Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2007:BA2899

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
11-04-2007
Datum publicatie
13-04-2007
Zaaknummer
R200601006
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Minderjarig kind wordt tijdens appeltermijn meerderjarig en is niet in de appelprocedure betrokken.

De oorspronkelijk rechthebbende (moeder) is geintimeerde ten aanzien van de minderjarigenalimentatie en de inmiddels meerderjarige ten aanzien van de meerderjarigenalimentatie.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 392
Burgerlijk Wetboek Boek 1 404
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2007/98

Uitspraak

BSU

11 april 207

Sector civiel recht

Rekestnummer R2006/01006

Zaaknummer eerste aanleg 102267/FA RK 05-706

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Beschikking

in de zaak in hoger beroep van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna: de man,

procureur: mr. F.L.L. Vermeeren,

t e g e n:

[Y.],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna: de vrouw,

procureur: mr. P.C.M. van de Ven.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Maastricht van 30 mei 2006, waarvan de inhoud bij partijen bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 29 augustus 2006, heeft de man verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende te bepalen dat hij met ingang van 1 mei 2005 niet gehouden is een bijdrage te voldoen in de kosten van verzorging en opvoeding van [A.] en [B.], althans die bijdrage vast te stellen op een zodanig bedrag en met ingang van zodanige datum als het hof redelijk zal achten.

2.2. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 19 september 2006, heeft de vrouw verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen, zo nodig met verbetering en/of aanvulling van de gronden, en al hetgeen door de man is gevraagd als ongegrond danwel onbewezen af te wijzen; kosten rechtens.

2.3. De minderjarige [B.] is in de gelegenheid gesteld haar mening aangaande het verzoek van de man aan het hof kenbaar te maken. Zij heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.

2.4. Het hof heeft kennisgenomen van de inhoud van:

- de bijlagen bij het beroepschrift en het verweerschrift;

- de processen-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg van 25 oktober 2005 en 2 mei 2006;

- de brief d.d. 26 januari 2007 met bijlagen van de advocaat van de man;

- de brief d.d. 13 februari 2007 met bijlage van de advocaat van de vrouw.

2.5. De mondelinge behandeling van de zaak was vastgesteld op 14 februari 2007. Partijen hebben echter van deze mondelinge behandeling afgezien en het hof verzocht op basis van de stukken uitspraak te doen.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift.

4. De beoordeling

4.1. Partijen zijn op 24 juni 1988 met elkaar gehuwd. Uit hun huwelijk zijn twee kinderen geboren, te weten:

- [A.], geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] en

- [B.] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar].

4.2. Bij (verstek)vonnis van voormelde rechtbank van 1 november 1990 is op vordering van de vrouw tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. Dit vonnis is op 26 augustus 1992 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

4.3. Bij (verstek)beschikking van diezelfde rechtbank van 22 februari 1991 is de vrouw benoemd tot voogdes over de beide kinderen en de man tot toeziende voogd en is de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [A.] vastgesteld op ƒ 250,-- per maand, te vermeerderen met -kort gezegd- de kinderbijslag.

4.4. Na ontbinding van het huwelijk hebben partijen, op enkele onderbrekingen na, tot eind 2001 samengewoond. Zij hebben toen de samenwoning definitief beëindigd en de gevolgen van de beëindiging van deze samenwoning neergelegd in een “beëindigingsovereenkomst samenwoning”, ondertekend op 19 november 2001. In deze overeenkomst is opgenomen dat de vrouw vanwege de toenmalige financiële positie van de man -onder voorbehoud van alle rechten op dit punt- heeft afgezien van het vorderen van een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen.

4.5. Bij op 21 juni 2005 ter griffie van voormelde rechtbank ingekomen verzoekschrift heeft de vrouw verzocht om -voorzoveel nodig met wijziging van voormelde beschikking van 22 februari 1991- de door de man ten behoeve van de beide kinderen te betalen onderhoudsbijdrage met ingang van 1 mei 2005 vast te stellen op € 175,-- per kind per maand. Aan dat verzoek legde zij wijzigingen in de financiële omstandigheden van de man ten grondslag.

4.6. De man heeft tegen dat verzoek verweer gevoerd en van zijn kant eveneens om wijziging van de beschikking van 22 februari 1991 verzocht in die zin, dat wordt bepaald dat de man de draagkracht mist om bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de beide kinderen van partijen.

