Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2007:BA3936

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-01-2007
Datum publicatie
26-04-2007
Zaaknummer
R200600758
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verplichting van ouders om te voorzien in de kosten van levensonderhoud en studie van hun meerderjarige kinderen die de leeftijd van 21 jaar niet hebben bereikt, kan op de voet van art. 1:399 BW worden gematigd op grond van zodanige gedragingen van het kind dat verstrekking van levensonderhoud naar redelijkheid niet of niet ten volle kan worden gevergd. Daarbij geldt dat het niet per se misdragingen van het kind behoeven te betreffen. Ook andere gedragingen die grievend zijn voor de onderhoudsplichtige ouder kunnen leiden tot matiging.

In de onderhavige zaak staat voldoende vast dat ten gevolge van gebeurtenissen in het verleden de relatie tussen partijen ernstig verstoord is en dat er verschillende incidenten hebben plaatsgevonden tussen de man en zijn partner enerzijds en N. (het meerderjarige kind) en haar vriend anderzijds. Het hof neemt eveneens in aanmerking dat vast is komen te staan dat N. na deze incidenten geen contact meer heeft gezocht met de man. Daarnaast is gebleken dat zij voor de man heeft verzwegen dat zij gestopt is met haar eerste studie en dat zij eigen inkomsten uit arbeid had, terwijl de man in die periode nog enige tijd een onderhoudsbijdrage is blijven voldoen, en voorts dat zij heeft verwegen dat zij is gaan samenwonen met haar partner die betrokken is geweest bij eerdere escalaties tussen haar en de man.

Hoewel niet duidelijk geworden is of enkel N. verweten kan worden dat de relatie tussen haar en de man ernstig verstoord is, is haar gedrag wel van dien aard geweest dat zij naar het oordeel van het hof in redelijkheid niet ten volle verstrekking van levensonderhoud door de man kan vergen. Dit geldt temeer, nu voldoende aannemelijk is geworden dat mede de onderhavige situatie bij de man tot psychische spanningen leidt.

Het hof zal om die reden een matiging van eenderde toepassen op het totale bedrag dat de man nog tot aan de 21e verjaardag van N. dient te voldoen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2007, 87
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WvR

17 januari 2007

Sector civiel recht

Rekestnummer R200600758

GERECHTSHOF ’S-HERTOGENBOSCH

Beschikking

In de zaak in hoger beroep van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellante in principaal appel,

geïntimeerde in incidenteel appel,

hierna te noemen: [X.],

procureur mr. J.W.M. Steenbakkers,

t e g e n

[Y],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in principaal appel,

appellant in incidenteel appel,

hierna te noemen: de man,

procureur mr. I. Gerrand.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 31 maart 2006, waarvan de inhoud bij partijen bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 30 juni 2006, heeft [X.] verzocht bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende de man alsnog te veroordelen tot het voldoen van € 460,50 per maand aan alimentatie, althans een zodanig bedrag als het hof in goede justitie juist acht, met ingang van 1 augustus 2005, althans met ingang van een door het hof te bepalen datum, in plaats van € 148,79 per maand per 1 september 2005, kosten rechtens.

2.2. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 31 juli 2006, heeft de man verzocht [X.] niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek in hoger beroep, dan wel dat verzoek af te wijzen, en de bestreden beschikking te bekrachtigen. Tevens heeft de man incidenteel appel ingesteld en daarin verzocht de bestreden beschikking te vernietigen ten aanzien van de bepaling dat de door de man te betalen bijdrage voor levensonderhoud en studie van [X.] met ingang van 1 september 2005 op € 148,79 per maand wordt gesteld, en opnieuw rechtdoende de bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van [X.] met ingang van 1 september 2005, althans met ingang van een door het hof in goede justitie te bepalen datum, op nihil te stellen, althans te matigen tot een zodanig bedrag als het hof in goede justitie juist acht. De man heeft tevens verzocht [X.] te veroordelen in de kosten van deze procedure.

2.3. Bij verweerschrift in incidenteel appel, ingekomen ter griffie op 12 september 2006, heeft [X.] verzocht de man in zijn verzoek in incidenteel appel niet-ontvankelijk te verklaren, althans zijn verzoek af te wijzen.

2.4. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 29 november 2006. Bij die gelegenheid zijn partijen en hun advocaten gehoord.

