Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2007:BA3436

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-04-2007
Datum publicatie
20-04-2007
Zaaknummer
C0600543
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Voor zover door appellant nog is verwezen naar de kantonrechterformule, overweegt het hof dat die kantonrechterformule slechts een richtlijn is voor de kantonrechters bij de vaststelling van een beëindigingvergoeding in geval van ontbinding van de arbeidsovereenkomst en geen standaard toe te kennen vergoeding. De ontbindingsprocedure ex art. 7:685 BW kan niet zonder meer gelijk worden gesteld aan een opzegging van de arbeidsovereenkomst gevolgd door een procedure op de voet van art. 7:681 BW. Niettemin houdt het hof wel rekening met het bestaan van deze formule en met de daarin genoemde criteria. De rechter die over een kennelijk onredelijke opzegging heeft te oordelen, dient immers, evenals de rechter die over een ontbinding van de arbeidsovereenkomst oordeelt, rekening te houden met alle omstandigheden van het geval. In geval van de beoordeling van een ontslag zijn alle omstandigheden relevant zoals die zich voordeden op het moment van de opzegging, en dient tevens beoordeeld te worden of de situatie op het moment van het ingaan van het ontslag zodanig is gewijzigd dat de reden niet meer bestaat. Toegepast op deze zaak oordeelt het hof dat er geen grond is om aan te nemen dat toepassing van de kantonrechterformule tot een wezenlijk ander resultaat zou hebben geleid dan thans uit het oordeel van het hof volgt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

typ. MM

rolnr. C0600543/BR

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 'S-HERTOGENBOSCH,

sector civiel recht,

eerste kamer, van 17 april 2007,

gewezen in de zaak van:

[APPELLANT],

wonende te [plaats],

appellant bij exploot van dagvaarding van 28 oktober 2004,

procureur: mr. T.W.H.M. Weller,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [GEÏNTIMEERDE],

gevestigd te [plaats], [gemeente], kantoorhoudende te [plaats],

geïntimeerde bij gemeld exploot,

procureur: mr. A. Kaddouri,

op het hoger beroep van het door de rechtbank Breda op 25 augustus 2004 onder nummer 112152/HA ZA 02-1440 gewezen eindvonnis in reconventie tussen appellant - [appellant] - als (mede-)eiser in reconventie en geïntimeerde

- [geïntimeerde] - als verweerster in reconventie.

1. Het geding in reconventie in eerste aanleg

Voor het geding in reconventie in eerste aanleg verwijst het hof naar het tussenvonnis van 15 oktober 2003 en het beroepen eindvonnis.

2. Het geding in hoger beroep

[appellant] is van voormeld eindvonnis in reconventie tijdig in appel gekomen. Het appel was aanvankelijk geregistreerd onder nummer C0401523, en heeft na ambtshalve royement en herplaatsing op de rol bovenvermeld rolnummer C0600543 gekregen.

Op verzoek van [appellant] ter rolzitting van 25 april 2006 is de zaak vervolgens op de rol gevoegd met het bij dit hof aanhangige appel van het tussenvonnis in reconventie van 15 oktober 2003 (geregistreerd onder nummer C0400177).

[appellant] heeft daarna een memorie van grieven tevens houdende akte ter rolle genomen, en bij die memorie, onder overlegging van producties, drie grieven aangevoerd en geconcludeerd dat het hof het eindvonnis in reconventie zal vernietigen en [geïntimeerde] alsnog zal veroordelen om aan hem te voldoen het netto equivalent van de somma van € 34.778,16 bruto, met wettelijke rente, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties.

[geïntimeerde] heeft bij memorie van antwoord tevens houdende antwoordakte, onder overlegging van producties, de grieven bestreden.

Partijen hebben nog een akte en antwoordakte gewisseld (de antwoordakte heeft het hof niet in het dossier van [geïntimeerde] aangetroffen).

Tenslotte hebben partijen in beide zaken de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

Het hof doet heden in beide zaken uitspraak.

3. De gronden voor het hoger beroep

Voor de inhoud van de grieven verwijst het hof naar de memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1 Het gaat in dit appel om het volgende.

