Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2007:BA3802

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
11-04-2007
Datum publicatie
25-04-2007
Zaaknummer
R200601128
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Convenant bij echtscheiding aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven? Toen partijen in 2001 het convenant aangingen, was het minder gebruikelijk om de behoefte van de vrouw expliciet vast te stellen, doch werd de bijdrage veelal werd geënt op de aanwezige draagkracht. De omstandigheid dat destijds niet expliciet rekening is gehouden met de behoefte van de vrouw vormt op zich genomen nog geen grove miskenning van de wettelijke maatstaven.

Gelet op de leeftijd van de kinderen van partijen is het hof van oordeel dat de kinderen thans minder verzorging behoeven dan in 2001. Niet valt in te zien, dat de vrouw evenals de nieuwe partner van de man, die ook twee kinderen te verzorgen heeft, niet voor drie dagen in de week zou kunnen gaan werken in plaats van de twee dagen, die zij vanaf het tijdstip van het scheidingsconvenant tot heden heeft gewerkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2007/99

Uitspraak

WG

11 april 2007

Sector civiel recht

Rekestnummer R200601128

Zaaknummer eerste aanleg 130041 / FA RK 05-3035

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Beschikking

In de zaak in hoger beroep van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in incidenteel appel,

de man,

procureur mr. A.T.L. van Zandvoort,

t e g e n

[Y.],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in principaal appel,

appellante in incidenteel appel,

de vrouw,

procureur mr. M.C. Appünn.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 3 juli 2006, waarvan de inhoud bij partijen bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 28 september 2006, heeft de man verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende te bepalen dat de vrouw niet ontvankelijk wordt verklaard in haar inleidend verzoek, althans dat dat verzoek van de vrouw zal worden afgewezen.

2.2. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 27 oktober 2006, heeft de vrouw (naar het hof begrijpt) verzocht het hoger beroep van de man af te wijzen als ongegrond.

Tevens heeft de vrouw hierbij incidenteel appel ingesteld en daarin verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende (naar het hof begrijpt) met wijziging van de beschikking van de rechtbank van 1 april 2005 de door de man te betalen bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw met ingang van 25 juli 2005 vast te stellen op € 520,- per maand.

2.3. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 22 november 2006, heeft de man verzocht het incidenteel appel van de vrouw af te wijzen als onjuist en ongegrond.

2.4. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 7 maart 2007. Bij die gelegenheid zijn de man en de vrouw, bijgestaan door hun advocaten, gehoord.

2.5. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de producties, overlegd bij het beroepschrift en het verweerschrift, tevens houdende incidenteel appel.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift en het verweerschrift, tevens houdende incidenteel appel.

4. De beoordeling

in het principaal en incidenteel appel

4.1. Partijen zijn op 19 juni 1987 te Nuland met elkaar gehuwd.

De tussen partijen op 9 oktober 2001 door de rechtbank ‘s-Hertogenbosch gegeven echt¬scheidingsbeschikking is op 12 oktober 2001 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente Maasdonk .

4.2. Uit het huwelijk van partijen zijn twee kinderen geboren:

- [A.], geboren op [geboortejaar] en

- [B.], geboren op [geboortejaar],

over wie partijen gezamenlijk het ouderlijk gezag uitoefenen. De kinderen verblijven bij de vrouw.

4.3. Partijen hebben de gevolgen van hun echtscheiding geregeld in een convenant d.d. 10 september 2001. In dat convenant zijn partijen met betrekking tot het door de man aan de vrouw als bijdrage in haar levensonderhoud te betalen bedrag onder meer overeengekomen dat de man met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidings- beschikking in de registers van de burgerlijke stand aan de vrouw een bedrag van fl 300,- per maand zal voldoen. Deze bijdrage is met ingang van 1 januari 2002 onderworpen aan indexering.

