Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2007:BA2987

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
31-01-2007
Datum publicatie
16-04-2007
Zaaknummer
04/01547
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De stelling van belanghebbende, dat de Belastingdienst niet correct gehandeld heeft door, hoewel reeds in 2000 ermee bekend, tot in 2004 niets heeft gedaan om te voorkomen, dat onder meer aan haar, wier echtgenoot niet in Nederland werkzaam was, formulieren voor teruggaaf werden gezonden, kan belanghebbende naar het oordeel van het Hof niet baten. Het toezenden van die formulieren legt immers niet de verplichting op deze ingevuld te retourneren. Daarbij komt nog de door het Hof onder 4.2.2 genoemde mogelijkheid, dat de voor het jaar 2000 geldende situatie zich niet in de daaropvolgende jaren hoeft te herhalen en een belastingplichtige, hoewel in enig jaar geen recht hebbende op de teruggaaf, in een daaropvolgend jaar wel in aanmerking kan komen voor die teruggaaf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2007/35.17 met annotatie van Redactie
FutD 2007-0808
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 04/01547

HET GERECHTSHOF TE 'S-HERTOGENBOSCH

UITSPRAAK

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, vierde meervoudige Belastingkamer, op het beroep van mevrouw X te Y (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/P van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) op het bezwaarschrift betreffende na te melden aanslag en beschikking.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2001 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd met een te betalen bedrag van € 1.576,= en een beschikking heffingsrente tot een bedrag van € 122,=. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur bij de bestreden, in één geschrift vervatte, uitspraken de aanslag en de beschikking heffingsrente gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende is tegen die uitspraken, in één geschrift vervat, in beroep gekomen bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 37,=.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.3. Het eerste onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad ter zitting van de vijfde enkelvoudige Belastingkamer van het Hof op 31 mei

2006 te 's-Hertogenbosch. Aldaar is toen verschenen en gehoord, namens de Inspecteur, de heer A.

Belanghebbende is, met bericht, niet verschenen.

Het Hof heeft te dezer zitting besloten de zaak te verwijzen naar de vierde meervoudige Belastingkamer.

1.4. Het tweede onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 11 oktober 2006 te 's-Hertogenbosch. Aldaar is toen verschenen en gehoord, namens de Inspecteur, de heer B.

Belanghebbende is, met bericht, niet verschenen.

1.5. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en de geloofwaardige verklaring van de Inspecteur ter zitting, stelt het Hof als tussen partijen niet in geschil, de volgende feiten vast:

2.1. Belanghebbende is geboren op 10 januari 1945 en is gehuwd.

2.2. Eind 2000 heeft belanghebbende van de Inspecteur een formulier "Verzoek voorlopige teruggaaf algemene heffingskorting" voor het jaar 2001 ontvangen.

2.3. Belanghebbende heeft, nadat zij de toelichting bij voornoemd verzoek had gelezen, meerdere keren telefonisch informatie ingewonnen bij de Inspecteur, waarbij zij telkens heeft medegedeeld, dat haar echtgenoot in Duitsland werkte. Haar werd door een medewerker van de Inspecteur verteld, dat zij aanspraak maakte op teruggaaf. Zij heeft het formulier ingevuld, waarin zij de naam en het sofinummer van haar echtgenoot heeft vermeld, en teruggestuurd.

Overeenkomstig haar verzoek heeft belanghebbende in de loop van 2001 een voorlopige teruggaaf van fl. 3.473,= (= € 1.576,=) ontvangen.

2.4. Eind 2001 heeft belanghebbende het formulier voor 2002 ontvangen. Zij heeft - wederom met de gegevens van haar echtgenoot - het formulier ingevuld en teruggestuurd. Ook in de loop van 2002 heeft zij een voorlopige teruggaaf ontvangen. Hetzelfde is ook voor 2003 en 2004 gebeurd.

2.5. De echtgenoot van belanghebbende heeft in zijn aangifte voor het jaar 2001 naast het inkomen, dat hij in Duitsland genoot, ook inkomen uit de eigen woning aangegeven. Door zijn werkzaamheden in Duitsland is hij hier te lande niet verzekerd ingevolge de volksverzekeringen. Na verrekening van de belastingvermindering ter voorkoming van dubbele belasting en toepassing van de gecombineerde heffingskorting is de echtgenoot van belanghebbende in 2001 geen inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen verschuldigd. Zijn aanslag voor het jaar 2001 is met dagtekening 7 mei 2003 opgelegd en bedraagt nihil. Belanghebbende heeft in 2001 geen inkomsten genoten.

