Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2007:BA2973

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
24-01-2007
Datum publicatie
16-04-2007
Zaaknummer
04/00024
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Er van uitgaande dat de door belanghebbende gestelde uitlatingen van de zijde van de Inspecteur zijn gedaan, is het hof van oordeel dat geen sprake is van een toezegging dan wel goedkeuring, maar van het verstrekken van algemene informatie over de stand van zaken van de aangifte op basis van gegevens uit de systemen van de belastingdienst. Ook de vraagstelling van de zijde van belanghebbende en de positie van de betreffende medewerker, klantendienst, wijzen daarop. Nu niet is gesteld en/of is gebleken dat belanghebbende schade lijdt doordat hij, afgaande op de onjuiste voorlichting, enige handeling heeft verricht of nagelaten, is het hof van oordeel dat belanghebbende er niet op kon vertrouwen dat de Inspecteur zijn aangifte als tijdig ingediend zou aanmerken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2007/36.1.1
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 04/00024

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch, dertiende enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van X te Y (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/P van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) op het bezwaarschrift betreffende na te melden boetebeschikking.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2001 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen met daarop gesteld een boetebeschikking ten bedrage van € 567,= opgelegd. De boetebeschikking is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het hof.

Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 31,=.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 21 juni 2005 te Venlo.

Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende alsmede, namens de Inspecteur, de heer A.

Belanghebbende legt ter zitting, met toestemming van de Inspecteur, een stuk over.

1.4. Het hof heeft met toepassing van artikel 8:64 van de Algemene wet bestuursrecht het onderzoek ter zitting geschorst en daarbij bepaald dat het vooronderzoek wordt hervat. Vervolgens heeft het hof met toepassing van artikel 8:45 van de Algemene wet bestuursrecht partijen verzocht schriftelijk inlichtingen te geven en/of onder hen berustende stukken in te zenden. Deze met partijen gevoerde correspondentie behoort tot de stukken van het geding.

1.5. Het nadere onderzoek ter zitting, een andere Belastingkamer, heeft plaatsgehad op 1 februari 2006. Partijen is, kort samengevat, het verhandelde ter eerste zitting voorgehouden en is tevens voorgehouden welke stukken zijn gewisseld. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede, namens de Inspecteur, de heer A.

1.6. Het hof heeft met toepassing van artikel 8:64 van de Algemene wet bestuursrecht opnieuw het onderzoek ter zitting geschorst en daarbij bepaald dat het vooronderzoek wordt hervat. Vervolgens heeft het hof met toepassing van artikel 8:45 van de Algemene wet bestuursrecht partijen verzocht schriftelijk inlichtingen te geven en/of onder hen berustende stukken in te zenden. Deze met partijen gevoerde correspondentie behoort tot de stukken van het geding.

1.7. Het hof heeft vervolgens, nadat partijen te kennen hadden gegeven er mee in te stemmen dat zonder een nadere mondelinge behandeling uitspraak wordt gedaan, het onderzoek ter zitting gesloten.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde tijdens de zittingen staat, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende vast:

2.1. Belanghebbende is tot 1 maart 2003 uitstel verleend voor het indienen van zijn aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2001. Gedagtekend 14 mei 2003 heeft de Inspecteur, omdat er nog geen aangifte was ingekomen, belanghebbende een aanmaning gezonden. In de aanmaning is belanghebbende verzocht het aangiftebiljet uiterlijk op 27 mei 2003 in te dienen.

Belanghebbende heeft alsnog zijn aangifte ingediend bij de Inspecteur. Op de aangifte heeft belanghebbende 052003 als datum vermeld. Bij Beconnummer belastingconsulent is vermeld: 1.

Die aangifte is, zie ook de door de Inspecteur overgelegde kopie, bij binnenkomst door de belastingdienst op de eerste bladzijde voorzien van het nummer N.2.

2.2. De Inspecteur, van mening zijnde dat het aangiftebiljet eerst op 4 juni 2003 is ingekomen, legt met dagtekening 14 oktober 2003 een aanslag op met daarbij een boetebeschikking vanwege het te laat indienen van de aangifte.