Voorts zijn partijen bij voormeld convenant overeengekomen dat eigen inkomsten van de vrouw tot een bedrag van

fl 1.045,44 bruto per maand geen grond vormen voor vermindering van alimentatie. Eigen inkomsten voor zover die

fl 1.045,44 bruto per maand te boven gaan, komen geheel in mindering op de partner-alimentatie. Indien de vrouw meer gaat verdienen dan het hiervoor genoemde bedrag, stelt zij de man daarvan zo spoedig mogelijk op de hoogte. De vrouw zal de hoogte van haar inkomen jaarlijks aantonen door overlegging van bewijs-stukken aan de man, zoals een jaaropgave. Genoemde bedragen zullen jaarlijks worden verhoogd met de wettelijke indexering als bedoeld in art. 1:402a BW.

In genoemd convenant is verder tussen partijen overeengekomen dat de man fl 400,- per maand en per kind zou betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de twee kinderen van partijen.

De vrouw had aldus de beschikking over een inkomen van fl 1.045,44 bruto, nog te vermeerderen met 8% vakantiegeld is

fl. 1.129,- bruto plus fl 300,- bruto is fl 1.429,- nog te vermeerderen met een netto inkomen van fl 800,-.

4.4. De rechtbank heeft overeenkomstig het convenant bij beschikking van 9 oktober 2001 onder meer bepaald dat de man met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand aan de vrouw als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud een bedrag van fl 300,- per maand dient te betalen.

4.5. Bij de beschikking van 1 april 2005 heeft de rechtbank ‘s-Hertogenbosch de door de man als uitkering tot het levensonderhoud van de vrouw te betalen bijdrage op verzoek van de man met ingang van 1 januari 2005 op nihil bepaald.

4.6. De vrouw heeft bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie van de rechtbank op 25 juli 2005, wijziging gevraagd van de nihilstelling. De rechtbank heeft dit verzoek toegewezen met dien verstande dat de door de man te betalen bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw met ingang van 21 april 2006 € 520,- per maand bedraagt.

Zowel de man als de vrouw kan zich met deze beslissing niet verenigen en is daarvan in hoger beroep gekomen.

Ontvankelijkheid

4.7. De man heeft gesteld dat de rechtbank de vrouw niet ontvankelijk had dienen te verklaren in haar wijzigingsverzoek. De man heeft daartoe aangevoerd dat de vrouw geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid verweer te voeren tegen de door de man verzochte nihilstelling. Bovendien heeft de vrouw nagelaten in hoger beroep te komen van de op dat verzoek van de man gegeven beschikking van 1 april 2005, zodat de man ervan uitging dat de vrouw berustte in die beschikking, waarbij zijn bijdrage op nihil is bepaald. De vrouw dient derhalve thans niet ontvankelijk te worden verklaard in haar wijzigingsverzoek.

De voorgaande stelling van de man vindt naar het oordeel van het hof geen steun in het recht. Aan de man kan worden toegegeven dat het om proces-economische redenen mogelijk efficiënter geweest was indien de vrouw haar stellingen had ingebracht in een hoger beroep tegen de beschikking van 1 april 2005, maar nu de vrouw kennelijk heeft gekozen voor het indienen van een wijzigingsverzoek bij de rechtbank is zij daarin terecht ontvankelijk verklaard. Van de door de man gestelde berusting is geen sprake. Daarnaast heeft de vrouw naar het oordeel van het hof in haar inleidend verzoekschrift voldoende gronden voor wijziging van de door de man te betalen onderhoudsbijdrage gesteld, zodat ook daarin geen grond gevonden kan worden de vrouw alsnog niet ontvankelijk te verklaren in haar inleidend verzoek.

Status convenant van 10 september 2001

4.8. In hoger beroep heeft de man naar voren gebracht dat niet gesteld kan worden dat het convenant niet overeenstemt met de wettelijke maatstaven. De man heeft aangegeven dat partijen het convenant destijds na meerdere gesprekken met hun gemeenschappelijke advocaat hebben gesloten. Daarbij is de behoefte van de vrouw niet expliciet ter sprake geweest, laat staan berekend op een bepaald bedrag. Bij het sluiten van het convenant hebben partijen weloverwogen beslissingen genomen en hebben zij zich laten bijstaan door een advocaat, van wie zij beiden mochten verwachten dat een en ander ter afwikkeling van de echtscheiding rechtsgeldig en juist zou zijn.