2.6. Met dagtekening 29 juni 2004 is aan belanghebbende de bestreden aanslag opgelegd, waarbij de Inspecteur de aan haar in 2001 verleende uitbetaling van de algemene heffingskorting van € 1.576,=, met berekening van heffingsrente ad € 122,=, heeft teruggenomen, hetgeen resulteerde in een te betalen bedrag van € 1.698,=.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen

- Heeft de Inspecteur de aanslag met een te betalen bedrag van

€ 1.698,= terecht opgelegd?

- Zijn er beginselen van behoorlijk bestuur geschonden door de werkwijze van de Inspecteur betreffende het verlenen van de voorlopige teruggaaf en is de termijn voor het opleggen van de aanslag overschreden?

- Is er terecht heffingsrente in rekening gebracht?

Belanghebbende is van oordeel, dat de eerste en derde vraag ontkennend moeten worden beantwoord en de tweede vraag bevestigend. De Inspecteur is de tegengestelde mening toegedaan.

3.2.1. Tussen partijen is niet in geschil het bedrag van de aanslag, dat is vastgesteld op het bedrag van de verleende teruggaaf.

3.2.2. Belanghebbende stelt, dat de Inspecteur haar verkeerd heeft geïnformeerd en dat zij, indien haar de goede informatie was gegeven, het formulier niet zou hebben ingevuld en teruggestuurd.

Voorts is belanghebbende van mening, dat de Belastingdienst

- niet correct gehandeld heeft, omdat hij - hoewel reeds in 2000 ermee bekend - tot in 2004 niets heeft gedaan om te voorkomen, dat formulieren voor teruggaaf werden gezonden aan degenen, wier echtgenoten niet in Nederland werkzaam waren,

- onzorgvuldig gehandeld heeft door belanghebbende pas drie en half jaar na het verlenen van de teruggaaf 2001 ervan in kennis te stellen dat de teruggaaf onterecht is verleend,

- te kort schiet door de bij de Belastingdienst bekende gegevens van echtelieden niet te raadplegen voordat teruggaaf wordt verleend.

Verder meent belanghebbende, dat haar aanslag vernietigd dient te worden, nu deze niet binnen 8 weken, maar pas ruim een jaar na de definitieve aanslag van haar echtgenoot is vastgesteld.

3.2.3. De Inspecteur bestrijdt, dat sprake is van enig in rechte te honoreren vertrouwen, nu belanghebbende geen schade lijdt, maar alleen de uitbetaalde algemene heffingskorting moet terugbetalen.

3.3. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden, welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden beschouwd. Ter zitting heeft de Inspecteur hieraan nog het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd:

- De berekening van heffingsrente is dwingend voorgeschreven. Deze berekening kan bij belanghebbende als onrechtvaardig overkomen, mede omdat er een jaar zit tussen de vaststelling van de aanslag van de echtgenoot en de vaststelling van haar aanslag. Er zit een hardheid in. Ik ga akkoord met het laten vervallen van de heffingsrente en ook met het vergoeden van het griffierecht.

3.4. Belanghebbende concludeert, naar het Hof verstaat, tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak en van de aanslag. De Inspecteur concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak en van de beschikking heffingsrente en handhaving van de aanslag.

4. Beoordeling van het geschil

4.1.1. Ingevolge artikel 8.8 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet IB 2001) bedraagt de gecombineerde heffingskorting maximaal het bedrag van de gecombineerde inkomensheffing.

Indien de gecombineerde heffingskorting, door de werking van artikel 8.8 van de Wet IB 2001, is gemaximeerd, omdat de belastingplichtige onvoldoende belasting en premie volksverzekeringen verschuldigd is, kan de heffingskorting krachtens artikel 8.9 van de Wet IB 2001

worden verhoogd. In artikel 8.9 van de Wet IB 2001 is bepaald, dat de verhoging van de gecombineerde heffingskorting niet meer bedraagt dan het bedrag van de door de partner van belastingplichtige, na toepassing van de belastingvermindering volgens de regelingen ter voorkoming van dubbele belasting, verschuldigde gecombineerde inkomensheffing verminderd met zijn gecombineerde heffingkorting.

