Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2007:BA3254

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-04-2007
Datum publicatie
19-04-2007
Zaaknummer
C0500933
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellanten had aan geïntimeerde op 25 juni 1999 percelen grond verkocht. Art. 13 van de koopovereenkomst bepaalde dat de koopovereenkomst werd ontbonden als op 9 februari 2000 geen bouwvergunning is ontvangen door de koper voor "minimaal 6 woningen tweekappers". Op 1 februari 2000 heeft geïntimeerde appellanten medegedeeld dat zij, ondanks het feit dat zij op 9 februari 2000 waarschijnlijk nog geen bouwvergunning zou hebben ontvangen, geen beroep wenste te doen op de ontbindende voorwaarde van art. 13. Daarop deed appellanten zijnerzijds een beroep op die voorwaarde omdat op 9 februari 2000 geen bouwvergunning was verleend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

typ. MM

rolnr. C0500933/HE

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

sector civiel recht,

eerste kamer, van 10 april 2007,

gewezen in de zaak van:

1. [APPELLANTE SUB 1],

wonende te [plaats],

2. [APPELLANTE SUB 2],

wonende te [plaats],

3. [APPELLANTE SUB 3],

wonende te [plaats],

4. [APPELLANT SUB 4],

wonende te [plaats],

5. [APPELLANTE SUB 5],

wonende te [plaats],

6. [APPELLANT SUB 6],

wonende te [plaats],

eisers tot herroeping bij exploot van dagvaarding van 13 juni 2005,

procureur: mr. I.J.J.M. Roorda,

tegen:

de besloten vennootschap [GEÏNTIMEERDE],

gevestigd te [plaats],

gedaagde bij gemeld exploot,

procureur: mr. J.A.Th.M. van Zinnicq Bergmann,

op de vordering tot herroeping van

- het vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch op 22 juni 2001 gewezen onder zaaknummer 49605/HA ZA 00-637,

- het arrest van dit hof op 15 juli 2003 gewezen onder nummer C0200222,

- het arrest van dit hof op 9 november 2004 gewezen onder nummer C0301179,

tussen eisers tot herroeping, hierna in mannelijk enkelvoud: [appellanten], en gedaagde in het geding tot herroeping, hierna: [geïntimeerde].

1. Het geding tot herroeping

1.1. Bij voormeld exploot van dagvaarding heeft [appellanten], onder overlegging van producties, gevorderd - zakelijk weergegeven - dat het hof bij arrest voormelde uitspraken zal herroepen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten.

1.2. [appellanten] heeft vervolgens een akte houdende overlegging producties, tevens houdende akte tot rectificatie genomen.

1.3. [geïntimeerde] heeft een conclusie van antwoord genomen.

1.4. [appellanten] heeft, onder overlegging van producties een conclusie van repliek genomen.

1.5. [geïntimeerde] heeft, onder overlegging van producties, gedupliceerd.

1.6. Partijen hebben vervolgens, onder overlegging van pleitnota's, hun zaak doen bepleiten, [appellanten] door mr. Roorda en [geïntimeerde] door mr. Van Langevelde.

1.7. Hierop hebben partijen beiden hun procesdossiers overgelegd en arrest gevraagd.

2. De beoordeling

2.1.1. [appellanten] vordert herroeping van genoemde uitspraken op de grond als genoemd in art. 382 aanhef jo sub a Rv en sub b Rv.

Deze artikelleden bepalen dat in kracht van gewijsde gegane vonnissen (waaronder ook arresten dienen te worden begrepen) op vordering van een partij worden herroepen indien zij berusten hetzij op bedrog door de wederpartij in het geding gepleegd (sub a), hetzij op stukken waarvan de valsheid na het vonnis is erkend of bij gewijsde is vastgesteld (sub b).

2.1.2. Art. 383 lid 1 Rv bepaalt vervolgens dat de vordering tot herroeping moet worden ingesteld binnen drie maanden nadat de grond voor herroeping is ontstaan en de eiser daarmee bekend is geworden.

2.2.1. Naar de stelling van [appellanten] is het genoemde bedrog aan het licht gekomen c.q. is de valsheid erkend bij een ten overstaan van de rechtbank 's-Hertogenbosch gehouden pleidooi op 14 maart 2005.

2.2.2. [appellanten] heeft derhalve tijdig de vordering tot herroeping ingesteld, nu tussen de ontdekking van het gestelde bedrog/de erkenning van de valsheid en het exploot van dagvaarding minder dan drie maanden zijn verstreken.

2.3.1. In deze zaak gaat het, zeer kort samengevat, om het volgende:

[appellanten] had aan [geïntimeerde] op 25 juni 1999 percelen grond verkocht. Art. 13 van de koopovereenkomst bepaalde dat de koopovereenkomst werd ontbonden als op 9 februari 2000 geen bouwvergunning is ontvangen door de koper voor "minimaal 6 woningen tweekappers". Op 1 februari 2000 heeft [geïntimeerde] [appellanten] medegedeeld dat zij, ondanks het feit dat zij op 9 februari 2000 waarschijnlijk nog geen bouwvergunning zou hebben ontvangen, geen beroep wenste te doen op de ontbindende voorwaarde van art. 13.