Er is sprake van een zogenoemd derde verzuim. Op grond van het bepaalde in artikel 67a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen in relatie met het bepaalde in paragraaf 21, lid 3, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 stelt de Inspecteur de boete vast op € 567,=.

Het op 14 oktober 2003 gedagtekende bezwaar tegen de boetebeschikking komt op 15 oktober 2003 bij de Inspecteur in. De Inspecteur doet op 25 november 2003 uitspraak op bezwaar. Hij verklaart het bezwaar ontvankelijk en wijst het bezwaar vervolgens af.

2.3. In zijn beroepschrift meldt belanghebbende (feitelijk diens gemachtigde) onder meer het volgende:

De reden dat wij het niet eens kunnen zijn met de uitspraak op ons bezwaarschrift is dat ons inziens de bedoelde aangifte wel degelijk tijdig is ingediend.

Na ontvangst van de aanmaning tot het doen van aangifte (dagtekening 14 mei 2003) is de betreffende aangifte door ons kantoor d.d. 23 mei 2003 verzonden. Na ontvangst van het schrijven "waarschuwing voor aanslag op basis van schatting" met dagtekening 16 juni 2003 heeft een onzer medewerkers, de Heer B, contact opgenomen met de Belastingdienst P / Z, en wel op 17 juni 2003. Daar wist men ons te berichten, en wel bij monde van de Heer C, dat de aangifte tijdig was ontvangen door Belastingdienst Centrale Invoer te ZZ. Deze ontvangst door "ZZ" zou echter (volgens de Heer C) per abuis niet door Belastingdienst P / Z als dusdanig zijn verwerkt c.q. niet door "ZZ" aan "Z" zijn doorgegeven.

Gezien het vorenstaande verzoeken wij dan ook de opgelegde verzuimboete ten bedrage van € 567,- te vernietigen.

2.4. Belanghebbende geeft aan dat zijn gemachtigde de aangifte op 23 mei 2003 ter post heeft bezorgd. Ten bewijze daarvan legt hij ter eerste zitting een kopie van het eerste blad van zijn aangifte over. Op dat blad is de stempelafdruk "VERZONDEN 23 MEI 2003" geplaatst.

Belanghebbende verklaart tevens dat het op het kantoor van zijn gemachtigde gebruikelijk is dat bij ter post bezorging van stukken op de kopie van het betreffende stuk een stempelafdruk met de datum van de ter post bezorging wordt geplaatst.

2.5. In zijn verweerschrift heeft de Inspecteur gesteld dat hij bij de heer C navraag heeft gedaan naar het onder 2.3. vermelde gesprek. De Inspecteur meldt terzake het volgende:

1. De heer C kon zich dit specifiek gesprek niet herinneren.

2. De heer C trekt volledig in twijfel hetgeen door de heer D met betrekking tot de tijdige inleverdatum wordt gesteld. Ter toelichting hiervan voeg ik bij een verklaring van de heer C hierover.Zeker ook dit laatste gegeven in aanmerking nemend blijf ik van mening dat de belanghebbende de aangifte te laat heeft gedaan en dat daarmee terecht een verzuimboete is opgelegd.

2.6. Bij zijn verweerschrift heeft de Inspecteur een verklaring van de heer C gevoegd. De verklaring, die niet is ondertekend, luidt als volgt:

Z, 12 mei 2004

Betreft: Beroep boetebeschikking aanslag IB/PVV 2001 t.n.v.

X te Y (aanslagnummer: 3)

Op verzoek van E geef ik hierbij een korte reactie op het door

D gestelde in het beroepschrift t.n.v. X te Y, betreffende bovenvermelde aanslag.

=> Dhr. D schrijft in zijn brief van 2 januari 2004, dat een medewerker van zijn kantoor op 17 juni 2003 mij heeft gebeld, met de vraag of de aangifte inkomstenbelasting 2001 van belanghebbende bij de Belastingdient was binnengekomen. Ik kan mij betreffend gesprek niet meer herinneren. Ik was toen werkzaam bij de klantendienst en kreeg deze vraag meerdere malen per dag gesteld.

=> Op de vraag, wanneer een aangifte inkomstenbelasting bij de Belastingdienst is binnengekomen, werd en wordt door mij het volgende antwoord danwel de volgende werkwijze gehanteerd.