2.5. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de producties, overgelegd bij het beroepschrift en het verweerschrift, tevens houdende incidenteel appel;

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 3 maart 2006;

- een brief met bijlagen van de procureur van de man van 16 november 2006;

- een brief met bijlagen van de procureur van [X.] van 21 november 2006;

- een brief van de procureur van [X.] van 27 november 2006;

- een brief met bijlagen van de procureur van [X.] van 5 december 2006;

- een brief van de procureur van de man van 11 december 2006.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift en het verweerschrift, tevens houdende incidenteel appel.

4. De beoordeling

4.1. De man is op 9 september 1983 te Waalre gehuwd met [Y.] (hierna: de vrouw). Uit dit huwelijk zijn geboren:

- [X.], op [geboortejaar];

- [Z.], op [geboortejaar].

Bij beschikking van 1 december 2000 heeft de rechtbank ’s-Hertogenbosch de echtscheiding tussen de man en de vrouw uitgesproken. De rechtbank heeft hierbij tevens bepaald dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen een bedrag van fl. 300,- (€ 136,13) per kind per maand diende te betalen. De bijdrage ten behoeve van [X.] is bij het bereiken van haar meerder-jarigheid op 17 augustus 2003 van rechtswege omgezet in een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie.

4.2. [X.] heeft in eerste aanleg de rechtbank verzocht te bepalen dat de man aan haar als bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie bij vooruitbetaling een bedrag van € 500,- per maand zal voldoen met ingang van 1 september 2005, vermeerderd met iedere uitkering die haar op grond van geldende wetten of andere regelingen kan worden verleend.

De man heeft in eerste aanleg hiertegen verweer gevoerd en bij zelfstandig verzoek verzocht te bepalen dat zijn onderhoudsverplichting jegens [X.] vanaf 1 mei 2004 wordt verminderd tot nihil.

4.3. Bij beschikking waarvan beroep heeft de rechtbank ’s-Hertogenbosch haar beschikking van 1 december 2000 aldus gewijzigd dat de daarbij vastgestelde onderhoudsbijdrage ten behoeve van [X.] met ingang van 1 mei 2004 op nihil en met ingang van 1 september 2005 op € 148,79 per maand wordt gesteld.

Zowel [X.] als de man kan zich met deze beschikking niet verenigen voor zover het betreft de vastgestelde bijdrage met ingang van 1 september 2005. Zij komen beiden hiertegen op.

4.4. De grieven van [X.] hebben betrekking op:

- haar behoefte (grief 1);

- de draagkracht van de man (grieven 2, 3 en 4).

[X.] heeft in hoger beroep tevens haar verzoek vermeerderd in die zin dat de door de man te betalen bijdrage reeds dient in te gaan per 1 augustus 2005.

4.5. De grief van de man in incidenteel appel is gericht tegen de overweging van de rechtbank dat geen sprake is van zodanige gedragingen van [X.] dat verstrekking van levensonderhoud door de man naar redelijkheid niet of niet ten volle kan worden gevergd.

Ingangsdatum

4.6. Ter zitting heeft [X.] te kennen gegeven ermee akkoord te gaan dat de door de man te betalen bijdrage ingaat op 1 september 2005 en niet, zoals zij in haar beroepschrift heeft verzocht, op 1 augustus 2005. Zij stond weliswaar reeds met ingang van 1 augustus 2005 ingeschreven bij het ROC te [vestigingsplaats], maar ter zitting is tevens gebleken dat zij daadwerkelijk is gestart met haar studie met ingang van 1 september 2005.

Het hof neemt voorts in aanmerking dat [X.] op [verjaardagsdatum] 21 jaar is geworden. Dit betekent dat de onderhoudsverplichting van de man jegens [X.] geëindigd is op [verjaardagsdatum] en dat het hoger beroep betrekking heeft op de door de man te betalen bijdrage gedurende de periode van 1 september 2005 tot [verjaardagsdatum].

Behoefte

4.7. [X.] stelt in haar eerste grief dat haar behoefte op een hoger bedrag dient te worden vastgesteld dan het bij de beschikking van 1 december 2000 aan de man opgelegde bedrag aan kinderalimentatie (fl. 300,- per maand), nu haar leeftijd en leefsituatie sedertdien gewijzigd zijn. Subsidiair is zij van mening dat de kinderalimentatie destijds op grond van onjuiste dan wel onvolledige gegevens tot stand is gekomen.