Daarop deed [appellanten] zijnerzijds een beroep op die voorwaarde omdat op 9 februari 2000 geen bouwvergunning was verleend.

2.3.2. De rechtbank 's-Hertogenbosch heeft bij vonnis van 22 juni 2001 de vordering van [geïntimeerde] toegewezen tot levering van de percelen die [appellanten] aan haar had verkocht. Hierbij verwierp de rechtbank het verweer van [appellanten] dat hij met recht een beroep had gedaan op de in de koopovereenkomst tussen partijen opgenomen ontbindende voorwaarde. Het hof heeft in het door [appellanten] tegen dit vonnis ingestelde hoger beroep bij arrest van 15 juli 2003 het vonnis (met een kleine, thans niet ter zake doende wijziging) bekrachtigd.

2.3.3. Het hof overwoog in r.o. 4.12 van dit arrest dat het belang van [appellanten] bij de ontbindende voorwaarde alleen gelegen is in de vaste termijn die erin is opgenomen en niet tevens in het voorhanden zijn van een bouwvergunning met een bepaalde, tussen partijen afgesproken inhoud.

In r.o. 4.14 (jo r.o. 4.13) overwoog het hof dat de vraag of [geïntimeerde] in het geval zij door de gemeente [gemeente] ruimer toebedeeld zou worden dan [appellanten] met de gemeente kon bewerkstelligen doordat [geïntimeerde] een vergunning voor meer dan zes halfvrijstaande woningen zou verkrijgen, een kwestie is die [geïntimeerde] niet raakt en die in ieder geval buiten de onderhavige procedure staat.

In r.o. 4.16 overwoog het hof dat door de mededeling van [geïntimeerde] dat zij zich niet op de ontbindende voorwaarde zou beroepen, voor beide partijen de betekenis aan de ontbindende voorwaarde is komen te ontvallen, omdat [geïntimeerde] de koopovereenkomst zonder meer wilde nakomen en voor [appellanten] was daardoor binnen de door hem gestelde termijn geheel duidelijk dat [geïntimeerde] zich daar niet meer aan zou kunnen onttrekken. [appellanten] handelde daarom naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar door van zijn kant een beroep op de ontbindende voorwaarde te doen.

2.4.1. [appellanten] heeft van genoemd vonnis en arrest herroeping gevorderd, omdat hem uit na het arrest ter kennis gekomen informatie is gebleken dat [geïntimeerde] zowel hemzelf, als de rechtbank en het hof had misleid. Uit informatie van de gemeente 's-Hertogenbosch van 17 en

18 juli 2003 en uit een brief van de architect van [geïntimeerde], [architect], zou blijken dat de gemeente Boxtel aan [geïntimeerde] een voorkeursbehandeling had gegeven, nu [geïntimeerde] op het perceel zes vrijstaande woningen mocht realiseren en niet slechts zes halfvrijstaande woningen. [geïntimeerde] was hiermee bekend, hetgeen bleek uit een bij de gemeente op 3 juni 1999 ingediend schetsplan voor zes vrijstaande woningen.

Het bedrog is door [geïntimeerde] met name gepleegd, aldus [appellanten], doordat zij dit verzweeg en door de wijze waarop in de procedure de te bouwen woningen waren aangeduid.

2.4.2. Het hof heeft de grondslag van de vordering tot herroeping van [appellanten] begrepen als voornamelijk steunend op art 382 aanhef en sub a Rv (bedrog in de procedure). Voorzover de vordering ook steunde op de gronden sub b en c, oordeelde het hof dat [appellanten] daarvoor onvoldoende had gesteld.

Het hof heeft vervolgens overwogen in r.o. 3.5. dat hetgeen [appellanten] ter onderbouwing van zijn vordering heeft aangevoerd, niet de grond betreft waarop het arrest van 15 juli 2003 berust, zodat, zelfs als zou komen vast te staan dat er door [geïntimeerde] bedrog zou zijn gepleegd (hetgeen door [geïntimeerde] is betwist), dit niet zou kunnen leiden tot herroeping van het arrest van 15 juli 2003, en herroeping van het vonnis van 22 juni 2001 bijgevolg niet aan de orde is.

Hier voegde het hof in r.o. 3.6 aan toe dat het gestelde bedrog niet van doen heeft met het feit dat in het arrest van 15 juli 2003 is geoordeeld dat aan [appellanten] geen beroep op de ontbindende voorwaarde toekomt, zodat het arrest niet op dat bedrog berust.

2.5.1. Thans vordert [appellanten] wederom herroeping van genoemd vonnis en arrest, en eveneens van het arrest van 9 november 2004. [appellanten] beroept zich wederom op "bedrog".

Het hof begrijpt dat [appellanten] zich hiermee zowel op de grond van art. 382 aanhef en sub a (bedrog tijdens het geding), als op de grond sub b (erkende of bij gewijsde vastgestelde valsheid van stukken) wenst te beroepen.

