Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2007:BA2840

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
05-02-2007
Datum publicatie
12-04-2007
Zaaknummer
R200601210
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellant niet-ontvankelijk wegens overschrijding appeltermijn. Overschrijding niet verschoonbaar. Blijkens het p.v. van de mondelinge behandeling in eerste aanleg is aan appellant de uitspraakdatum medegedeeld. Tevens is hem een briefje overhandigd met daarop vermeld het telefoonnummer van de griffie, teneinde op de dag van de uitspraak telefonisch de uitspraak te kunnen vernemen, de appeltermijn en de wijze waarop hoger beroep ingesteld kan worden.

Het feit dat het vonnis appellant pas na het verstrijken van de appeltermijn heeft bereikt door foutieve adressering door de griffie van de rechtbank doet aan de niet-verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding niet af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2007, 315
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

SBW

5 februari 2007

Sector civiel recht

Rekestnummer R06/01210

Zaaknummer eerste aanleg 142435 FT RK 06.982

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Arrest

in de zaak in hoger beroep van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: [X],

procureur: mr. M.C. van der Meij.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 9 oktober 2006, waarvan de inhoud bij [X.] bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 20 oktober 2006, heeft [X.] verzocht voormeld vonnis te vernietigen en het verzoekschrift gegrond te verklaren.

2.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 22 januari 2007. Bij die gelegenheid is mr. Van der Meij voornoemd gehoord. [X.] is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter terechtzitting verschenen.

2.3. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de producties, overgelegd bij het beroepschrift;

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 3 oktober 2006, dat met instemming van mr. Van der Meij na de mondelinge behandeling door het hof is opgevraagd en ontvangen.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift.

4. De beoordeling

4.1. [X.] heeft de rechtbank verzocht om de toepassing van de schuldsanerings-regeling uit te spreken. De totale schulden- last bedraagt blijkens de verklaring ex artikel 285 Faillissementswet (Fw) d.d. 22 augustus 2006 € 8.976,64, waaronder schulden bij Brabant Water en het CJIB. Uit genoemde verklaring blijkt dat het minnelijke traject is mislukt, omdat de schuldeisers niet allemaal akkoord gingen.

Bij vonnis waarvan beroep is het verzoek van [X.] afgewezen.

Ontvankelijkheid

4.2. Het vonnis waarvan beroep, is op 9 oktober 2006 door de rechtbank uitgesproken. [X.] had op grond van artikel 292 lid 2 Fw acht dagen na de dag van deze uitspraak het recht van hoger beroep, derhalve tot en met 17 oktober 2006. Het beroepschrift van [X.] is op 20 oktober 2006 bij de griffie van het hof binnengekomen, zodat hij in beginsel niet-ontvankelijk is in zijn hoger beroep.

4.2.1. [X.] stelt ter verklaring van de termijnoverschrijding dat het niet eerder indienen van het beroepschrift hem niet kan worden verweten, nu hij niet op de hoogte was van de exacte inhoud van het vonnis noch van de in het vonnis gestelde appeltermijn.

Hij voert aan dat hij op de dag van de uitspraak de rechtbank heeft gebeld. Daarbij is hij door de rechtbank op de hoogte gesteld van het feit dat zijn verzoek tot toelating was afgewezen en dat het vonnis op korte termijn aan hem toegezonden zou worden. Op 13 oktober 2006 heeft hij de rechtbank nogmaals gebeld, aangezien hij het vonnis nog niet had ontvangen. Hem werd medegedeeld dat er enige verwarring was ontstaan in zijn personalia maar dat het vonnis inmiddels was toegezonden. Vervolgens heeft [X.] op 18 oktober 2006 contact opgenomen met zijn begeleider van Novadic-Kentron aangezien hij het vonnis nog immer niet had ontvangen. De begeleider heeft contact opgenomen met de rechtbank en toen is gebleken dat de rechtbank het vonnis naar een onjuist adres had verzonden. [X.] meent dat de onjuiste adressering de rechtbank geheel valt toe te rekenen. De rechtbank beschikte over het juiste adres van [X.] en heeft de oproeping voor de zitting van 22 augustus 2006 naar dat –juiste- adres verzonden. Uiteindelijk heeft [X.] pas op 20 oktober 2006 het vonnis ontvangen waarna hij diezelfde dag beroep heeft ingesteld.