-In IBS (InkomstenBelastingSysteem) wordt de datum van binnenkomst van een aangifte geregistreerd. IBS wordt derhalve als eerste geraadpleegd. Indien een aangifte nog niet in IBS is binnengeboekt, kan via DAS (DigitaalArchiefSysteem) worden nagekeken of de aangifte (via ZZ. Centrale Invoer van aangiftebiljetten) bij de Belastingdienst is binnengekomen. Het duurt immers enige tijd (een paar weken) voordat een aangifte vanuit DAS is overgenomen in IBS.

-Je kunt in DAS dus alleen zien of een aangifte is binnengekomen. De precieze datum van binnenkomst van een aangifte is alleen in IBS te achterhalen.

Conclusie: Kennelijk was de aangifte op 17 juni 2003 alleen in DAS opgenomen en niet in IBS (datum binnenkomst in IBS is 4 juni 2003). Aan de hand van DAS heb ik alleen kunnen bevestigen dat de aangifte is binnengekomen, maar niet op welke datum de aangifte is binnengekomen. Hetgeen door Dhr. D met betrekking tot de tijdige inleverdatum wordt gesteld, trek ik volledig in twijfel.

Ik hoop je voldoende te hebben geïnformeerd.

C

2.7. Tijdens de eerste mondelinge behandeling is gevraagd naar de betekenis van het nummer N.2 op het aangiftebiljet. Na de eerste zitting heeft de Inspecteur bij brief van 1 juli 2005 in de vorm van een drietal vragen en antwoorden terzake nadere informatie verstrekt. De antwoorden zijn verstrekt door een medewerker van de Belastingdienst/Centrale administratie/Informatieverwerking te ZZ. De vragen en antwoorden luiden als volgt:

Vragen

1. Welke betekenis kan er aan bovengenoemd nummer gegeven worden?

2. Wordt hiermee ook geregistreed op welke datum het biljet door de belastingdienst is ontvangen? Zo nee, op welke wijze wordt dan registratie van de binnenkomst van het biljet verzorgd?

3. Wanneer het een volgnummer betreft graag vermelding van de dagtekening van binnenkomst van de twee nummers vóór het onderhavige nummer én de twee nummers ná het onderhavige nummer.

Antwoorden

1. Het zgn. scannummer (zichtbaar rechtsboven op het biljet) wordt binnen B/CA IV-ZZ enkel gebruikt t.b.v. identificatie (bv. ingeval het fysieke document gelicht moet worden)

2. De registratie van de datum binnenkomst vindt plaats a.d.h.v. het 'MCA-scheidingsblad' welke bij ontvangst van het biljet (via TPG) door B/CA IV-ZZ wordt aangemaakt. Na het scanproces wordt deze datum aan het afnemende systeem (ABS/IBS) doorgegeven.

3. Het scannummer bestaat uit eerst een letter (aanduiding van de scanner) en vervolgens cijfers. Het cijfer bestaat uit twee delen, nl. de datum van scannen (de eerste 5 cijfers) en een oplopend volgnummer (de laatste 6 cijfers) Hierbij wordt per aangifteblad een scannummer aangemaakt. (de datum van scannen komt in de regel niet overeen met de datum binnenkomst van het biljet)

2.8. Na de tweede mondelinge behandeling heeft belanghebbende bij zijn brief van 13 februari 2006 een aan hem gerichte brief van zijn gemachtigde aan het hof gezonden. In de brief van zijn gemachtigde, gedagtekend 8 februari 2006, is onder meer het volgende opgenomen:

Voor de verwerking van de aangiften maken wij gebruik van de aangifteprogrammatuur van Elsevier (BAS). De uitdraai welke gegenereerd wordt door genoemd programma gebruiken wij als aangifte, met uitzondering van het (roze) aangiftevoorblad. Als aangiftevoorblad gebruiken wij, indien beschikbaar, het originele door de Belastingdienst aangeleverde voorblad, waarop handmatig de benodigde gegevens worden ingevuld. Indien het originele aangiftevoorblad overigens niet tot onze beschikking staat, wordt alsnog gebruik gemaakt van het voorblad uit het aangifteprograrnma. Van genoemde uitdraai aangevuld met het originele voorblad wordt een kopie gemaakt voor ons eigen dossier. Deze kopie (het voorblad) wordt op datum van verzending voorzien van een datumstempel (VERZONDEN <datum>).

