is, dat op het huwelijksgoederenregime van partijen het Marokkaans recht van toepassing is.

4.5.2. Voor zover de rechtbank heeft geoordeeld dat op het huwelijksgoederenregime van partijen het Nederlands recht van toepassing is, zal het hof de bestreden beschikking op grond van het vorenstaande vernietigen.

5. De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank te 's-Hertogenbosch van 23 mei 2006, doch uitsluitend voor zover het Nederlands recht op het huwelijksgoederenregime van partijen van toepassing is verklaard;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

bepaalt dat op het huwelijksgoederenregime van partijen het Marokkaans recht

van toepassing is.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Gr?ndemann, Bijleveld-van der Slikke en Raab en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 15 februari 2007 in tegenwoordigheid van de griffier