4.1.1 Voor een overzicht van de feiten volstaat het hof met te verwijzen naar r.o. 4.2.1 tot en met 4.2.11 van het arrest van 11 april 2006 gewezen in de zaak nr. C0400177 (hierna: het arrest).

4.1.2 In de zaak met nr. 112152/HA ZA 02-1440 is in reconventie door [appellant] een vordering ingesteld tegen [geïntimeerde], strekkende tot vergoeding van de door hem gesteld geleden schade, ten belope van het netto equivalent van de somma van € 34.778,16 bruto, met rente, wegens kennelijk onredelijke opzegging van zijn arbeidsovereenkomst op grond van art. 7:681 lid 2 sub a en b BW. Daarnaast heeft [appellant] tezamen met zijn echtgenote [persoon 1] een vordering tegen [geïntimeerde] ingesteld tot betaling aan [persoon 1] van de schade geleden als gevolg van onrechtmatig gelegd beslag door [geïntimeerde] op de bankrekening van [persoon 1], op te maken bij staat.

4.1.3 In het tussenvonnis in reconventie van 15 oktober 2003 heeft de rechtbank aan [geïntimeerde] een bewijsopdracht verstrekt. Tegen dit tussenvonnis was het incidenteel appel in de rolgevoegde zaak nr. C0400177 gericht.

Bij het beroepen eindvonnis heeft de rechtbank [geïntimeerde] in die bewijsopdracht geslaagd geacht, geoordeeld dat er voldoende rechtvaardiging voor het aan [appellant] gegeven ontslag bestond, en de vordering van [appellant] afgewezen. Tevens heeft de rechtbank de vordering van [appellant] en [persoon 1] in verband met het gelegde beslag afgewezen. [appellant] en [persoon 1] zijn door de rechtbank in de kosten van de reconventie veroordeeld.

4.2 Met de grieven 1 en 2 legt [appellant] de vraag naar de kennelijke onredelijkheid van de opzegging van zijn arbeidsovereenkomst, zoals aangezegd in het schrijven van 11 april 2002 van [aandeelhoudster van geïntimeerde] (enig aandeelhoudster van [geïntimeerde]), aan het hof ter beoordeling voor. De grieven lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

4.3 Het hof zal allereerst ingaan op onderdeel II van grief 2 waarin [appellant] de rechtsoverwegingen 4.10 tot en met 4.14 van het arrest integraal citeert, en daaruit concludeert dat die overwegingen bevestigen dat van een onverantwoord handelen van [appellant] geen sprake was. Met deze conclusie wenst [appellant], naar het hof begrijpt, te betogen dat hem terzake van de verkopen aan [persoon 2] op 3 - 5 april 2002 geen verwijt treft, zodat het hem gegeven ontslag onterecht is gegeven.

Dit betoog treft evenwel geen doel.

Voorop staat dat het oordeel van het hof ten aanzien van het handelen van [appellant] als bestuurder van [geïntimeerde] in het kader van de door [geïntimeerde] ingestelde vordering uit hoofde van onbehoorlijk bestuur geen impliciet antwoord inhoudt op de vraag of de opzegging van de arbeidsovereenkomst met [appellant] kennelijk onredelijk is. De vraag of de opzegging van de arbeidsrelatie met [appellant] kennelijk onredelijk was, behoeft een eigen beoordeling, aan de hand van alle omstandigheden van het geval.

4.4 Het hof neemt bij de beoordeling van de vraag of de opzegging in het onderhavige geval kennelijk onredelijk was, een tweetal omstandigheden tot uitgangspunt:

1)Binnen [geïntimeerde] was (in elk geval vanaf het voorjaar 2001) algemeen en kenbaar beleid dat leveringen aan een afnemer steeds tegen contante betaling dienden te geschieden, indien geen kredietlimiet voor die afnemer van de kredietverzekeraar was verkregen of de bestelling de verkregen limiet oversteeg (zie r.o. 4.2.5 en 4.2.6 van het arrest). Dit beleid was ingesteld in verband met de financiële positie van [geïntimeerde] en eerdere ervaringen met onbetaald gebleven leveringen aan een afnemer waardoor aanzienlijke schade door [geïntimeerde] was geleden. In het kader van dit uitgezette beleid werd in een bijeenkomst van het commercieel team van [geïntimeerde] op 26 februari 2002, waarbij ook [appellant] aanwezig was, specifiek voor de afnemer [persoon 2] de afspraak gemaakt dat deze voortaan eerst contant moest afrekenen voordat er geladen mocht worden (zie prod. 3 inleidende dagvaarding en r.o. 4.2.7 arrest). Dat [appellant] met die beleidsafspraak destijds niet zou hebben ingestemd, blijkt niet uit de overgelegde notulen en is in de procedure voorts onvoldoende onderbouwd gesteld. Integendeel, kan uit de notulen worden opgemaakt dat [appellant] te kennen heeft gegeven dat hij op dat moment nog geen vertrouwen had in de klant [persoon 2]. Bijgevolg dient er van te worden uitgegaan dat [appellant] zich aan deze beleidsafspraak met de moedermaatschappij [aandeelhoudster van geïntimeerde] had gecommitteerd.

2) Afwijking van voormelde regel van contante betaling was in een concreet geval mogelijk met uitdrukkelijk gegeven toestemming van [appellant] (zie opnieuw r.o. 4.2.5 en 4.2.6 van het arrest). In dat geval diende door [appellant] autorisatie te worden verleend voor het deblokkeren van het aanwezige computersysteem.

4.5 Bij schrijven van 11 april 2002 zijdens [aandeelhoudster van geïntimeerde] is het dienstverband van [appellant] opgezegd, onder vermelding van een tweetal redenen:

a) het regelmatig verkopen (door werknemers van [geïntimeerde]) van groente en fruit onder de minimumprijs,

b) het onlangs, onder verantwoordelijkheid van [appellant], in strijd met de daarover gemaakte afspraken en ondanks diverse waarschuwingen in het recente verleden, wederom verkopen van producten ter waarde van ... (niet ingevuld, hof) zonder de vereiste limiet van de kredietverzekeraar.

Ten aanzien van de eerstvermelde reden heeft de rechtbank in het tussenvonnis van 15 oktober 2003 geoordeeld dat het aldus aan [appellant] gemaakte verwijt onvoldoende feitelijk is onderbouwd. Het hof deelt dit oordeel van de rechtbank, en stelt vast dat [geïntimeerde] dit verwijt ook in hoger beroep niet nader heeft onderbouwd, zodat dit bij de beoordeling van de gronden voor het ontslag buiten beschouwing dient te blijven.

Ter beoordeling ligt derhalve slechts de reden sub b) voor. Tussen partijen is in confesso dat met de verkopen waarop onder b) wordt gedoeld de verkopen op 3, 4 en 5 april 2002 aan [persoon 2] bedoeld zijn, waarbij voor een totaalbedrag van € 162.000,-- producten aan [persoon 2] werden geleverd, zonder dat contante afrekening werd verlangd.

4.6 Het hof stelt allereerst vast dat niet gesteld of gebleken is dat de aan [appellant] gegeven bevoegdheid tot afwijking van de hoofdregel van contante betaling in het kader van de afspraken met betrekking tot [persoon 2] op

26 februari 2002 was ingetrokken, zodat er van dient te worden uitgegaan dat die bevoegdheid begin april 2002 nog aan [appellant] toekwam, en de enkele aanwending daarvan dus op zichzelf nog geen grond voor opzegging kan zijn geweest.

4.7 Het hof overweegt voorts dat er in zijn algemeenheid van moet worden uitgegaan dat het niet uitvoeren c.q. niet volgen door een bestuurder van een door de algemene vergadering van aandeelhouders gewenst beleid, een redelijke grond voor opzegging van de arbeidsovereenkomst met die bestuurder kan zijn. Of dat in een concreet geval een redelijke grond voor opzegging oplevert, hangt af van de aard van het door de algemene vergadering gewenste beleid en van de overige omstandigheden van het geval.