Als aanvulling wil ik hierbij nog mededelen dat Uw aangifte Inkomstenbelasting / Premie volksverzekeringen 2001 door ondergetekende persoonlijk op 23 mei 2003 is verzonden (en derhalve ook van een "verzonden-stempel" met datum 23 mei 2003 is voorzien).

2.9. Tijdens de tweede mondelinge behandeling is de gang van zaken met betrekking tot de binnenkomst van het aangiftebiljet aan de orde geweest. Na de tweede zitting heeft de Inspecteur het hof bij brief van 16 februari 2006 een nadere reactie gegeven. Bij de brief is gevoegd een zogenoemde Gebruikershandleiding E-PGK, Primaire Proces van 21 maart 2002, bestemd voor Belastingdienst Centrale Invoer.

De bij voormelde brief gevoegde reactie is opgesteld door een medewerker van de Belastingdienst/Centrale administratie/Informatieverwerking te ZZ, zijnde de heer F.

De vragen en de reactie luiden als volgt:

Vragen

1. Hoe is de gang van zaken vanaf binnenkomst van het biljet tot en met het inbrengen van onderhavige gegevens in de systemen?

2. Hoe wordt m.n. de datum van binnenkomst in IBS geboekt en wanneer gebeurt dit? Scannummer geeft o.a. de datum van scannen maar deze datum is later dan de datum van binnenkomst van het biljet.

3. Hoe kan het zijn dat een paar weken later na binnenkomst gezien kan worden dat (via DAS) het biljet wel binnen is maar nog niet op welke datum het biljet binnen is gekomen (in IBS).

Reactie

Hierbij een korte beschrijving hoe bij B/CA/IV ZZ wordt gedateerd m.b.t.aangiften IB.

De aangiften worden dagelijks op antwoordnummer bezorgd door TPG op karren. Op elke kar hangt een label met daarop de datum binnenkomst. Op elke kar zitten een aantal kratten. Op elke krat wordt vervolgens een zogenaamd EPGK formulier (elektronische partij geleide kaart) gelegd. Op deze EPGK wordt de datum binnenkomst van het label van de kar overgenomen. Vervolgens worden er allerlei handelingen met de biljetten gedaan om ze scanklaar te maken (sorteren, ontvouwen formeren enz.) Vervolgens gaan de biljetten naar de scanafdeling en worden gescand. Op de scanafdeling worden ze voorzien van een MCA scheidingsblad. De datum binnenkomst op het MCA scheidingsblad wordt overgenomen van het EPGK.

Nadat het biljet is gescand komt het in MCA (Media Conversie Administratie) De datum binnenkomst wordt overgenomen van het MCA scheidingsblad.

Hier hoort het verhaal voor B/CA/IV ZZ op. Vanuit MCA wordt doorgegeven naar de vervolgsystemen EDI/ABS/IBS. De datum binnenkomst blijft gelijk aan de datum die op het MCA scheidingsblad staat.

Als een aangifte gescand wordt, wordt elk blad van de aangifte aan de voorkant voorzien van een zogenaamd spuitnummer. Op dat spuitnummer staat ook allerlei informatie. Bijvoorbeeld: R50318012207 de R staat voor de scanner die gebruikt is (B/CA heeft 10 scanners) vervolgens het jaar in dit geval een 5 voor 2005 en een datum 0318 staat voor 18 maart (Amerikaanse annotatie) en als laatste een (oplopend) volgnummer.

Belangrijk om te weten is dat de datum die op het spuitnummer staat niet de datum binnenkomst is.

Als ik naar onze huidige situatie kijk dan komen er inmiddels ook biljetten IB 2005 binnen maar

hebben wij nog geen mogelijkheid om deze biljetten te verwerken. Deze biljetten worden scanklaar gemaakt en vervolgens voorzien van een EPGK/MCA voorloopblad gebufferd tot het moment dat onze systemen worden vrijgegeven om te gaan verwerken.