4.8. Ter zitting zijn partijen het erover eens geworden dat voor wat betreft de behoefte van [X.] met ingang van 1 september 2005 uitgegaan kan worden van de door de Informatie Beheer Groep gehanteerde bedragen voor een particulier verzekerde, uitwonende mbo-student. Partijen gaan beiden akkoord met een behoefte van [X.] voor 2005 van € 460,50 en voor 2006 van € 381,89 per maand. Hierop is de door [X.] ontvangen beurs reeds in mindering gebracht.

Nu partijen het eens zijn over voornoemde bedragen wat betreft de behoefte van [X.] en de man zijn primaire verweer - inhoudende dat [X.] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar hoger beroep, omdat niet zij maar haar wettelijk vertegenwoordiger gedurende haar minderjarigheid het verzoek tot wijziging van de beschikking van 1 december 2000 had moeten indienen - ter zitting heeft ingetrokken, komt het hof toe aan de bespreking van de stelling van de man dat deze bedragen nog verminderd dienen te worden met eventuele inkomsten van [X.] uit arbeid.

4.9. In het kader van voornoemde stelling van de man overweegt het hof als volgt.

Ten aanzien van 2005 neemt het hof in aanmerking dat ter zitting is naar voren gekomen dat [X.] in dat jaar bij twee werkgevers heeft gewerkt, te weten super-markt Albert Heijn (Ahold) en Randstad Uitzendbureau b.v. [X.] heeft voorts ter zitting naar voren gebracht dat zij vanaf 1 september 2005 naast haar studie geen inkomsten uit arbeid meer heeft gehad, hetgeen door de man is betwist.

Bij brief van 5 december 2006 heeft [X.] de jaaropgaven 2005 van Ahold en Randstad, alsmede salarisspecificaties van Randstad over 2005 in het geding gebracht. Uit de jaaropgave 2005 van Ahold blijkt een fiscaal jaarloon van

€ 925,-. Het hof leidt uit de arbeidsovereenkomst tussen [X.] en Albert Heijn, alsmede uit de ontslagbrief van Albert Heijn, beide eveneens overgelegd bij brief van 5 december 2006, af dat [X.] gedurende de periode van 8 maart 2005 tot begin mei 2005 in dienst is geweest bij Albert Heijn en dat voornoemd fiscaal loon derhalve betrekking heeft op deze periode.

Uit de jaaropgave 2005 van Randstad blijkt een fiscaal jaarloon van € 1.983,- met ingang van 3 mei 2005. De salarisspecificatie van 13 september 2005, welke betrekking heeft op de door [X.] in week 35 gewerkte uren, geeft een cumulatief fiscaal loon aan van € 1.960,-. De salarisspecificatie van 18 november 2005 heeft betrekking op een nabetaling van vakantiegeld en vakantiedagen en vermeldt een cumulatief fiscaal jaarloon van € 1.983,-, welk bedrag overeenkomt met het op de jaaropgave 2005 van Randstad vermelde fiscaal jaarloon. Over de laatste week dat [X.] voor Randstad heeft gewerkt (week 35 van 2005) heeft [X.] een bruto loon ontvangen van in totaal € 171,15. Deze week heeft betrekking op maandag 29 augustus tot en met zaterdag 3 september 2005. Naar het oordeel van het hof is het door [X.] in de eerste drie dagen van september 2005 verworven inkomen, als ze al op die dagen heeft gewerkt, verhoudingsgewijs van dermate geringe omvang dat dit inkomen te verwaarlozen is.

Gezien het voorgaande is voldoende vast komen te staan dat [X.] na 1 september 2005 nagenoeg geen inkomsten uit arbeid meer heeft gehad. Nu gesteld, noch gebleken is dat zij vanaf 1 september 2005 anderszins inkomsten heeft genoten, dient de behoefte van [X.] gedurende de periode van 1 september 2005 tot 1 januari 2006 vastgesteld te worden op het hierboven reeds genoemde bedrag van € 460,50 per maand.

