Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2007:BA2772

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
09-03-2007
Datum publicatie
11-04-2007
Zaaknummer
20-002257-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt veroordeeld terzake van diefstal met geweld en afpersing tot onder meer een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaar . Betrouwbare getuige?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 20-002257-06

Uitspraak : 9 maart 2007

TEGENSPRAAK

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Breda van 29 mei 2006 in de strafzaak met parketnummer 02-811042-06 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1984],

thans verblijvende in de gevangenis De Dordtse Poorten te Dordrecht.

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep moet, blijkens het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, worden begrepen als uitdrukkelijk te zijn beperkt tot de veroordeling ter zake van hetgeen aan de verdachte onder 1 en 2 is ten laste gelegd.

Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen, met dien verstande dat het gerechtshof hierna tevens voor de door de eerste rechter onder 3 en 4 bewezen verklaarde feiten, gelet op artikel 423, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering, na te melden beslissing zal nemen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen, met dien verstande dat het hof voor de aan het oordeel van het hof onderworpen feiten onder 1 en 2 een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren en zes maanden zal opleggen en voor de overige feiten onder 3 en 4 de straf zal bepalen op zes maanden gevangenisstraf.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 10 januari 2006 te Tilburg tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen (in/uit de woning [adres 1]) (onder meer)

(van [slachtoffer 1]) een armband en/of een horloge en/of een ketting en/of

een aantal (andere) sieraden en/of een aantal sleutels en/of een aantal

mobiele telefoons en/of een fototoestel (merk Olympus) en/of een computer

en/of een beeldscherm en/of

(van [slachtoffer 2]) een hoeveelheid geld (ongeveer EUR 650,--) en/of

een aantal sleutels en/of een mobiele telefoon, en/of

(van [slachtoffer 4][benadeelde 1] een mobiele telefoon en/of een aantal sleutels, in elk geval enig(e) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 4][benadeelde 1] in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] en/of die [benadeelde 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

en/of

om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld genoemde [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid geld (tot een totaal bedrag van ongeveer EUR 700,--/EUR 800,--), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s):

- met (een) geheel en/of gedeeltelijk bedekt(e) gezicht(en) de woning van die

[slachtoffer 1] is/zijn binnengegaan en/of

- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] en/of die [benadeelde 1] heeft/hebben gericht en/of

- die [slachtoffer 1] een koevoet, althans een zwaar en/of hard voorwerp, heeft/hebben voorgehouden en/of

- die [slachtoffer 1] met een hamer, althans een zwaar en/of hard voorwerp, op zijn hoofd heeft/hebben geslagen en/of

- die [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal, heeft/hebben geschopt/getrapt en/of geslagen en/of

- die [slachtoffer 2] op de grond en/of tegen de bank heeft/hebben geduwd en/of (op korte afstand van die [slachtoffer 2]) een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de bank heeft/hebben gestoken en/of

- met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, naar die [slachtoffer 2] is/zijn gelopen en/of (daarbij) heeft/hebben gezegd: "Hij gaat er aan", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of

- die [slachtoffer 1] met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in zijn nek/hals heeft/hebben gesneden en/of

- tegen die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [benadeelde 1] heeft/hebben gezegd/geroepen

-zakelijk weergegeven- "Liggen, liggen, je geld" en/of "Je geld, je geld, wiet, wiet" en/of "Je liegt, je liegt, kluis boven" en/of "Kijk nou wat je doet voor jouw geld, nou gaat er een van jouw visite sterven" en/of "Ik neuk je in je kont, want ik vind je lief" en/of "Ik maak je af met je eigen mes" en/of "We zijn klaar, maak hem af" en/of "We gaan naar jouw baas toe en dan we hem en zijn vrouw vermoorden en dan kom ik terug en dan zal ik jou lekker in je kont neuken", althans (telkens) woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking.