Als jullie dus een datum binnenkomst willen weten moeten jullie in de datum aanhouden die bijvoorbeeld in IBS staat. Met name door het spuitnummer ontstaat hier helaas nog wel eens verwarring over)

Deze werkwijze is vastgelegd in interne instructies.

Ik heb nog even gekeken naar het biljet van Dhr X. Datum binnenkomst is 28-5-2003. Spuitnummer geeft als datum 06-06-2003, datum ondertekening 5-2003.

Dit biljet is overigens gescand, maar alleen om een image te maken voor DAS. Dit is de zogenaamde STA (scan to archive)-variant. De inhoudelijke gegevens worden vervolgens handmatig vertoetst via KGS (Key Graphics System). Dit is een toetsapplicatie waarbij de gegevens worden overgenomen vanaf het papier. Voor belang van jullie is om te weten dat de datum binnenkomst bij KGS verwerking wordt overgenomen van het MCA scheidingsblad dat bij de batch met aangiftebiljetten ligt.

Op jullie laatste vraag weet ik geen antwoord. Ik neem aan dat dat ligt aan de koppeling van MCA naar EDI en vervolgens naar ABS en IBS. Hoe deze koppelingen werken weet ik niet, is ook geen verantwoordelijkheid van B/CA. Ik heb bijvoorbeeld begrepen dat de koppeling van ABS naar IBS lang kan duren maar dat weten jullie natuurlijk beter als ik neem ik aan. Ik heb wel eens gehoord dat een biljet wel in ABS zichtbaar is (of hangt) maar nog niet zichtbaar is in IBS.

Als jullie nog nadere vragen hebben dan hoor ik het graag.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vraag:

-Heeft belanghebbende zijn aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2001 ingediend binnen de in de aanmaning dd. 14 mei 2003 gestelde termijn?

Belanghebbende is van oordeel dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan. Indien de vraag bevestigend wordt beantwoord, heeft de Inspecteur belanghebbende ten onrechte een boete opgelegd.

Het bedrag van de boete is overigens niet in geding.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Ter zitting hebben zij hieraan nog het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd:

Eerste zitting

Belanghebbende

Mijn gemachtigde is verhinderd; hij blijft echter in deze zaak mijn gemachtigde.

Bij mijn stukken ontbreekt de uitspraak op bezwaar.

Op uw vraag naar een stuk inzake de verzending van mijn aangifte toon ik u een kopie van het eerste blad van mijn aangifte met een stempel van mijn consulent. Ik leg een kopie over.

Ik was niet aanwezig bij de binnenkomst van mijn aangifte, maar ik kan in dit kader de inhoud van het telefoongesprek met de heer C niet volgen.

De Inspecteur

Belanghebbende geeft aan dat de stempelafdruk van zijn consulent is. Dat is uit de stempelafdruk zelve niet af te leiden.

(desgevraagd) De ingebrachte verklaring van de heer C is niet ondertekend.

Ik heb alles weersproken in mijn verweerschrift. Er is geen bewijs dat de aangifte op 23 mei 2003 is verzonden.

Het nummer dat op de door mij bij mijn verweerschrift overgelegde afdruk van de aangifte is vermeld, wordt bij binnenkomst van de aangifte door de belastingdienst toegekend en op die aangifte gesteld.

De laatst mogelijke datum van het doen van aangifte is niet van belang. De aangiften worden op juiste wijze geregistreerd. De post wordt op de dag dat hij binnenkomt en wordt afgeleverd één dag teruggeteld.

(desgevraagd) Ik zal een onderzoek instellen naar en een verklaring geven voor het op de aangifte gestelde nummer.

Tweede zitting

Belanghebbende

Ik heb het stuk dat de Inspecteur na de eerste zitting aan het hof heeft gezonden niet meer in mijn bezit. Ik denk overigens dat ik dat stuk wel kan missen. Het door u getoonde stuk bezit ik wel. Het gaat toch ook om de twee aangiften voor mijn aangifte met de nummers erop? Ik heb uit de reactie van de inspecteur niet kunnen opmaken dat mijn aangifte op 4 juni is binnengekomen.