Indien en voor zover er sprake mocht zijn van overschrijding van de termijn, acht [X.] die op grond van het bovenstaande verschoonbaar.

Voorts blijkt uit de jurisprudentie dat, indien aannemelijk is dat appellanten eerst na het verstrijken van de beroepstermijn een vonnis ontvangen, zulks mee brengt dat zij dienen te worden toegelaten tot het instellen van hoger beroep, aldus [X.].

4.3. Het hof oordeelt als volgt.

In het belang van een goede rechtspleging dient, juist ook in zaken waarin een korte termijn geldt, duidelijkheid te bestaan over aanvang en einde van de beroepstermijn en dient aan de beroepstermijn strikt de hand te worden gehouden. Weliswaar kan onder omstandigheden sprake zijn van verschoonbare termijnoverschrijding die er toe leidt dat appellant alsnog in zijn hoger beroep ontvankelijk wordt verklaard, maar daarvan is naar het oordeel van het hof, zoals uit het hierna volgende zal blijken, geen sprake.

In het proces-verbaal van de mondeling behandeling in eerste aanleg staat het volgende:

“Aan verzoeker wordt meegedeeld dat de uitspraak zal plaatsvinden op 9 oktober 2006 en dat het vonnis op die datum zal worden verzonden. Tevens wordt aan verzoeker een briefje meegegeven, waarop staat binnen welke termijn en op welke wijze hoger beroep ingesteld kan worden. In verband met de korte appeltermijn is daarop tevens het telefoonnummer van de griffie vermeld, zodat de schuldenaar op de dag van de uitspraak reeds telefonisch de uitspraak van de rechtbank kan vernemen.”

Hieruit blijkt dat, in tegenstelling tot wat [X.] stelt, hij reeds ter terechtzitting van de rechtbank op de hoogte is gesteld van de duur van de appeltermijn. Voorts staat vast dat [X.] reeds op 9 oktober 2006 op de hoogte was van het feit dat zijn verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling was afgewezen. Nu [X.] tijdig van de uitspraak op de hoogte was en aan hem een briefje was meegegeven waarop stond vermeld binnen welke termijn en op welke wijze door hem hoger beroep ingesteld kan worden, is het hof van oordeel dat aan hem te verwijten is dat hij niet tijdig hoger beroep heeft ingesteld, ook al wist hij op dat moment niet op welke gronden zijn verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling was afgewezen. Daaraan doet niet af dat door een fout van (de griffie van) de rechtbank het vonnis aanvankelijk naar een onjuist adres is verzonden, zodat het vonnis hem pas na het verstrijken van de appeltermijn heeft bereikt. Naar het oordeel van het hof zijn de mededelingen ter zitting in eerste aanleg en het aan [X.] overhandigde briefje (zie citaat proces-verbaal) er nu juist voor bedoeld om de betrokkene er op te wijzen dat en hoe hij tijdig hoger beroep dient in te stellen. Het ontbreken van het vonnis is daarbij natuurlijk wel een handicap, doch verhinderde het instellen van (desnoods een pro forma) hoger beroep niet. [X.] had immers tijdig een advocaat kunnen raadplegen om te bezien of en, zo ja, op welke wijze tijdig beroep ingesteld had dienen te worden.

Het hof zal [X.] dan ook niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep tegen het bestreden vonnis.

5. De uitspraak

Het hof:

verklaart [X.] niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep.

Dit arrest is gewezen door mrs. Smeenk-van der Weijden, Schaafsma-Beversluis en Everaars-Katerberg en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 5 februari 2007 in tegenwoordigheid van de griffier.