De vrouw heeft in hoger beroep aangevoerd, dat de rechtbank terecht heeft opgemerkt, dat de onderhavige procedure zich niet leent voor nietigverklaring van het convenant. De vrouw meent echter wel, dat het convenant is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven, hetgeen krachtens art. 1:401 lid 5 BW een grond voor wijziging oplevert. Gelet op haar incidenteel appel wil zij die wijziging laten ingaan op 25 juli 2005. Met een beroep op de door haar gestelde grove miskenning van de wettelijke maatstaven wil de vrouw met name ook voorkomen, dat een verrekening plaats vindt van de door de man na het ingaan van het convenant te veel betaalde alimentatie.

4.9. Het hof oordeelt als volgt.

Indien en voor zover de vrouw met voorgaande stellingen bedoeld heeft een grief in incidenteel appel te formuleren, kan deze grief niet slagen. Het hof overweegt daarbij dat toen partijen het convenant aangingen, het minder gebruikelijk was dan thans om de behoefte van de vrouw expliciet vast te stellen bij de bepaling van de omvang van de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage, doch dat deze bijdrage veelal werd geënt op de aanwezige draagkracht. De omstandigheid dat destijds niet expliciet rekening is gehouden met de behoefte van de vrouw vormt op zich genomen nog geen grove miskenning van de wettelijke maatstaven. Bovendien is het hof gebleken dat het convenant na overleg met partijen door tussenkomst van een gemeenschappelijke advocaat tot stand is gekomen en dat beide partijen zich ervan bewust waren dat de door de man te betalen bijdrage was begroot, rekening houdend met een eigen inkomen van de vrouw en de door de man te betalen bijdrage voor de kinderen. De man heeft in dit verband nog betoogd, dat in het onderhavig geval sprake was van een relatief hoge kinder-alimentatie, die voor de vrouw in zoverre een netto inkomen opleverde en dat het niet aangaat om thans de behoefte van de vrouw geheel los te zien van deze bijdragen.

Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw te weinig gesteld over de omstandig-heden waaronder het convenant is tot stand gekomen en of en zo ja op welke wijze rekening is gehouden met de draagkracht van de man, inclusief de lasten, waarvoor hij destijds stond. Naar het oordeel van het hof is er gelet op het voor-gaande geen grond om op basis van een grove miskenning van de wettelijke maatstaven het convenant te wijzigen. Nu de beschikking van 9 oktober 2001 is gebaseerd op het tussen partijen gesloten convenant, is het hof gelet op het hiervoor overwogene van oordeel dat er evenmin sprake van is, dat de voormelde beschikking van aanvang af aan niet aan de wettelijke maatstaven heeft voldaan.

4.10. Gelet echter op art. 1:401 lid 1 BW kan een overeenkomst betreffende het levensonderhoud eveneens worden gewijzigd wanneer zij nadien door een wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen. De man heeft niet betwist dat hij met ingang van 1 mei 2005 is gaan samenwonen met een nieuwe partner. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat die omstandigheid een rechtens relevante wijziging van omstandigheden vormt, die een herbeoordeling van de door de man te betalen bijdrage in de kosten van het levensonderhoud rechtvaardigt. In zoverre faalt de eerste grief van de man in het principaal appel.

Ingangsdatum wijziging

4.11. Tussen partijen is in geschil de datum, waarop de wijziging van de door de man te betalen bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw moet ingaan.

De man heeft gesteld dat indien hij een bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw dient te betalen, die bijdrage niet eerder dan met ingang van de datum van de bestreden beschikking, ofwel op 3 juli 2006, dient aan te vangen. Ter zitting heeft de man daartoe aangevoerd dat hij niet eerder dan per die datum rekening diende te houden met een door hem te betalen bijdrage, omdat de rechtbank zijn bijdrage eerder juist op nihil had bepaald.