Ik ben het er mee eens dat als de Inspecteur de nummers voor het nummer van mijn aangifte zoekt hij op dezelfde datum uitkomt, maar met een ander nummer. Die nummers zal hij wel kunnen vinden. Het was mij ontgaan dat het eerste gedeelte van het nummer wordt gevormd door de datum.

Allereerst wil ik ingaan op de discussie over het ter post bezorgen van mijn aangifte. Mijn accountant hanteert een stempeltje bij het wegbrengen van de post. Hij vertelde mij dat het stuk op 26 mei op de post was gedaan. Hij heeft later telefonisch contact gehad met de heer C. Van dat contact heeft hij een verslag opgesteld op de brief van de belastingdienst. Van de zijde van de belastingdienst werd bevestigd dat de aangifte binnen was en dat er geen sprake was van overschrijding van de termijn.

De Inspecteur brengt daar tegen in een verklaring van de heer C, die niet door hem is ondertekend. Dat vind ik merkwaardig. Ik twijfel eraan of de heer C de verklaring zelf in woord en geschrift op papier heeft gezet. Ik vind het een zeer hoogdravend taalgebruik voor iemand die bij de klantendienst werkt.

In het IBS systeem wordt de datum van binnenkomst geregistreerd. Op 17 juni 2003 is niet in het IBS systeem te vinden dat en wanneer mijn aangifte is binnengekomen. Hoe kan het systeem functioneren als de datum van binnenkomst pas twee tot drie weken later wordt geregistreerd.

Mijn tweede punt is dat het pas sinds kort is dat alle aangiften naar ZZ moeten worden gestuurd. Ik kan me voorstellen dat nu ZZ in één keer wordt geconfronteerd met zoveel post ZZ fouten heeft gemaakt.

Kun je het bewijzen, heb ik mijn adviseur gevraagd. Neen dat kan ik niet, gaf hij aan. Hij kan wel verklaren dat hij de aangifte op 23 mei 2003 heeft verzonden, dat wil hij ook wel onder ede doen. Dat geldt ook voor het gesprek met de heer C en de inhoud van dat gesprek. Ik verwijs naar de aantekening op de brief. Mijn accountant heeft het origineel in zijn bezit.

Mijn accountant stempelt alles voordat het op de post gaat. De afdruk van mijn aangifte is overgelegd. Mijn accountant is gewend alles zo te registreren en te stempelen.

De vraag naar het bewijs dat aangifte op 4 juni 2003 is binnengekomen, is mijns inziens niet eenduidig beantwoord. Ik voel er niet voor om nog een keer bij de rechter te moeten komen.

Inspecteur

Het stempeltje is van 23 mei 2003. De accountant verklaarde eerst dat de aangifte op 26 mei 2003 was verzonden.

Inzake het gesprek van de accountant met de heer C verklaar ik dat ik persoonlijk overleg met de heer C heb gevoerd. De heer C heeft zijn verklaring op papier gezet. Ik heb geen enkele twijfel dat het gestelde terzake van hem afkomstig is. (desgevraagd) Ik heb hem persoonlijk gesproken, de verklaring heeft hij mij persoonlijk aangereikt. Die informatie heb ik aan het hof gezonden.

Het IBS systeem werkt nu eenmaal zo. Er wordt binnen een termijn van drie weken geen aanslag opgelegd, dus voor ons is het geen probleem.

Alle aangiften worden door de belastingplichtigen naar ZZ gestuurd, dat is een massaal gebeuren. Ik kan me best wel voorstellen dat de post op 23 mei 2003 door de gemachtigde is verwerkt, maar het risico voor verzending is voor de verzender en ik heb geen andere aanwijzingen dan dat het stuk is binnengekomen op 4 juni 2003.

Ik onderschrijf de stelling van belanghebbende, dat als je IBS een paar weken later muteert het wel fout moet gaan, niet.

De gegevens van de aangiften worden in DAS globaal en niet in detail opgenomen. Als de aangifte in ZZ binnenkomt, wordt de aangifte direct in DAS geboekt. Ik ben zelf geen deskundige op administratief gebied. Ik durf niet te onderschrijven of het moment van inschrijven in DAS ook de datum van binnenkomst van de aangifte is. Ik moet het antwoord op die vraag schuldig blijven.