Tussen partijen staat vast dat [X.] in 2006 enkel inkomsten heeft gehad uit hoofde van een stagevergoeding. Blijkens de salarisspecificaties over de periodes zes tot en met negen van 2006 bedroeg deze stagevergoeding tot 1 september 2006 in totaal circa € 683,97 netto. Dit bedrag heeft het hof becijferd door de netto-inkomsten van [X.] over de periodes zes tot en met acht van 2006, verminderd met het kledinggeld, bij elkaar op te tellen en deze te vermeerderen met een achtste deel van haar netto-inkomsten in periode negen van 2006. Periode acht van 2006 loopt naar mag worden aangenomen tot en met week 32, eindigende op zaterdag 12 augustus 2006, en de inkomsten van [X.] dienen te worden meegenomen tot [verjaardagsdatum].

Na voornoemd inkomen in mindering te hebben gebracht op de totale behoefte van [X.] over de periode van 1 januari 2006 tot [verjaardagsdatum] van € 2.864,18 (7,5 maal € 381,89), resteert een aanvullende behoefte van [X.] voor deze periode van

€ 2.180,21. Dit komt neer op € 290,69 per maand (€ 2.180,21/7,5).

De eerste grief van [X.] slaagt in zoverre.

Draagkracht

4.10. In hoger beroep staat de draagkracht van de man niet ter discussie, aangezien de man in hoger beroep niet betwist heeft dat hij in staat is de door [X.] in hoger beroep verzochte onderhoudsbijdrage van € 460,50 per maand te voldoen en hij evenmin een grief heeft geformuleerd ten aanzien van zijn draagkracht. Het hof gaat er aldus vanuit dat de man in staat is om over de periode van 1 september 2005 tot 1 januari 2006 een onderhoudsbijdrage van € 460,50 per maand en met ingang van 1 januari 2006 een onderhoudsbijdrage van € 291,- per maand te voldoen. De grieven van [X.] ten aanzien van de draagkracht van de man behoeven mitsdien geen nadere behandeling.

Matiging ex art. 1:399 BW

4.11. In incidenteel appel verzoekt de man de door hem met ingang van 1 september 2005 te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van [X.] op grond van art. 1:399 BW op nihil te stellen, dan wel te matigen. De man voert daarbij aan dat [X.] gedurende de periode dat zij bij hem gewoond heeft, onaangepast gedrag heeft getoond, hetgeen tot ernstige conflicten heeft geleid. Ook nadat zij de woning van de man heeft verlaten, hebben [X.] en haar partner de man en zijn partner op ernstige wijze lastig gevallen, aldus de man. Voorts brengt de man naar voren dat [X.] heeft nagelaten hem te informeren omtrent de stopzetting van haar eerdere studie, haar samenwoning met haar partner en haar inkomsten uit arbeid. Volgens de man hebben het voorgaande en de door [X.] opgestarte procedures bij hem geleid tot ernstige psychische klachten en kan voortzetting van zijn onderhoudsverplichting jegens [X.] niet van hem gevergd worden.

4.12. [X.] erkent dat de relatie tussen haar en de man verstoord is, maar is van mening dat dit niet alleen aan haar te wijten is. Zij merkt daarnaast op dat aan de door de man overgelegde aangiften van geweld door de officier van justitie geen gevolg is gegeven en dat deze aangiften slechts een eenzijdige kijk geven op een al dan niet voorgevallen ruzie tussen partijen. Volgens [X.] hebben partijen nadat [X.] de woning van haar vader verlaten heeft, weinig contact met elkaar gehad. Tenslotte brengt zij naar voren dat zij zich om financiële redenen genoodzaakt zag om de procedure in eerste aanleg en de onderhavige procedure op te starten.

4.13. Het hof overweegt als volgt.

De verplichting van ouders om te voorzien in de kosten van levensonderhoud en studie van hun meerderjarige kinderen die de leeftijd van 21 jaar niet hebben bereikt, kan op de voet van art. 1:399 BW worden gematigd op grond van zodanige gedragingen van het kind dat verstrekking van levensonderhoud naar redelijkheid niet of niet ten volle kan worden gevergd. Daarbij geldt dat het niet per se misdragingen van het kind behoeven te betreffen. Ook andere gedragingen die grievend zijn voor de onderhoudsplichtige ouder kunnen leiden tot matiging. Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat ook niet het gedrag op zich, maar het door het kind bij zodanig gedrag vragen om financiële ondersteuning van de onderhoudsplichtige ouder een dermate kwetsend karakter voor laatstgenoemde moet hebben dat van betrokkene de gevraagde onderhoudsbijdrage in redelijkheid niet of niet ten volle kan worden gevergd.