2.5.2. Het gepleegde bedrog zou er volgens [appellanten] in hebben bestaan dat het eerste door [geïntimeerde] bij de gemeente Boxtel op 8 juni 1999 ingediende schetsplan niet betrof de bouw van 6 over de kap geschakelde woningen - 6 halfvrijstaande woningen -, maar 6 vrijstaande woningen, welke per 2 woningen met elkaar zijn verbonden door garages.

Met deze foutieve informatie zou [geïntimeerde] de rechtbank en het hof willen hebben laten geloven dat de gemeente Boxtel [geïntimeerde] en [appellanten] op gelijke wijze zou hebben behandeld, aldus [appellanten].

Hieruit volgt dat - zo begrijpt het hof - de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 22 juni 2001 en het daarop volgende arrest van dit hof van 15 juli 2003 gebaseerd zijn op deze verkeerde informatie over de woningen en de daaruit voortvloeiende verkeerde informatie over de gelijke behandeling van [geïntimeerde] en [appellanten]. Voorts, aldus [appellanten], is ook het arrest van het hof van 9 november 2004, gewezen op de vordering tot herroeping van het vonnis van 22 juni 2001 en het arrest van 15 juli 2003, gebaseerd op deze verkeerde informatie.

2.5.3. Voor de erkende valsheid geldt mutatis mutandis hetzelfde: tijdens het op 14 maart 2005 gehouden pleidooi in eerste aanleg in een procedure tussen [appellanten] en [geïntimeerde] over de vraag of er zijdens [appellanten] sprake was van dwaling, zou de raadsman van [geïntimeerde] tegenover de rechter hebben erkend dat het door architect [architect] bij de gemeente Boxtel namens [geïntimeerde] ingediende schetsplan een plan betrof waarin de woningen zijn verbonden middels de garage (en zo begrijpt het hof, als vrijstaande en niet als halfvrijstaande woningen hebben te gelden). Hiermee zou zijn aangegeven dat het een geënsceneerde tekening betrof. De stukken waarop [appellanten] het oog heeft, zijn het genoemde schetsplan en de brief van Mathijsen aan [geïntimeerde] van 18 november 2003, waarbij het schetsplan als bijlage is gevoegd.

2.5.4. Door [geïntimeerde] is het gepleegde bedrog en de lezing van hetgeen tijdens het pleidooi voor de rechtbank zou zijn gezegd, gemotiveerd ontkend.

2.6.1. Doch wat daar ook van zij, de vordering tot herroeping van [appellanten] kan wederom niet slagen.

Indien de door [appellanten] gestelde - en door [geïntimeerde] gemotiveerd betwiste - feiten door [appellanten] zouden worden bewezen, zouden zij mogelijk hoogstens een beroep zijdens [appellanten] op dwaling kunnen rechtvaardigen.

2.6.2. Het arrest van 9 november 2004 zou echter daarop niet kunnen worden herroepen, omdat dit niet de gronden betreft waarop dit arrest berust.

Waar het hier nog steeds om gaat, is dat het arrest van 15 juli 2003 is gebaseerd op het oordeel van het hof dat, geparafraseerd, [appellanten] geen belang had bij het inroepen van de ontbindende voorwaarde, omdat zijn belang alleen gelegen was in de vaste termijn die erin was opgenomen en niet in het voorhanden zijn van een bouwvergunning met een bepaalde tussen partijen afgesproken inhoud, en dat door de mededeling van [geïntimeerde] dat zij wilde afnemen, voor beide partijen het belang van de ontbindende voorwaarde was komen te ontvallen.

Daarnaast had het hof ook nog overwogen dat de kwestie van het al dan niet bevoordelen van [geïntimeerde] - in wezen de basis van deze en de vorige herroepingsprocedure - [geïntimeerde] niet raakte en ook buiten die procedure stond.

2.6.3. Gelijk het hof in zijn arrest van 9 november 2004 heeft overwogen, heeft ook thans het gestelde bedrog, en de gestelde erkende valsheid niet van doen met het feit dat in het arrest van 15 juli 2003 is geoordeeld dat aan [appellanten] geen beroep op de ontbindende voorwaarde toekomt, zodat het arrest niet op dat bedrog/erkende valsheid berust, en hetzelfde heeft te gelden voor het arrest van

9 november 2004.

2.6.4. De vordering tot herroeping zal derhalve worden afgewezen, met veroordeling van [appellanten] in de kosten van het geding.

2.7. Uit het bovenstaande blijkt dat, alhoewel nauw met elkaar verwant, in deze herroepingsprocedure door [appellanten] andere feiten aan zijn vordering ten grondslag zijn gelegd dan in de eerdere herroepingsprocedure, en de vordering ook (deels) op andere gronden is gestoeld. Het is om deze reden dat het hof het door [geïntimeerde] gedane beroep op gezag van gewijsde heeft gepasseerd.

3. De beslissing

Het hof:

wijst de vordering tot herroeping af;

veroordeelt [appellanten] in de kosten van het geding, tot op deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 291,-- aan verschotten en € 2.682,-- aan salaris procureur;

verklaart voormelde veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. Fikkers, Riemens en Van Empel en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 10 april 2007.