4.8 Tegen de achtergrond van het (in elk geval sedert het voorjaar 2001) afgesproken en gevoerde algemene beleid binnen [geïntimeerde] dat leveringen aan afnemers, bij gebreke van een (toereikend) kredietlimiet, contant dienden te worden betaald, lag het in de rede dat [appellant] de hem gegeven bevoegdheid slechts zou gebruiken in concrete gevallen die - na beoordeling door hem - een afwijking van de hoofdregel rechtvaardigden. De specifieke nadere afspraak voor leveranties aan [persoon 2] bracht, naar 's hofs oordeel, mee dat slechts bijzondere omstandigheden aanleiding konden zijn om de instructie binnen [geïntimeerde]tot het contant doen afrekenen door [persoon 2] niet in acht te nemen. Het lag dan ook op de weg van [appellant] om ter weerlegging van het hem gemaakte verwijt met betrekking tot de litigieuze verkopen aan [persoon 2] op 3, 4 en 5 april 2002 te stellen en voldoende gemotiveerd te onderbouwen dat er van zodanige bijzondere omstandigheden sprake was. Naar

's hofs oordeel is [appellant] daar niet in geslaagd. De door [appellant] ingenomen stelling dat er in april 2002 geen rekeningen van [persoon 2] meer openstonden, dat er door [persoon 2] regelmatig werd betaald, en dat [persoon 2] zich inmiddels had bewezen als een betrouwbare klant die zijn verplichtingen nakwam, is - gezien de korte tijdspanne tussen de bijeenkomst van 26 februari 2002 waarbij [appellant] nog uitsprak onvoldoende vertrouwen te hebben in de afnemer [persoon 2], en de leveranties op 3 - 5 april 2002, alsmede gezien de extreem omvangrijke bestellingen binnen enkele dagen - ontoereikend. Daarnaast neemt het hof voorts in aanmerking dat uit de getuigenverklaringen in eerste aanleg is gebleken, zoals de rechtbank in het eindarrest heeft vastgesteld, dat er in feite geen sprake was van het aanwenden door [appellant] van de hem gegeven bevoegdheid tot het ad hoc verlenen van autorisatie voor concrete leveringen, gebaseerd op een afweging van de op dat moment bekende risico's. Veeleer was er sprake van het uitzetten door [appellant] van een nieuwe beleidslijn inhoudende dat op voorhand reeds toestemming werd gegeven voor bestellingen van [persoon 2] en dat deze afnemer eerst bij de volgende bestelling zou hoeven te betalen. [appellant] nam daarmee het risico dat, zonder controle vooraf door hem, veel grotere dan de gebruikelijke bestellingen zouden worden aanvaard, welk risico zich in casu heeft gerealiseerd. Gesteld noch gebleken is voorts dat [appellant] over deze afwijkende beleidslijn - die, naar door hem gesteld, in het belang van de onderneming van [geïntimeerde] was - overleg heeft gevoerd met [aandeelhoudster van geïntimeerde]. Het standpunt van [aandeelhoudster van geïntimeerde] in de brief van 11 april 2002, dat onder verantwoordelijkheid van [appellant] als bestuurder van [geïntimeerde], ondanks afspraken en waarschuwingen in het verleden, producten aan [persoon 2] zijn verkocht zonder een kredietlimiet, moet derhalve gezien het vooroverwogene als juist worden bestempeld.

4.9 Daarmee wordt verworpen de stelling bij de grieven dat er in de opzeggingsbrief van 11 april 2002 met de tweede ontslaggrond een valse of voorgewende reden voor de opzegging is gegeven.

Voor zover [appellant] heeft willen betogen dat deze ontslaggrond onvoldoende was om de opzegging van de arbeidsovereenkomst te dragen, wordt dit eveneens verworpen. [appellant] heeft met het welbewust afwijken van het beleid binnen [geïntimeerde] een risico genomen waarvan hij wist dat [aandeelhoudster van geïntimeerde], als aandeelhouder, dat risico niet wilde en hij heeft onvoldoende gronden aangevoerd die kunnen maken dat [aandeelhoudster van geïntimeerde] in dit geval in redelijkheid voor die afwijkende handelwijze begrip had moeten of kunnen opbrengen. Het enkele feit dat met de opdracht een beduidend grote(re) marge voor [geïntimeerde] kon worden gerealiseerd - een overweging die [appellant] als bestuurder van [geïntimeerde] in het licht van de continuïteit van het bedrijf, naar gesteld, tot zijn handelwijze heeft aangezet - kan niet de interne beleidslijn binnen het concern, waaraan [appellant] zich in de bespreking van 26 februari 2002 had gecommitteerd, opzij zetten. Er mag weliswaar, zoals in het tussenarrest is overwogen, in de context van bestuurdersaansprakelijkheid geen sprake zijn van onverantwoordelijk handelen of handelen ten nadele van de onderneming van [geïntimeerde] door [appellant], doch zulks betekent niet dat [aandeelhoudster van geïntimeerde] als aandeelhoudster (mede gezien de ongebruikelijk grote omvang van de litigieuze bestellingen van [persoon 2] op 3, 4 en 5 april 2002, en in aanmerking genomen de voorgenomen sluiting van het bedrijf te [plaats] per [datum 1], en de daaraan gekoppelde opdracht aan [appellant] om de verkopen af te bouwen) in redelijkheid niet tot opzegging van de arbeidsovereenkomst heeft kunnen overgaan.