4.1.2. Belanghebbende is in het onderhavige jaar de minstverdienende partner. Zij heeft aanspraak gemaakt op de verhoging van de gecombineerde heffingskorting. De echtgenoot van belanghebbende is echter geen gecombineerde inkomensheffing verschuldigd. Hij is immers in Nederland, na verrekening van de belastingvermindering ter voorkoming van dubbele belasting en toepassing van de gecombineerde heffingskorting, geen inkomstenbelasting noch premies volksverzekeringen verschuldigd. Dit heeft tot gevolg, dat het bedrag van de gecombineerde heffingskorting voor de minstverdienende partner nihil blijft.

4.1.3. Ingevolge artikel 9.4, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet IB 2001 wordt een aanslag vastgesteld, indien voor of in de loop van het kalenderjaar een voorlopige teruggaaf is vastgesteld. Voormelde bepaling blijft echter buiten toepassing, indien een voorlopige teruggaaf uitsluitend met het oog op de heffingskorting is vastgesteld, tenzij de verhoging van de gecombineerde heffingskorting volgens artikel 8.9 van de Wet IB 2001 ten onrechte of tot een te hoog bedrag is genoten. Laatstgenoemde uitzondering doet zich hier voor. Nu belanghebbende door middel van de voorlopige teruggave een bedrag van € 1.576,= aan heffingskorting heeft genoten, terwijl in haar geval de verhoging van de gecombineerde heffingskorting niet mogelijk is, is de verhoging van de gecombineerde heffingskorting immers onterecht genoten.

De Inspecteur heeft derhalve de aanslag terecht opgelegd. De eerste in geschil zijnde vraag dient bevestigend te worden beantwoord.

4.2.1. Door belanghebbende is gesteld, dat haar door (een medewerker van) de Inspecteur is verteld, dat zij aanspraak maakte op teruggaaf, het formulier moest invullen en terugsturen. De in het kader van het - indienen van een - verzoek om een voorlopige teruggaaf door (een medewerker van) de Inspecteur verstrekte inlichtingen zijn naar het oordeel van het Hof van algemene aard, zodat hieraan in principe geen vertrouwen kan worden ontleend. De door belanghebbende gestelde uitlating is niet als een toezegging op te vatten, die een bewuste standpuntbepaling ter zake van belanghebbendes aanslagregeling behelst, waaraan belanghebbende een in rechte te honoreren vertrouwen zou mogen ontlenen, doch slechts als algemene voorlichting aan te merken. De Inspecteur is aan een onjuiste informatieverstrekking alleen dan gebonden, indien belanghebbende als gevolg van de onjuistheid van de informatie naast de verschuldigde belasting schade heeft geleden (zie Hoge Raad 9 maart 1988, BNB 1988/148 en 3 januari 1990, BNB 1990/148). Een dergelijke schade is gesteld noch gebleken.

4.2.2. Ook de stelling van belanghebbende, dat zij meerdere keren heeft vermeld, dat haar echtgenoot in Duitsland werkte, kan haar naar het oordeel van het Hof niet baten. Met het feit, dat haar echtgenoot in 2000 in Duitsland werkte, is nog niet gegeven, dat hij ook in het daaropvolgende jaar - c.q. daaropvolgende jaren - uitsluitend in Duitsland zal werken en geen in Nederland aan inkomstenbelasting en/of heffing van premies volksverzekeringen onderworpen inkomsten zal genieten.

4.2.3. De stelling van belanghebbende, dat de Belastingdienst niet correct gehandeld heeft door, hoewel reeds in 2000 ermee bekend, tot in 2004 niets heeft gedaan om te voorkomen, dat onder meer aan haar, wier echtgenoot niet in Nederland werkzaam was, formulieren voor teruggaaf werden gezonden, kan belanghebbende naar het oordeel van het Hof niet baten. Het toezenden van die formulieren legt immers niet de verplichting op deze ingevuld te retourneren. Daarbij komt nog de door het Hof onder 4.2.2 genoemde mogelijkheid, dat de voor het jaar 2000 geldende situatie zich niet in de daaropvolgende jaren hoeft te herhalen en een belastingplichtige, hoewel in enig jaar geen recht hebbende op de teruggaaf, in een daaropvolgend jaar wel in aanmerking kan komen voor die teruggaaf.

Daarnaast heeft de Inspecteur zich verweerd, dat in de toelichting bij het "Verzoek voorlopige teruggaaf algemene heffingskorting" aangegeven is, dat hetgeen teveel is ontvangen aan voorlopige teruggaaf, terug moet worden betaald.

