Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2007:BA3928

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-03-2007
Datum publicatie
26-04-2007
Zaaknummer
R200700122
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

MB

12 maart 2007

Sector Civiel Recht

Rekestnummer R200700122 gevoegd met R200700107

Zaaknummer eerste aanleg: 168596 JE RK 06-1971

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Beschikking

In de zaak in hoger beroep van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna: [X.],

procureur mr. J.J.M. Cliteur,

t e g e n

de Raad voor de Kinderbescherming regio Midden- en West - Brabant,

gevestigd te Breda,

geïntimeerde,

hierna: de raad.

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

- mevrouw [Y.], moeder van [X.], hierna: de moeder;

- de heer [Z.], vader van [X.], hierna: de vader;

- de stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant, gevestigd te Breda, hierna: de stichting.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Breda van 16 januari 2007, waarvan de inhoud bij partijen bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 7 februari 2007, heeft [X.] verzocht de bestreden beschikking voor wat betreft de ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het verzoek van de raad af te wijzen.

2.2. Gelet op de verknochtheid van de ter griffie onder de nummers R200700122 en R200700107 ingeschreven zaken heeft het hof daarvan aanvankelijk voeging gelast. Ter zitting is alsnog besloten de zaken afzonderlijk te behandelen en daarin te beslissen.

2.3. Voorafgaande aan de mondelinge behandeling is [X.] gehoord.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 12 maart 2007.

Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de moeder, bijgestaan door mr. Z. Gademan;

- de vader, bijgestaan door mr. A.R. Oosterhout;

- mr. H. Werger, namens de raad.

2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de producties, overgelegd bij het beroepschrift;

- de fax met bijlagen van de advocaat van [X.] d.d. 8 maart 2007.

2.5. Het hof heeft géén kennis kunnen nemen van het verweerschrift van de vader, d.d. 1 maart 2007, dat het hof per fax op 2 maart 2007 heeft ontvangen.

Van dit verweerschrift zijn pas op 8 maart 2007 per post het, op grond van artikel 2 van het uniform reglement gerechtshoven voor rekestprocedures in familiezaken, voorgeschreven aantal exemplaren ontvangen, waarvan het hof voorafgaand aan de mondelinge behandeling geen kennis heeft kunnen nemen.

2.6. Het hof heeft ter zitting op 12 maart 2007 het dictum in deze zaak aan partijen medegedeeld. In de onderhavige beschikking, aan partijen gezonden op 2 april 2007 zijn de overwegingen toegevoegd, welke gang van zaken tijdens de mondelinge behandeling op 12 maart 2006 met partijen is besproken.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift.

4. De beoordeling

4.1. Uit het inmiddels door echtscheiding ontbonden huwelijk van de vader en de moeder is [X.] op [geboortjaar] geboren. De ouders hebben gezamenlijk het ouderlijk gezag over [X.]. [X.] heeft haar hoofdverblijf bij de moeder en er bestaat een omgangsregeling met de vader.

4.2. Bij beschikking waarvan beroep heeft de rechtbank [X.] met ingang van 16 januari 2007 tot uiterlijk 16 januari 2008 onder toezicht van de stichting gesteld en heeft de rechtbank de stichting gemachtigd [X.] uit huis te plaatsen in een accommodatie van een zorgaanbieder met ingang van 16 januari 2007 tot 16 juli 2007. Deze beschikking is uitvoer bij voorraad verklaard.

[X.] kan zich niet met deze beslissing verenigen en komt hiervan in hoger beroep.

4.3. In het beroepschrift stelt [X.] het volgende ten aanzien van de ontvankelijkheid van haar beroep.

Het recht van [X.] om zelfstandig, als minderjarige, hoger beroep in te stellen tegen de bestreden beschikking vloeit in de eerste plaats voort uit artikel 1:256 lid 4 Burgerlijk Wetboek (BW). Aangezien in dit artikel aan de minderjarige het recht wordt toegekend om de opheffing van een ondertoezichtstelling te vragen, vloeit daaruit naar de mening van [X.] logisch voort dat de minderjarige van 12 jaar of ouder ook het zelfstandig recht heeft te appelleren van een beslissing tot instelling van de ondertoezichtstelling, en wanneer die beslissing een verder strekkende maatregel van uithuisplaatsing impliceert.

Het is van belang dat in dit geval de vader het eens is met de ondertoezichtstelling en dat de moeder dit niet is. Nu beide ouders het ouderlijk gezag uitoefenen komt [X.] in een knelpositie wanneer zij niet zonder toestemming van beide ouders in rechte kan optreden. De aanwijzing van een bijzonder curator zou uitkomst bieden, maar dit dient strikt genomen ook door beide ouders te worden verzocht. [X.] beroept zich op het commentaar van professor Doek op genoemd artikel 1:256 lid 4 BW dat niet valt in te zien waarom de minderjarige wel zelf opheffing van de ondertoezichtstelling kan verzoeken, maar niet zelfstandig zou kunnen appelleren.

In de tweede plaats is [X.] van mening dat haar recht om zelfstandig hoger beroep te kunnen instellen rechtstreeks voortvloeit uit het in artikel 8 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) gewaarborgde recht op eerbiediging van het gezinsleven. [X.] wil herenigd blijven met haar moeder. Het recht zou bovendien rechtstreeks voortvloeien uit de artikelen 7 en 9 van het Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK), de minderjarige heeft er recht op door (een van) haar ouders te worden verzorgd.