Het hof overweegt overeenkomstig de stelling van de vrouw in incidenteel appel dat de man per de datum van indiening van het verzoekschrift, ofwel op 25 juli 2005, op de hoogte was van het verzoek van de vrouw. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de vrouw eerder geen verweer had gevoerd tegen het verzoek tot nihilstelling van de man. De man had, nu zijn verzoek tot nihilstelling bij gebreke van verweer was toegewezen, er -vanaf het moment dat de vrouw haar verzoek tot wijziging van de door de man te betalen bijdrage indiende- rekening mee kunnen houden dat het verzoek van de vrouw toegewezen zou worden. Het feit dat de vrouw niet eerder een wijzigingsverzoek heeft ingediend, op grond waarvan de man aanneemt dat de vrouw kennelijk al die tijd in staat is geweest in haar eigen levensonderhoud te voorzien, doet daar naar het oordeel van het hof niet aan af.

Behoefte

4.12. Zoals hiervoor is overwogen, is ten tijde van het convenant klaarblijkelijk de behoefte van de vrouw niet berekend, zoals thans de praktijk is. Zulks betekent, dat met ingang van de datum van wijziging de behoefte van de vrouw –voorzover mogelijk- berekend dient te worden zoals heden ten dage gebruikelijk.

Tussen partijen staat vast dat het netto gezinsinkomen van partijen tijdens het huwelijk fl 5.145,- per maand bedroeg. Voorts is niet in geschil dat de totale behoefte van de vrouw in 2001 fl 2.607,- per maand bedroeg.

Ter bepaling van de behoefte van de vrouw zal het hof deze eerst vaststellen per 1 mei 2005 (zijnde de wijzigingsdatum) door eerst laatstvermeld bedrag om te zetten van guldens in euro’s en de wettelijke indexering per 1 januari 2002, 2003, 2004 en 2005 op dit bedrag toe te passen. Aldus kan de behoefte van de vrouw worden berekend op € 1.332,- per 1 mei 2005, waarna ook de aldus berekende behoefte met de jaarlijkse wettelijke indexering kan worden aangepast.

4.12.1. Het hof begrijpt de toelichting van de man bij zijn eerste grief aldus dat hij de aanvullende behoefte van de vrouw aan de bij de bestreden beschikking vastgestelde bijdrage betwist. De man heeft daartoe gesteld dat de vrouw met een groter deel dan thans het geval is in haar eigen levensonderhoud dient te voorzien. Hij heeft gewezen op het feit dat de kinderen, die 14 jaar en 11 jaar zijn, steeds minder verzorging nodig hebben.

Partijen zijn blijkens het convenant ten tijde van hun echtscheiding overeen gekomen dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw zouden hebben. Dit impliceert dat de vrouw eveneens het grootste aandeel van de verzorging en opvoeding van de kinderen voor haar rekening neemt. Gelet op de leeftijd van de kinderen van partijen is het hof van oordeel dat de kinderen thans minder verzorging behoeven dan in 2001 toen de oudste 9 jaar en de jongste 6 jaar oud was. Niet valt in te zien, dat de vrouw evenals de nieuwe partner van de man, die ook twee kinderen te verzorgen heeft, niet voor drie dagen in de week zou kunnen gaan werken in plaats van de twee dagen, die zij vanaf het tijdstip van het scheidingsconvenant tot heden heeft gewerkt.

Overigens verdient de vrouw thans wel meer dan zij tijdens het huwelijk verdiende. Blijkens de stelling van de man dat de door hem te betalen bijdrage in het convenant mede is gebaseerd op het inkomen van de vrouw, verdiende zij indertijd circa fl 1.045,- bruto per maand. Dit stemt overeen met de stelling van de vrouw in haar inleidend verzoek. Uit de door de vrouw in eerste aanleg overgelegde salarisspecificaties blijkt van een inkomen van de vrouw in de maanden juli, augustus en september 2005 van € 796,94 bruto per maand ofwel circa € 642,34 netto per maand, exclusief vakantiegeld. Dit is substantieel meer dan het inkomen dat zij tijdens het huwelijk verdiende. Gelet op dit inkomen is het hof van oordeel dat de vrouw tot aan de datum van deze beschikking een aanvullende behoefte heeft van circa € 640,- netto per maand.