4.7. De vrouw heeft tegen dat zelfstandige verzoek van de man verweer gevoerd.

4.8. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de beschikking van 22 februari 1991 aldus gewijzigd dat de door de man ten behoeve van [A.] te betalen onderhoudsbijdrage met ingang van 1 mei 2005 nader is vastgesteld op € 175,-- per maand. Voorts is bij die beschikking de door de man met ingang van 1 mei 2005 ten behoeve van [B.] te bepalen onderhoudsbijdrage vastgesteld op € 175,- per maand.

4.9. De man is het met deze beschikking niet eens. Met de door hem opgeworpen grieven beoogt hij zijn draagkracht in volle omvang ter beoordeling aan het hof voor te leggen. De man is niet opgekomen tegen het oordeel van de rechtbank dat de door de vrouw gestelde behoefte van de kinderen ten bedrage van € 175,-- per kind per maand haar redelijk voorkomt, zodat die behoefte in hoger beroep vaststaat.

4.10. De man is niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep, voorzover dit betrekking heeft op de door hem vanaf 8 augustus 2006 te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van [A.]. Op genoemde datum is [A.] jongmeerderjarig geworden. Nu de man pas op 29 augustus 2006 hoger beroep heeft ingesteld tegen voormelde beschikking, had hij ook [A.] zelfstandig in de procedure hoger beroep dienen te betrekken voorzover dat hoger beroep althans betrekking heeft op de door de man na 8 augustus 2006 te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van [A.] betreft.

4.11. Nu de man zijn draagkracht in volle omvang ter beoordeling aan het hof heeft voorgelegd, zal het hof de draagkracht van de man vanaf 1 mei 2005 onderzoeken en vaststellen.

Het inkomen:

4.12. Uit de stukken kan worden afgeleid dat de man in mei 2005 nog in dienst was bij De Globe bv te [vestigingsplaats], maar dat hij al sedert 12 maart 2003 wegens ziekte geen werkzaamheden meer voor dat bedrijf verrichtte. In verband daarmede was aan de man met ingang van 14 juni 2004 een arbeidsongeschiktheidsuitkering toegekend, die laatstelijk neerkwam op € 1.382,18 netto per maand, exclusief vakantietoeslag. (cfm loonstrook maart 2005). Bij brief van 20 juli 2005 heeft De Globe BV een vergunning tot ontslag voor de man aangevraagd, welke vergunning kennelijk is verleend, nu aan de man met ingang van 14 juni 2005 een loongerelateerde ww-uitkering is toegekend, ter aanvulling op de WAO-uitkering, die was verlaagd omdat de man nog geen werk had.

Tijdens de mondelinge behandeling van de zaak ter zitting van de rechtbank van 25 oktober 2005 is door de man gesteld en door de vrouw beaamd, dat de uitkering van de man uit hoofde van de ww-uitkering en de wao-uitkering neerkwam op een bedrag van in totaal € 950,15 netto per maand. In dat bedrag was de vakantieslag niet begrepen.

Omdat enerzijds de vrouw stelde dat de man in aanmerking kwam voor een uitkering op grond van een particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekering en anderzijds de man mededeelde dat hij daarvoor een aanvraag had ingediend, op welke aanvraag nog niet was beslist, alsmede dat hij bezwaar had aangetekend tegen het jegens hem genomen WAO-besluit, is in overleg met partijen de behandeling van de zaak voor de tijd van drie maanden aangehouden teneinde de man in de gelegenheid te stellen in de tussentijd een compleet overzicht te verstrekken met betrekking tot diens exacte inkomen en voorts de rechtbank en de vrouw te informeren omtrent de beslissing van het GAK op het bezwaarschrift van de man en omtrent de beslissing op de aanvraag tot toekenning van een uitkering op grond van de particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekering.

Tijdens de voortgezette behandeling van de zaak in eerste aanleg op 2 mei 2006, bij welke behandeling de man en zijn advocaat niet aanwezig zijn geweest, is door de behandelend rechter vastgesteld dat binnen de daarvoor gestelde termijn door de man geen bescheiden zijn ingediend. De man heeft ook tegenover de vrouw geen uitsluitsel gegeven met betrekking tot de hiervoor vermelde kwesties. De vrouw heeft daarop verzocht uitspraak te doen aan de hand van de voorhanden bescheiden en hetgeen ter zitting van 25 oktober 2005 is besproken.

De vrouw heeft noch tijdens de eerste, noch tijdens de voortgezette behandeling in eerste aanleg en evenmin in hoger beroep de juistheid van het door de man met betrekking tot de WW- en WAO-uitkering gestelde betwist, zodat voor wat betreft de periode van 1 mei 2005 tot 14 juni 2005 kan worden uitgegaan van een inkomen van € 1.382,18 netto per maand, te vermeerderen met vakantietoeslag, en met ingang van 14 juni 2006 van een inkomen van in totaal € 950,15 netto per maand, te vermeerderen met vakantietoeslag.