4.10 [appellant] heeft voorts gesteld dat [aandeelhoudster van geïntimeerde] als toezichthoudende moedermaatschappij en [medebestuurder geïntimeerde] als medebestuurder van [geïntimeerde] steeds van de verkopen aan [persoon 2] op de hoogte waren en daarin geen reden hebben gezien tot ingrijpen.

Voor zover [appellant] zich hiermee kennelijk op het standpunt stelt dat dit niet-ingrijpen alsnog zijn handelwijze heeft gelegitimeerd wordt dit verworpen.

4.10.1 De enkele omstandigheid dat [medebestuurder geïntimeerde] als medebestuurder mogelijk op de hoogte zou zijn geweest van het handelen van [appellant] in strijd met de interne beleidslijn binnen [geïntimeerde] en daartegen geen actie heeft ondernomen, kan op zichzelf geen legitimatie vormen voor dit handelen, nu immers aan [appellant] bij uitsluiting de taak was toebedeeld autorisatie te geven voor afwijkende transacties, en [appellant] voor de uitoefening van die taak zelf de verantwoordelijkheid droeg.

4.10.2 Ten aanzien van het niet-ingrijpen door de moedermaatschappij heeft [appellant] in zijn algemeenheid aangevoerd dat [aandeelhoudster van geïntimeerde] iedere maandag de openstaande posten controleerde, en dat er een open computerverbinding tussen het moeder- en dochterbedrijf bestond waardoor de leveringen door [geïntimeerde] steeds voor [aandeelhoudster van geïntimeerde] zichtbaar waren. Zijdens [geïntimeerde] is zulks niet betwist. [geïntimeerde] stelt echter bij memorie van antwoord, naar het hof begrijpt, dat het verwijt aan [appellant] niet zozeer was dat hij tussendoor autorisaties heeft verleend - waartoe hij immers bevoegd was - maar dat hij in dit specifieke geval met zeer grote (en volgens stellingen in eerste aanleg ongebruikelijke) transacties op 3, 4 en 5 april 2002 voor een afnemer ten aanzien van wie de aangescherpte afspraken bestonden, heeft ingestemd.

4.10.3 Het hof is van oordeel dat het enkele, niet betwiste feit, dat bij eerdere autorisaties niet is ingegrepen nog niet de beslissing ten aanzien van de bestellingen van [persoon 2] op 3, 4 en 5 april 2002 legitimeert. Daarbij komt dat de bestellingen van [persoon 2] op die data betrekking hadden op de werkdagen woensdag tot en met vrijdag, zodat normalitair het moederbedrijf pas via de wekelijkse controle de maandag erna van de transacties op de hoogte zou geraken. Uit het enkele feit dat [aandeelhoudster van geïntimeerde] door middel van de open lijnverbinding met [geïntimeerde] reeds op de hoogte had kùnnen zijn, kan geen instemming van [aandeelhoudster van geïntimeerde] worden afgeleid. Veeleer had het voor de hand gelegen dat [appellant] vooraf uitdrukkelijk om die instemming had verzocht, althans hij zijn voornemen tot de bewuste leveranties aan de aandeelhouder had kenbaar gemaakt.

4.10.4 Slotsom is derhalve dat het beroep op legitimatie van zijn handelen, en in het verlengde daarvan op een onterechte opzegging van zijn arbeidsovereenkomst faalt.