Deze zaak betreft een problematiek die veel vaker voorkomt. Vragen als thans aan de orde heb ik in het verleden niet gekregen. Als er beter moet worden gecommuniceerd dan krijg ik graag de kans om een en ander nog eens verder uit te zoeken.

3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de bestreden uitspraak en vernietiging van de boetebeschikking.

De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. In artikel 67a, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) is het volgende bepaald: Indien de belastingplichtige de aangifte voor een belasting welke bij wege van aanslag wordt geheven niet, dan wel niet binnen de ingevolge artikel 9, derde lid, gestelde termijn heeft gedaan, vormt dit een

verzuim ter zake waarvan de inspecteur hem, gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag, een boete van ten hoogste € 1134,= kan opleggen. Het is aan de Inspecteur, zo hij een boete als hiervoor bedoeld oplegt, om terzake het bewijs te leveren. In dit kader is overigens enkel in geding of belanghebbende zijn aangifte binnen de termijn gesteld op de aanmaning als bedoeld in artikel 9, derde lid, van de AWR heeft ingediend.

4.2. Belanghebbende heeft aangevoerd dat zijn aangifte op 23 mei 2003, derhalve tijdig, ter post is bezorgd. Verder zou in een telefonisch contact van een medewerker van zijn gemachtigde door de heer C van de belastingdienst zijn gemeld dat de aangifte van belanghebbende tijdig was ingekomen. De Inspecteur stelt zich mede op basis van de gegevens uit het zogenoemde IBS-systeem op het standpunt dat de in geding zijnde aangifte van belanghebbende op 4 juni 2003 bij de belastingdienst is ingekomen. Verder stelt hij dat de heer C zich voormeld telefoongesprek niet specifiek kan herinneren en dat de verklaring van de heer C op het punt van tijdige indiening afwijkt van die van belanghebbende.

4.3. Gelet op het gestelde onder de feiten is het hof van oordeel dat de aangifte van belanghebbende op 28 mei 2003 is ingekomen bij de belastingdienst, zodat die aangifte ook op die datum geacht wordt te zijn ingekomen bij de voor belanghebbende bevoegde Inspecteur. Het hof overweegt daarbij onder meer dat het bij de reactie inzake de behandeling van aangiften, opgesteld door de heer F van de Belastingdienst/Centrale administratie/Informatieverwerking te ZZ, gezien de lay out, kennelijk gaat om een mailbericht aan de Inspecteur. Mede gelet op de bijgevoegde gebruikershandleiding en de overige verklaringen acht het hof de verklaring van de eerdergenoemde heer Bakker geloofwaardig. Bij de vaststelling van de datum van 28 mei 2003 speelt een rol dat bij de procedure inzake de aangiften met antwoordnummer, zoals in het onderhavige geval, wordt aangesloten bij de door TPG aan de belastingdienst aangeleverde zogenoemde karren met kratten gevuld met aangiften met op die karren een label met de datum van binnenkomst.

Belanghebbende gaat in zijn brief van 27 februari 2006 ook van de datum van binnenkomst van 28 mei 2003 uit.

4.4. Ook indien wordt aangenomen dat de gemachtigde van belanghebbende de betreffende aangifte op 23 mei 2003 ter post heeft bezorgd, wordt daarmee het vorenstaande niet ontzenuwd. Het tijdstip van postbezorging is immers niet beslissend voor het tijdstip van indiening van de aangifte bij de Inspecteur. Belanghebbende draagt het risico van bij de verzending van zijn aangifte optredende vertraging. De bepaling van artikel 6:9, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht inzake verzending per post is niet van toepassing op aangiften. Ook de verklaring van belanghebbende inzake het telefoongesprek met de heer C, aannemende dat die juist is, kan belanghebbende niet baten. Die verklaring kan immers geen wijziging brengen in de feitelijke situatie.

Het vorenstaande betekent dat belanghebbende, gezien de bij de aanmaning gestelde datum van 27 mei 2003, bij inlevering van zijn aangifte niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen.