4.14. Bij zijn brief d.d. 26 januari 2007 aan het hof heeft de man als productie II bewijsstukken met betrekking tot zijn inkomsten over de maand juni 2006 overgelegd. In genoemde maand kwam de door het UWV verstrekte arbeidsongeschikt- heidsuitkering als gevolg van een wijziging in de hoogte van de uitkering, de inhoudingen of de wijze van betalen, neer op een bedrag van € 727,12. Dit bedrag moet nog worden vermeerderd met het aan derden uitbetaalde bedrag van € 43,35, zodat met ingang van 1 juni 2006 kan worden uitgegaan van een uitkering te dier zake van € 770,47 netto per maand, te vermeerderen met vakantietoeslag. De hoogte van deze uitkering is door de vrouw niet betwist, zodat het hof van laatst- gemeld bedrag uitgaat.

4.15. De man heeft geen bescheiden overgelegd met betrekking tot de door hem in een eerder stadium nog wel ontvangen loongerelateerde WW-uitkering ter suppletie op zijn WAO-uitkering. Kennelijk komt de man niet meer voor deze suppletie in aanmerking. Wel ontvangt de man inmiddels via Nationale Nederlanden een periodieke uitkering in verband met arbeidsongeschiktheid van € 210,77 netto per maand. Dit bedrag blijkt uit de door de man bij zijn voormelde brief van 26 januari 2007 in het geding gebrachte specificatie d.d. 20 juni 2006.

Nu enerzijds de man geen stukken in het geding heeft gebracht waaruit kan worden afgeleid dat de man ook al voor 1 juni 2006 in aanmerking kwam voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering via Nationale Nederlanden en de vrouw geen commentaar heeft geleverd op de door de man bij zijn voormelde brief van 26 januari 2007 in het geding gebrachte bescheiden, gaat het hof er- mede omdat er per 1 juni 2006 wijziging is gekomen in de door het UWV verstrekte arbeidsongeschiktheidsuitkering- van uit dat de man pas sinds 1 juni 2006 voor meerbedoelde uitkering in aanmerking komt en dat hij daarnaast geen ander inkomen heeft dan het hiervoor vermelde bedrag van € 770,47 netto per maand, te vermeerderen met vakantietoeslag. Vanaf 1 juni 2006 gaat het hof daarom uit van een netto-inkomen van de man van in totaal € 1.020,-- netto per maand, inclusief vakantietoeslag.

De lasten:

4.16. Het hof houdt allereerst rekening met het op de Wet werk en bijstand gebaseerde bijstandsnormbedrag voor een zelfstandig wonende alleenstaande, exclusief de woonkostencomponent, ter voorziening in de noodzakelijke kosten van het bestaan.

4.17. Bij de definitieve beëindiging van de samenwoning eind 2001 hebben partijen afgesproken en ook in de "beëindigingsovereenkomst samenwonen" vastgelegd dat de aan partijen gezamenlijk toebehorende echtelijke woning aan de man zal worden toebedeeld en dat de man met ingang van 1 oktober 2001 alle aan deze woning verbonden lasten voor zijn rekening zal nemen zonder dat de vrouw gehouden zal zijn om daaraan op enigerlei wijze mee te betalen.

De man heeft de betaling van de aan de voormalige echtelijke woning verbonden lasten gestaakt, de woning op 22 april 2005 in verkoop gegeven en zijn intrek genomen in een huurwoning.

Het huurcontract dateert van 1 maart 2005, zodat het hof ervan uitgaat dat de betaling van de aan de voormalige echtelijke woning verbonden hypothecaire en overige eigenaarslasten omstreeks die datum is geëindigd. Nu het hof de draagkracht van de man met ingang van 1 mei 2005 beoordeelt, behoeft met vorenbedoelde lasten geen rekening te worden gehouden.

4.18. Uit het door de man overgelegde huurcontract blijkt dat de door de man verschuldigde kale huurprijs neerkwam op

€ 354,70 en de brutohuur op € 499,18 per maand. In zijn beroepschrift aan het hof heeft de man gesteld dat de huur thans

€ 503,44 per maand bedraagt.