4.11 In de toelichting op de grieven wordt vervolgens nog gesteld dat [geïntimeerde] het bewijs dat haar was opgedragen niet heeft geleverd. Dit is evenwel niet meer relevant, aangezien de rechtbank heeft geoordeeld dat uit de getuigenverhoren is gebleken dat [appellant] toestemming had gegeven voor een andere behandeling van [persoon 2] dan op grond van de afspraak van 26 februari 2002 verwacht mocht worden, zodat de vraag of [appellant] voor de specifieke bestellingen van april 2002 aan [persoon 2] autorisatie heeft verleend, er niet meer toe doet. Waar de rechtbank heeft geconcludeerd dat [geïntimeerde] in het haar opgedragen bewijs is geslaagd, heeft de rechtbank, naar het hof begrijpt, bedoeld dat bewijs is geleverd van een algemene handelwijze zijdens [appellant] die de leveringen van 3, 4 en 5 april 2002 zonder contante betaling mogelijk maakte. Hetgeen in de toelichting op de grief wordt aangevoerd, is niet gericht tegen die vaststelling, welke vaststelling overigens door het hof wordt gedeeld.

4.12 Tenslotte heeft [appellant] zich op het standpunt gesteld dat de opzegging van het dienstverband kennelijk onredelijk was in verband met de gevolgen daarvan voor [appellant].

4.12.1 Bij de beoordeling of een opzegging van een arbeidsovereenkomst als kennelijk onredelijk moet worden aangemerkt vanwege het zogenoemde gevolgencriterium (art. 7:681 lid 2 sub b BW) is maatstaf of, mede in aanmerking genomen de voor de werknemer getroffen voorzieningen en de voor de werknemer bestaande mogelijkheden om ander passend werk te vinden, de gevolgen van de opzegging voor de werknemer te ernstig zijn in vergelijking met het belang van de werkgever bij de opzegging. Daarbij dienen alle omstandigheden zoals deze zich niet later dan op het tijdstip van ingang van het ontslag voordeden in aanmerking te worden genomen.

4.12.2 [appellant] heeft zich vooreerst erop beroepen dat hij ten tijde van de opzegging reeds 47 jaar was en om die reden niet gemakkelijk elders een vergelijkbare functie kon vinden. Daarom heeft hij ervoor gekozen, aldus [appellant], om een eigen bedrijf te starten, welk bedrijf echter verliesgevend was. Het hof overweegt dat op basis van enkel de leeftijd van 47 jaar, zonder nadere toelichting, die ontbreekt, bezwaarlijk kan worden aangenomen dat die leeftijd voor iemand met de capaciteiten van [appellant] een bezwaar is voor het vinden van een andere, passende baan. De noodzaak om bij gebreke van arbeidsmogelijkheden elders een eigen maar mogelijk weinig kansrijk bedrijf te starten is, naar het oordeel van het hof, onvoldoende onderbouwd. Niet gesteld of gebleken is voorts dat [appellant] binnen de door [geïntimeerde] gehanteerde opzegtermijn daadwerkelijk pogingen heeft ondernomen om elders een vergelijkbare functie te vinden, terwijl gesteld noch gebleken is dat de gehanteerde termijn onvoldoende was voor [appellant] om zich op de nieuwe situatie in te stellen.

4.12.3 Volgens [appellant] was zijn maandsalaris bij [geïntimeerde] € 5.796,36 en heeft hij na het faillissement van zijn opgestarte bedrijfje een baan gevonden voor zes maanden met een maandsalaris van € 3.020,-- en vervolgens vanaf 1 januari 2004 met een maandsalaris van € 5.250,--. Het hof overweegt dat het feit dat [appellant] een jaar na het ontslag en na een mislukte poging een eigen bedrijf te starten genoegen heeft genomen met een baan met een inkomen dat wezenlijk lager ligt dan het inkomen dat hij bij [geïntimeerde] verdiende, nog onvoldoende zegt over zijn positie ten tijde van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Bovendien heeft [appellant], naar in rechte vaststaat, uiteindelijk toch weer een baan kunnen vinden met een min of meer vergelijkbaar inkomen. Dit alles geeft onvoldoende grond voor het oordeel dat [appellant] ten tijde van de opzegging van de arbeidsverhouding, mede gelet op de opzegtermijn, geen of onvoldoende uitzicht had op het vinden van een vergelijkbare baan. Aangenomen moet eerder worden, gelet op het door [geïntimeerde] overgelegde ondernemingsplan van april 2002 - waarvan het bestaan door [appellant] niet is betwist - dat [appellant] de opzeggingstermijn heeft benut voor de voorbereiding van de start van zijn eigen onderneming per 1 juni 2002 (zijnde de dag waarop het aangezegde ontslag is ingegaan). In ieder geval is het niet waarschijnlijk, althans onvoldoende onderbouwd, dat hij die opzegperiode heeft benut voor het vinden van een andere baan.