Naar het oordeel van het hof moet de vrouw vanaf de datum van deze beschikking in staat worden geacht om drie dagen in de week te werken en aldus met € 796,94 per maand nog te vermeerderen met 8% vakantiegeld is € 860,- keer 3/2 is € 1.290,- in haar behoefte te voorzien. Toepassing van de wettelijke indexering leidt tot een totale behoefte van de vrouw in 2007 van (afgerond) € 1.369,-. Aldus resteert voor haar een aanvullende behoefte van € 1.369,- min € 1.290,- is € 79,-.

Draagkracht

4.13. De man stelt dat zijn draagkracht ontoereikend is om de hem opgelegde bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw te betalen.

4.13.1. De man woont sinds 1 mei 2005 samen met een nieuwe partner, mevrouw [Z.], die zelf twee kinderen heeft die in het gezin van de man verblijven.

Ter zitting is gebleken dat de man zijn stellingen ten aanzien van het levens-onderhoud van de nieuwe partner heeft gewijzigd, in die zin dat hij heeft verklaard dat nu zijn nieuwe partner geheel in haar eigen levensonderhoud kan voorzien, haar inkomen bij de draagkrachtberekening van de man buiten beschouwing dient te worden gelaten, de man als alleenstaand dient te worden beschouwd en de woonlast bij helfte dient te worden verdeeld over de man en zijn nieuwe partner. Aangezien de vrouw in haar verweerschrift dezelfde uitgangspunten voorstaat, zal het hof daarvan in het hierna volgende uitgaan.

4.13.2. De man is thans 42 jaar. Met betrekking tot de financiële situatie van de man gaat het hof uit van de volgende gegevens. Voor zover deze in hoger beroep zijn betwist, zal het hof daarop gemotiveerd ingaan bij het desbetreffende onderdeel.

a Inkomen van de man

Ter zitting is tussen partijen komen vast te staan dat het inkomen van de man bij [C.] Logistics € 37.740,- bruto per jaar bedraagt.

Het hof houdt voorts rekening met de volgende inkomensbestanddelen, nu daartegen geen grieven zijn gericht, dan wel ter zitting is gebleken dat zij tussen partijen vaststaan:

- een vakantietoeslag van 8%;

- € 2.652,- per jaar pensioenpremie;

- € 910,- per jaar VUT-premie;

- een WW-percentage van 5,2;

- € 1.950,- per jaar, door de werkgever van de man betaalde en als inkomen belaste bijdrage in de premie ziektekosten;

- € 1.000,- eigenwoningforfait.

Voorts houdt het hof rekening met:

- € 3.336,- per jaar hypotheekrente.

Nu de man, noch de vrouw een grief heeft gericht tegen de vaststelling door de rechtbank van de hypotheeklast op een bedrag van € 556,- per maand, ofwel € 6.672,- per jaar, gaat het hof van dat bedrag aan hypotheekrente uit. In afwijking van de TREMA-normen zal het hof bij de berekening van het netto besteedbaar inkomen van de man uitgaan van de helft van die woonlasten, nu bij de berekening van het draagkrachtloos inkomen van de man immers eveneens rekening zal worden gehouden met slechts de helft van de woonlasten.

Bij de berekening van de verschuldigde inkomstenbelasting neemt het hof het volledige bruto inkomen tot uitgangspunt.

Daarnaast houdt het hof rekening met de volgende heffingskortingen

- de algemene heffingskorting;

- de arbeidskorting.