Hoewel de vrouw zowel in eerste aanleg als in hoger beroep de noodzaak voor de man om de voormalige echtelijke woning te verlaten heeft betwist en voorts heeft gesteld dat de financiële gevolgen die zijn verbonden aan de keuze van de man om een huurwoning te betrekken, niet ten nadele van de kinderalimentatie mogen strekken, betwist de vrouw niet dat de man de aan de voormalige echtelijke woning verbonden hypothecaire en overige eigenaarslasten niet meer voldoet en in plaats daarvan huishuur verschuldigd is. In haar verzoekschrift in eerste aanleg heeft de vrouw ook rekening gehouden met een door de man verschuldigde huur van € 354,70 per maand. In het vorenstaande vindt het hof aanleiding bij de beoordeling van de draagkracht van de man vanaf 1 mei 2005 rekening te houden met een door de man verschuldigde huur van € 354,70 per maand, te verhogen met de servicekosten, zij het exclusief het voorschot gasverbruik verwarming, nu deze kosten moeten worden geacht te zijn begrepen in het in het bijstandsnorm-bedrag terzake van wonen begrepen bedrag .

4.19. Bij beschikking d.d. 2 augustus 2006 van de rechtbank Maastricht, sector kanton, locatie Heerlen, is een bewind ingesteld over alle goederen die toebehoren of zullen toebehoren aan de man. Uit het door de man als bijlage bij die beschikking overgelegde financiële overzicht d.d. 28 augustus 2006 blijkt dat de man terzake van premie Zorgverzekeringswet een bedrag van € 87,30 per maand betaalt, met welk bedrag het hof met ingang van 1 januari 2006 rekening zal houden..

4.19. Op de door het UWV verstrekte arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt ten behoeve van derden een bedrag van € 43,34 per maand ingehouden. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, gaat het hof ervan dat dit bedrag wordt aangewend ter aflossing van de schulden van de man, die neerkomen op een bedrag van in totaal € 69.800,64.

4.20. Partijen zijn het erover eens dat de man overeenkomstig hetgeen partijen daaromtrent in de "beëindigingsovereenkomst samenwonen" zijn overeen-gekomen, een bedrag van € 86,-- per maand aflost op een gezamenlijke schuld ten bedrage van € 8.132,98 van partijen aan de CMV Bank.

4.21. De vrouw heeft reeds in eerste aanleg aangegeven het redelijk te achten dat bij de beoordeling van de draagkracht van de man wordt rekening gehouden met een bedrag van € 60,-- per maand terzake van omgang met de kinderen, zodat ook het hof met dat bedrag rekening houdt.

4.22. Het hof houdt geen rekening met de door de man gestelde aflossing van € 100,-- per maand op een schuld terzake van de aankoop van een scooter, die de man nodig had om naar zijn werk te gaan. De vrouw heeft de noodzaak van de aankoop van die scooter al in eerste aanleg uitdrukkelijk en gemotiveerd weersproken en de man heeft daar vervolgens niet meer op gereageerd.

4.23. Op grond van al het vorenstaande komt het hof tot het oordeel dat de draagkracht van de man slechts toelaat dat hij gedurende de periode van 1 mei 2005 tot 14 juni 2005 met een bedrag van € 95,-- per kind en per maand bijdraagt in de kosten van verzorging en opvoeding van de beide kinderen van partijen.

Mede gelet op hetgeen hiervoor onder 4.10 is overwogen, dient te worden beslist zoals hierna in het dictum staat vermeld.

Proceskosten.

4.24. De proceskosten van dit hoger beroep worden gecompenseerd, nu partijen gewezen echtgenoten zijn.

5. De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Maastricht van 30 mei 2006, met dien verstande dat deze vernietiging voor wat betreft de door de man ten behoeve van [A.] te betalen onderhoudsbijdrage slechts betrekking heeft op de periode tot het meerderjarig worden van [A.] op [geboortejaar]

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

wijzigt de beschikking van voormelde rechtbank van 22 februari 1991 aldus, dat de daarin vastgestelde door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [A.] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar], nader wordt vastgesteld op € 95,-- per maand gedurende de periode van 1 mei 2005 tot 14 juni 2005 en op nihil met ingang van 14 juni 2005.

stelt de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [B.], geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar], vast op: € 95,-- per maand gedurende de periode van 1 mei 2005 tot 14 juni 2005 en op nihil met ingang van 14 juni 2005.

wijst af het door de man meer of anders verzochte;

verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep tegen de beschikking van 30 mei 2006, voorzover dat hoger beroep betrekking heeft op de door de man met ingang van 8 augustus 2006 ten behoeve van [A.] voornoemd te betalen onderhoudsbijdrage.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de op dit hoger beroep gevallen proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Philips, Draijer-Udo en Schyns en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 11 april 2007 in tegenwoordigheid van de griffier.