Het hof neemt in de onderhavige zaak in aanmerking dat voldoende vaststaat dat ten gevolge van gebeurtenissen in het verleden de relatie tussen partijen ernstig verstoord is. Uit de door de man overgelegde aangiften van 14 mei 2003 en 23 juni 2003 blijkt dat de situatie tussen partijen in ieder geval op 2 mei 2003 en op 23 juni 2003 is geëscaleerd. Uit deze aangiften komt naar voren dat sprake is geweest van lijfelijk geweld tussen de man en de partner van [X.], waarbij het initiatief is uitgegaan van de partner van [X.], en dat [X.] hierbij direct betrokken is geweest, maar niet heeft ingegrepen en evenmin afstand heeft genomen van de gedragingen van haar partner jegens de man. Blijkens voornoemde aangiften is tevens sprake geweest van een handgemeen tussen [X.] en de man, alsmede tussen [X.] en de partner van de man. Verder zijn in de aangiften bedreigingen van de man en diens partner door de partner van [X.] vermeld, en onheuse sms’jes vanaf de mobiele telefoon van de partner van [X.] aan de partner van de man. [X.] heeft het voorgaande niet, dan wel onvoldoende weersproken.

Het hof neemt eveneens in aanmerking dat vast is komen te staan dat [X.] na voornoemde incidenten geen contact meer heeft gezocht met de man. Daarnaast is gebleken dat zij voor de man heeft verzwegen dat zij gestopt is met haar eerste studie en dat zij eigen inkomsten uit arbeid had, terwijl de man in die periode nog enige tijd een onderhoudsbijdrage is blijven voldoen, en voorts dat zij heeft verzwegen dat zij is gaan samenwonen met haar partner die betrokken is geweest bij eerdere escalaties tussen haar en de man. Hoewel niet duidelijk geworden is of enkel [X.] verweten kan worden dat de relatie tussen haar en de man ernstig verstoord is, is haar gedrag wel van dien aard geweest dat zij naar het oordeel van het hof in redelijkheid niet ten volle verstrekking van levensonderhoud door de man kan vergen. Dit geldt temeer, nu op basis van de overgelegde stukken - waaronder rapportages interventieonderzoek van de ArboUnie van 16 februari 2006 en 18 april 2006 - en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen, voldoende aannemelijk is geworden dat mede de onderhavige situatie bij de man tot psychische spanningen leidt.

Het hof zal om die reden een matiging van eenderde toepassen op het totale bedrag dat de man op grond van het hiervoor overwogene over de periode van 1 september 2005 tot [verjaardagsdatum] als bijdrage aan [X.] dient te voldoen (afgerond € 4.022,-). Dit betekent dat de door de man verschuldigde bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van [X.] over voornoemde periode zal worden vastgesteld op een totaal bedrag van (afgerond) € 2.681,-.

De grief van de man in incidenteel appel treft aldus gedeeltelijk doel.

4.14. De bestreden beschikking dient derhalve te worden vernietigd voor wat betreft de door de man te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve van [X.] met ingang van 1 september 2005.

Proceskosten

4.15. De man heeft verzocht om [X.] te veroordelen in de kosten van de onder-havige procedure. Het hof ziet echter geen aanleiding om dit verzoek te honoreren, nu zowel [X.] als de man gedeeltelijk in het gelijk worden gesteld. Gelet op de aard van de zaak zal het hof de op dit hoger beroep gevallen proceskosten tussen partijen compenseren.

5. De beslissing

Het hof:

in principaal en incidenteel appel:

vernietigt de bestreden beschikking van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 31 maart 2006, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, uitsluitend voor wat betreft de door de man te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van [X.] met ingang van 1 september 2005;

bepaalt dat de man aan [X.] over de periode van 1 september 2005 tot [verjaardagsdatum] als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud en studie een totaal bedrag dient te voldoen van € 2.681,-;

verstaat dat de onderhoudsverplichting van de man jegens [X.] is geëindigd op [verjaardagsdatum], zijnde de 21e verjaardag van [X.];

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte;

compenseert de op dit hoger beroep gevallen proceskosten aldus dat partijen ieder de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Kranenburg, Pellis en Schaafsma-Beversluis en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 januari 2007.