4.4. Het hof overweegt ten aanzien van de ontvankelijkheid als volgt.

4.4.1. Een minderjarige is onbekwaam in rechte als eiser of als gedaagde op te treden. Blijkens artikel 1:245 lid 4 BW juncto artikel 1:245 lid 2 BW heeft het over minderjarigen uitgeoefende gezag onder meer betrekking op hun vertegenwoordiging in burgerlijke handelingen, zowel in als buiten rechte.

De Nederlandse wetgever heeft de positie van de minderjarigen in familierechtelijke procedures een plek gegeven door hen vanaf een bepaalde leeftijd in de gelegenheid te stellen te worden gehoord. Dat is onder meer zo in het geval van een ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing.

In afwijking van deze hoofdregel heeft de Nederlandse wetgever slechts in een beperkt aantal gevallen een sterkere rechtspositie aan de minderjarige gegeven. Dat is het geval in artikel 1:256 lid 4 BW, waarin, voor zover hiervan belang, is bepaald dat de minderjarige zelf om opheffing van een ondertoezichtstelling kan verzoeken. Een dergelijk verzoek leidt tot een ambtshalve door de rechter te nemen beslissing, waarin de minderjarige zelf geen procespartij is.

Van de beslissing op een dergelijk opheffingsverzoek staat hoger beroep open voor belanghebbenden (artikel 806 Rv). De minderjarige wiens opheffingsverzoek wordt afgewezen, kan echter niet zelfstandig in hoger beroep komen. Hij zal één van zijn met het gezag belaste ouders bereid moeten vinden voor hem in rechte op te treden.

Wanneer de belangen van de minderjarige in strijd zijn met die van de ouders kan de rechter een bijzonder curator benoemen (artikel 1:250 BW). De minderjarige kan hier zelfstandig om verzoeken.

De wetgever heeft aan een minderjarige wel een recht van hoger beroep toegekend ingeval van een machtiging uithuisplaatsing in een gesloten inrichting (artikel 1:261 lid 3 BW). Dit betreft een vrijheidsbeneming waarop artikel 5 EVRM van toepassing is.

4.4.2. Het hof onderschrijft de stelling van [X.], inhoudende dat uit artikel 1: 256 lid 4 BW voortvloeit dat zij als minderjarige hoger beroep kan instellen tegen de bestreden beschikking, niet. Het betreft in dit geval immers geen plaatsing in een gesloten inrichting. Het is niet de bedoeling van de wetgever geweest om voor een situatie zoals de onderhavige, waarin machtiging is gegeven de minderjarige vanuit een thuissituatie uithuis te plaatsen in een accommodatie van een zorgaanbieder, een rechtsingang te creëren.

Ook ziet het hof geen aanleiding om in dit geval hiervan af te wijken op grond van artikel 8 EVRM dan wel op grond van de artikelen 7 en 9 IVRK, waarop het beroep van [X.] mede gebaseerd is.

De stelling van [X.] dat artikel 8 EVRM aan een minderjarige, vanaf een zekere leeftijd, een zelfstandige rechtstoegang toekent kan haar in dit geval niet baten. Hierbij neemt het hof in aanmerking dat de moeder reeds opkomt voor de belangen van [X.] in het door haar ingestelde beroep (R200700107) en dat in die procedure de door [X.] in haar beroepschrift aangevoerde grieven (welke inhoudelijk met de grieven van de moeder overeenkomen) inhoudelijk zullen worden behandeld. Evenmin kan aan de artikelen 7 en 9 IVRK een zelfstandig beroepsrecht voor de minderjarige worden ontleend. Artikel 9 lid 2 IVRK vereist slechts dat de nationale wetgever garandeert dat in procedures betreffende onder meer de verblijfplaats van het kind alle betrokken partijen de gelegenheid krijgen aan de procedures deel te nemen en hun standpunten naar voren te brengen. Deze opdracht is voor wat betreft de minderjarige in de Nederlandse wetgeving gegarandeerd door een hoorrecht voor de minderjarige vast te leggen.

Het hof oordeelt dat de fundamentele rechten van [X.] door haar in dit geval geen toegang tot de rechter te verlenen als zelfstandige procespartij niet worden geschaad. Daarbij is van belang dat [X.] in het door haar moeder ingestelde hoger beroep in de gelegenheid is gesteld om te worden gehoord, zodat haar mening over de rechterlijke beslissing in die procedure wordt meegewogen.

Aldus moeten haar belangen geacht worden voldoende te zijn gewaarborgd. Er is derhalve geen aanleiding om de procesonbekwaamheid van [X.] in dit geval te doorbreken.

4.4.3. Gelet op het voorgaande zal het hof [X.] als minderjarige niet-ontvankelijk verklaren in haar hoger beroep. Het hof komt derhalve niet toe aan een inhoudelijke behandeling.

5. De beslissing

Het hof:

verklaart [X.] niet-ontvankelijk in haar hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank Breda van 16 januari 2007.

Deze beschikking is gegeven door mr. Everaars-Katerberg, Kranenburg en Pellis en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 12 maart 2007 in tegenwoordigheid van de griffier.