4.5. Gezien het door belanghebbende gestelde inzake het telefoon-gesprek met de heer C zal het hof er veronderstellenderwijs vanuit gaan dat belanghebbende heeft beoogd te stellen dat hij er op mocht vertrouwen dat de Inspecteur zijn aangifte als tijdig ingediend zou aanmerken. Voorwaarde voor honorering van dat vertrouwen is in elk geval dat belanghebbende het bewijs levert van de door hem gestelde uitlatingen van de betreffende medewerker van de Inspecteur in het telefoongesprek. Nu de verklaringen terzake van belanghebbende en van de Inspecteur en zijn medewerker niet gelijkluidend zijn, is het hof van oordeel dat belanghebbende niet is geslaagd in de op hem rustende bewijslast. Daaraan doen de door belanghebbende in kopie verstrekte brief met aantekeningen en de mogelijk onder ede af te leggen verklaring van de B niet af.

Het hof is overigens van oordeel dat het door belanghebbende gestelde ter tweede zitting inzake een mogelijke verklaring van zijn adviseur niet kan worden aangemerkt als een getuigenaanbod.

4.6. Vooropgesteld dient te worden dat niet voor elke telefonische uitlating van de belastingadministratie, waardoor bij een belastingplichtige vertrouwen is gewekt ten aanzien van een door de belastingadministratie te volgen wetstoepassing, een juiste toepassing van de wet moet wijken. Wanneer het gaat om uitlatingen die niet als een toezegging of goedkeuring zijn op te vatten doch waarin slechts algemene voorlichting wordt gegeven, dient aan het beginsel dat de wet moet worden toegepast in zoverre meer gewicht te worden toegekend dan aan het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur dat de administratie verwachtingen honoreert welke zij bij een belastingplichtige ten aanzien van een door haar te volgen gedragslijn heeft gewekt en waarop die belastingplichtige zich in redelijkheid tegenover haar mag beroepen, dat in de regel de belastingadministratie door onjuistheden in de voorlichting niet wordt gebonden.

4.7. Voor afwijking van voornoemde regel is slechts plaats ingeval de belastingplichtige de onjuistheid niet had behoeven te beseffen en tevens wordt geconfronteerd met het feit dat hij niet alleen de wettelijk verschuldigde belasting heeft te betalen maar daarenboven schade lijdt doordat hij, afgaande op de onjuiste voorlichting, enige handeling heeft verricht of nagelaten (zie arrest van de Hoge Raad der Nederlanden van 9 maart 1988, nummer 24 199, onder meer gepubliceerd in BNB 1988/148).

4.8. Er van uitgaande dat de door belanghebbende gestelde uitlatingen van de zijde van de Inspecteur zijn gedaan, is het hof van oordeel dat geen sprake is van een toezegging dan wel goedkeuring, maar van het verstrekken van algemene informatie over de stand van zaken van de aangifte op basis van gegevens uit de systemen van de belastingdienst. Ook de vraagstelling van de zijde van belanghebbende en de positie van de betreffende medewerker, klantendienst, wijzen daarop. Nu niet is gesteld en/of is gebleken dat belanghebbende schade lijdt doordat hij, afgaande op de onjuiste voorlichting, enige handeling heeft verricht of nagelaten, is het hof van oordeel dat belanghebbende er niet op kon vertrouwen dat de Inspecteur zijn aangifte als tijdig ingediend zou aanmerken.

4.9. Gelet op het vorenstaande is de in geding zijnde aangifte niet ingediend binnen de in de aanmaning gestelde termijn en is het gelijk met betrekking tot de in geschil zijnde vraag aan de zijde van de Inspecteur.

Het hof is overigens van oordeel dat gelet op het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2006, nr. 37 984, onder meer te kennen uit V-N 2006/22.6, en gelet op de duur van de berechting en de overige omstandigheden matiging van de boete geboden is. Het hof stelt de boete in dat kader vast op € 500,=.

5. Griffierecht

Het hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk wordt vergoed.

6. Proceskosten

Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

7. Beslissing

Het hof

* verklaart het beroep ongegrond,

* vernietigt de bestreden uitspraak, en

* vermindert de boete tot een bedrag van € 500,=.

Aldus gedaan op 24 januari 2007 door G.D. van Norden, lid van voormelde kamer, in tegenwoordigheid van Th.A.J. Kock, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en op die datum in afschrift aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het beroepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.