4.13 Mede gelet op de verwijtbaarheid van de handelwijze van [appellant] als hiervoor geconstateerd, en het ontbreken van een toereikende toelichting op de nadelen die de opzegging van de arbeidsrelatie van [appellant] met [geïntimeerde] heeft gehad, ziet het hof geen reden voor het toekennen van enige vergoeding.

4.14 Voor zover door [appellant] nog is verwezen naar de kantonrechterformule, overweegt het hof dat die kantonrechterformule slechts een richtlijn is voor de kantonrechters bij de vaststelling van een beëindigingvergoeding in geval van ontbinding van de arbeidsovereenkomst en geen standaard toe te kennen vergoeding. De ontbindingsprocedure ex art. 7:685 BW kan niet zonder meer gelijk worden gesteld aan een opzegging van de arbeidsovereenkomst gevolgd door een procedure op de voet van art. 7:681 BW. Niettemin houdt het hof wel rekening met het bestaan van deze formule en met de daarin genoemde criteria. De rechter die over een kennelijk onredelijke opzegging heeft te oordelen, dient immers, evenals de rechter die over een ontbinding van de arbeidsovereenkomst oordeelt, rekening te houden met alle omstandigheden van het geval. In geval van de beoordeling van een ontslag zijn alle omstandigheden relevant zoals die zich voordeden op het moment van de opzegging, en dient tevens beoordeeld te worden of de situatie op het moment van het ingaan van het ontslag zodanig is gewijzigd dat de reden niet meer bestaat. Toegepast op deze zaak oordeelt het hof dat er geen grond is om aan te nemen dat toepassing van de kantonrechterformule tot een wezenlijk ander resultaat zou hebben geleid dan thans uit het oordeel van het hof volgt.

4.15 Het vooroverwogene leidt het hof tot het eindoordeel dat de rechtbank terecht de gevorderde vergoeding in verband met de opzegging van het dienstverband van [appellant] heeft afgewezen. De grieven 1 en 2 treffen dan ook geen doel.

4.16 Resteert grief 3, gericht tegen het mede veroordelen van [persoon 1] naast [appellant] in de proceskosten. [appellant] stelt in de toelichting op de grief dat zijn echtgenote [persoon 1] geen partij in reconventie was. De grief wordt tevergeefs aangevoerd, nu deze betrekking heeft op de veroordeling van [persoon 1], die niet van dat veroordelend vonnis in beroep is gekomen. Voor zover [appellant] ten behoeve van [persoon 1] in beroep is gekomen van dat vonnis wordt hij in dat beroep niet ontvankelijk verklaard. Het hof stelt overigens, ten overvloede, vast dat nu [persoon 1] in de conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie uitdrukkelijk als eiseres in reconventie wordt opgevoerd, terwijl zij ook in de kop van de volgende processtukken zijdens [appellant] als mede-eiser in reconventie wordt genoemd. De enkele opmerking onder nr. 36 van de conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie, waarnaar [appellant] in de toelichting op de grief verwijst, doet hieraan niet af, en leidt niet tot een ander oordeel.

4.17 Nu alle grieven falen, zal het hof het beroepen eindvonnis van de rechtbank bekrachtigen. [appellant] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de kosten van dit appel worden veroordeeld.

5. De uitspraak

Het hof:

verklaart [appellant] niet ontvankelijk voor zover zijn beroep is gericht tegen de veroordeling van [persoon 1] in het beroepen eindvonnis in de proceskosten;

bekrachtigt het beroepen eindvonnis op 25 augustus 2004 tussen partijen gewezen;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 1.045,-- aan verschotten en ? 1.737,-- voor salaris procureur;

verklaart dit arrest voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. Hendriks-Jansen, Fikkers en Slootweg en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 17 april 2007.