Uitgaande van de bovenstaande gegevens becijfert het hof het besteedbaar inkomen van de man op (afgerond) € 2.315,- netto per maand.

b. Lasten van de man

Het hof houdt evenals de rechtbank rekening met de volgende maandelijkse lasten, nu de aanwezigheid en omvang daarvan tussen partijen niet in geschil is:

- het op de wet werk en bijstand gebaseerde normbedrag voor een alleenstaande, inclusief de maximale toeslag, exclusief de woonkostencomponent, ter voorziening in de noodzakelijke kosten van levensonderhoud;

- € 262,58 per maand ziektekostenverzekering, bestaande uit:

- € 162,58 per maand door de werkgever van de man betaalde bijdrage en

- € 100,- per maand door de man zelf betaalde premie zorgverzekering;

- € 50,- per maand kosten omgangsregeling.

Voorts houdt het hof bij de berekening van de draagkracht van de man rekening met de helft van de totale woonlast, nu de nieuwe partner van de man geacht wordt daarin met een bedrag ter grootte van de helft van de woonlasten bij te dragen. Het hof houdt derhalve rekening met:

- € 278,- per maand hypotheekrente;

- € 90,- per maand, de aan de hypotheek verbonden premie levensverzekering;

- € 48,- per maand (forfaitaire) zakelijke lasten betreffende de woning.

Daarnaast houdt het hof rekening met:

- € 51,- per maand rente van en aflossing op schulden;

Tussen partijen staat vast dat de man na het huwelijk van partijen een krediet heeft afgesloten, waarvan de maandtermijn

€ 51,- bedraagt. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de man verklaard dit krediet te zijn aangegaan teneinde zijn woning te kunnen herinrichten. Het hof wil met deze aftrekpost rekening houden, omdat de man destijds in een situatie verkeerde, waarin hij een beperkte alimentatie betaalde. Destijds bij het aangaan van dit krediet was nog niet te voorzien, dat hij in de toekomst mogelijk een hogere alimentatie zou moeten betalen.

4.13.3. Bovenstaande lasten resulteren in een draagkrachtloos inkomen van € 1.431,- per maand. Na dit draagkrachtloos inkomen in mindering te hebben gebracht op bovenvermeld besteedbaar netto maandinkomen van € 2.315,- resteert een draagkrachtruimte van € 884,- per maand. Daarvan is 60% ofwel € 531,- beschikbaar voor de betaling van een onderhoudsbijdrage.

4.13.4. De man betaalde in 2005 € 204,42 per kind per maand aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de twee minderjarige kinderen van partijen. Gelet op het fiscaal voordeel van in totaal circa € 102,- betaalde de man netto circa € 306,- per maand als bijdrage. Tussen partijen staat vast dat de betaling van deze bijdragen prevaleert boven de mogelijke door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud.

4.13.5. Gelet op de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen van partijen, resteert bij de man € 224,- per maand voor de betaling van een bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw. Betaalde partneralimentatie is geheel aftrekbaar voor de inkomsten-belasting. Het fiscaal voordeel dat de man door deze aftrek geniet, komt geheel ten goede aan de vrouw. Rekening houdend met dit over € 224,- te realiseren fiscaal voordeel, becijfert het hof de mogelijk door de man voor de vrouw te betalen bijdrage op € 385,- per maand.

4.13.6. Zoals hiervoor onder 4.12.1. is overwogen bedroeg de aanvullende behoefte van de vrouw vanaf 25 juli 2005 tot de datum van deze beschikking € 640,- netto per maand. De draagkracht van de man bedraagt € 385,- bruto per maand. De door de man in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw te betalen bijdrage wordt door dat bedrag begrensd. Het hof zal de door de man te betalen bijdrage met ingang van 25 juli 2005 dan ook als volgt vaststellen.

4.13.7. Zoals hiervoor onder 4.12.1. is overwogen bedraagt de aanvullende behoefte van de vrouw vanaf de datum van deze beschikking € 79,- per maand. De door de man in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw te betalen bijdrage wordt door dat bedrag begrensd. Het hof zal de door de man te betalen bijdrage met ingang van de datum van deze beschikking dan ook als volgt vaststellen.