4.2.4. Belanghebbendes stelling, dat de Inspecteur onzorgvuldig gehandeld heeft door haar pas drie en half jaar na het verlenen van de teruggaaf 2001 in kennis te stellen, dat de teruggaaf onterecht is verleend, wordt naar het oordeel van het Hof vergeefs voorgedragen. Ingevolge artikel 11, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de AWR) is de Inspecteur bevoegd een aanslag vast te stellen binnen drie jaren na het tijdstip, waarop de belastingschuld is ontstaan. In casu heeft de Inspecteur zich aan deze bepaling gehouden en de aanslag binnen de aanslagtermijn opgelegd. Om die reden kan de aanslag niet vernietigd worden.

4.2.5. Belanghebbende heeft voorts gesteld, dat de Inspecteur te kort is geschoten door de bij de Belastingdienst bekende gegevens van echtelieden niet te raadplegen voordat teruggaaf wordt verleend. Naar het oordeel van het Hof kan deze stelling niet slagen, nu bij het beoordelen en inwilligen van het verzoek om de voorlopige teruggaaf bij de Inspecteur geen gegevens bekend kunnen zijn van de inkomsten van de echtgenoot in het daaropvolgende of lopende jaar.

4.2.6. Verder beroept belanghebbende zich erop, dat verwacht mag worden dat aan haar, binnen acht weken na vaststelling van de definitieve aanslag van haar echtgenoot, een aanslag zal worden opgelegd. De Inspecteur heeft hiertegen verweer gevoerd, dat een termijn van acht weken alleen genoemd wordt in artikel 16, zesde lid, van de AWR, als termijn waarbinnen, na afloop van de navorderingstermijn, een navorderingsaanslag inzake een ten onrechte of tot een te hoog bedrag genoten heffingskorting opgelegd kan worden. Met de Inspecteur is het Hof van oordeel, dat geen termijn is gesteld voor het opleggen van de primitieve aanslag afhankelijk van de dagtekening van de aanslag van de echtgenoot. De aanslag kan om die reden niet vernietigd worden.

4.2.7. Mogelijk bedoelt belanghebbende een beroep te stellen op een bij haar gewekt rechtens te honoreren vertrouwen, dat verwacht mag worden dat aan haar, binnen acht weken na vaststelling van de definitieve aanslag van haar echtgenoot, een aanslag zal worden opgelegd. Een beroep op gewekt vertrouwen als hier omschreven, wordt naar het oordeel van het Hof vergeefs voorgedragen. Belanghebbende heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd, waaruit van een dergelijk vertrouwen blijkt.

4.2.8. Geen rechtsregel verplicht de Inspecteur om binnen korte tijd na vaststelling van de definitieve aanslag van de echtgenoot een

aanslag aan belanghebbende op te leggen, daargelaten dat de Inspecteur daartoe wel bevoegd is.

4.2.9. Gelet op hetgeen is overwogen onder 4.2.1 tot en met 4.2.8 is het gelijk voor wat betreft de tweede vraag aan de zijde van de Inspecteur.

4.3. Nu de Inspecteur ter zitting heeft verklaard, dat de met de aanslag genomen beschikking heffingsrente dient te vervallen, behoeft de derde in geschil zijnde vraag geen behandeling meer. Het gelijk met betrekking tot die vraag is aan de zijde van belanghebbende.

5. Griffierecht

Gelet op artikel 8:74, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) dient aan belanghebbende het door haar gestorte griffierecht te worden vergoed.

6. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

Belanghebbende heeft namelijk niet verzocht om een proceskostenvergoeding en het Hof is ook ambtshalve niet gebleken, dat zij voor vergoeding in aanmerking komende kosten heeft gemaakt als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

7. De beslissing

Het Hof:

- verklaart het beroep gegrond,

- vernietigt de bestreden uitspraak,

- vernietigt de beschikking heffingsrente,

- handhaaft het bedrag van de aanslag tot een bedrag van

€ 1.576,=, zonder heffingsrente,

- gelast dat aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake

van de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten

bedrage van € 37,=, en

- wijst de Staat aan als de rechtspersoon, die het griffierecht

moet vergoeden.

Aldus gedaan op: 31 januari 2007 door P.J.M. Bongaarts, voorzitter, J. Swinkels en W.F.G. Wijnen, leden, en voor wat betreft de beslissing in tegenwoordigheid van M.J.G. Letschert, griffier, op die dag in het openbaar uitgesproken.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden

op: 31 januari 2007

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht.

d. de gronden van het beroep in cassatie

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep ontvangt de indiener een nota griffierecht van de Hoge Raad.

In het beroepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.