Vaststelling bijdrage in kosten levensonderhoud

4.14. Het hof zal de door de man in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw te betalen bijdrage met ingang van 25 juli 2005 vaststellen op een bedrag van € 385,- per maand en met ingang van 11 april 2007 op een bedrag van € 79,- per maand.

Verzoek om terugbetaling van ten onrechte betaalde bijdragen

4.15. De man heeft gesteld dat hij de vrouw vanaf 2002 tot aan de nihilstelling van de bijdrage per 1 januari 2005 ten onrechte bijdragen in de kosten van haar levensonderhoud heeft betaald. Hij heeft daartoe naar voren gebracht dat hij de betaling van zijn bijdrage voortzette, ondanks het feit dat de vrouw weigerde conform de afspraak in het convenant inzage te geven in haar inkomsten. Toen de man uiteindelijk inzage kreeg in de inkomsten van de vrouw, bleek dat die het bedrag van fl 1.045,44 bruto per maand zodanig overschreden, dat de vrouw conform het convenant geen recht had op enige door de man te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud. De man heeft verzocht te bepalen dat de vrouw de ten onrechte door haar ontvangen bedragen terug dient te betalen.

Onder verwijzing naar hetgeen hiervoor onder 4.8. is overwogen, overweegt het hof dat het convenant met betrekking tot de bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw eerst per 1 mei 2005 is gewijzigd door een wijziging in de omstandigheden van de man. Dit impliceert dat het convenant met betrekking tot de bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw wat betreft de periode van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand op 12 oktober 2001 tot 1 mei 2005 onverkort van kracht is gebleven. De vrouw was derhalve gedurende deze periode conform de afspraak in het convenant verplicht inzage te geven in haar inkomsten. De vrouw heeft ter zitting erkend dat zij de man eerst in het kader van de eerste aanleg van de onderhavige procedure inzage heeft gegeven in haar inkomsten. De omstandig-heid dat de vrouw dus achteraf ten onrechte bijdragen in de kosten van haar levensonderhoud van de man heeft ontvangen, doordat zij heeft nagelaten inzage te geven in haar inkomsten, terwijl haar inkomsten de grens van fl 1.045,44 bruto per maand overschreden, komt naar het oordeel van het hof geheel voor rekening en risico van de vrouw. Het hof zal dan ook bepalen dat de vrouw de ten onrechte van de man ontvangen bijdragen aan hem dient terug te betalen.

De man heeft het door de vrouw ten onrechte ontvangen bedrag in zijn verweerschrift, tevens houdende zelfstandig verzoek van 2 februari 2006, begroot op een bedrag van € 5.502,-. Nu de vrouw de aan dit bedrag ten grondslag liggende berekening niet heeft betwist, zal het hof bepalen dat de vrouw gehouden is de door haar ten onrechte ontvangen bijdragen van in totaal € 5.502,- aan de man terug te betalen.

4.16. Gelet op het voorgaande zal het hof beslissen als volgt.

5. De beslissing

Het hof:

in het principaal en incidenteel appel;

vernietigt de beschikking van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 3 juli 2006:

en opnieuw rechtdoende:

wijzigt de beschikking van 1 april 2005 van de rechtbank 's-Hertogenbosch, met dien verstande dat de man aan de vrouw voor haar levensonderhoud

- met ingang van 25 juli 2005 een bedrag van € 385,- per maand en

- met ingang van 11 april 2007 een bedrag van € 79,- per maand

zal voldoen, voor wat de nog niet verschenen termijnen betreft te voldoen bij vooruitbetaling;

bepaalt dat de vrouw gehouden is aan de man als ten onrechte van hem ontvangen bijdragen in de kosten van haar levensonderhoud te voldoen een bedrag van € 5.502,- in totaal;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Teeffelen, Van der Linden en Walstock en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 11 april 2007 in tegenwoordigheid van de griffier.