2.

hij op of omstreeks 29 januari 2006 te Berkel-Enschot, gemeente Tilburg, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen (in/uit de woning [adres 2]) een hoeveelheid geld (tot een totaal bedrag van ongeveer EUR 1.300,--) en/of een schilderij (van Herman Brood) en/of een aantal sieraden en/of een laptop en/of een (digitale) camera (merk Olympus) en/of

twee, althans één, mobiele telefoon(s) en/of een aantal sleutels en/of een aantal bankpassen en/of een legitimatiebewijs, in elk geval enig(e) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 5], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 3] en/of die [benadeelde 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s):

- met (een) geheel en/of gedeeltelijk bedekt(e) gezicht(en) de woning van die

[slachtoffer 3] en/of [benadeelde 2] is/zijn binnengegaan en/of

- die [slachtoffer 3] en/of die [benadeelde 2] heeft/hebben vastgepakt en/of tegen de grond

heeft/hebben geduwd/gedrukt/gegooid en/of

- die [slachtoffer 3] en/of die [benadeelde 2] heeft/hebben vastgebonden en/of

- die [slachtoffer 3] en/of die [benadeelde 2] een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, heeft/hebben voorgehouden en/of (op korte afstand) van zijn en/of haar gezicht heeft/hebben gehouden en/of (meermalen) stekende bewegingen heeft/hebben gemaakt in de richting van die [slachtoffer 3] en/of

- (meermalen) tegen die [slachtoffer 3] en/of die [benadeelde 2] heeft/hebben gezegd -zakelijk weergegeven- dat ze hem zouden doodmaken en/of dat ze hen zouden vastbinden en dan het huis in brand zouden steken en/of heeft/hebben gezegd: "Als je nu niet zegt waar het geld is, steken wij je vrouw neer" en/of "Als je de politie belt, dan komen we jullie nog vermoorden", althans (telkens) woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 10 januari 2006 te Tilburg tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen in de woning [adres 1] onder meer

van [slachtoffer 1] een armband en een horloge en een ketting en een aantal andere sieraden en een aantal sleutels en een aantal mobiele telefoons en een fototoestel (merk Olympus) en een computer en een beeldscherm en

van [slachtoffer 2] een hoeveelheid geld (ongeveer EUR 650,--) en

een aantal sleutels en een mobiele telefoon, en

van [slachtoffer 4] een mobiele telefoon en een aantal sleutels,

toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 4][benadeelde 1]

welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 2] en

welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen die [benadeelde 1],

gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken

en

om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld genoemde [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid geld tot een totaal bedrag van ongeveer EUR 700,--/EUR 800,--, toebehorende aan die [slachtoffer 1],

welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij, verdachte en zijn mededaders:

- met bedekte gezichten de woning van die [slachtoffer 1] zijn binnengegaan en

- die [slachtoffer 1] een koevoet hebben voorgehouden en

- die [slachtoffer 1] met een hamer op zijn hoofd hebben geslagen en

- die [slachtoffer 1] meermalen hebben geschopt/getrapt en

- die [slachtoffer 2] op de grond en tegen de bank hebben geduwd en op korte afstand van die [slachtoffer 2] een mes in de bank hebben gestoken en

- met een mes naar die [slachtoffer 2] zijn gelopen en daarbij hebben gezegd: "Hij gaat er aan" en

- die [slachtoffer 1] met een mes in zijn nek hebben gesneden en

- tegen die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [benadeelde 1] hebben geroepen

-zakelijk weergegeven- "Liggen, liggen, je geld" en "Je geld, je geld, wiet, wiet" en "Je liegt, je liegt, kluis boven" en "Kijk nou wat je doet voor jouw geld, nou gaat er een van jouw visite sterven" en "Ik neuk je in je kont, want ik vind je lief" en "Ik maak je af met je eigen mes" en "We zijn klaar, maak hem af" en "We gaan naar jouw baas toe en dan we hem en zijn vrouw vermoorden en dan kom ik terug en dan zal ik jou lekker in je kont neuken" althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking.

2. hij op 29 januari 2006 te Berkel-Enschot, gemeente Tilburg, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen in de woning [adres 2] een hoeveelheid geld tot een totaal bedrag van ongeveer EUR 1.300,-- en een schilderij van Herman Brood en een aantal sieraden en een laptop en een digitale camera (merk Olympus) en mobiele telefoons en een aantal sleutels en een aantal bankpassen en een legitimatiebewijs, toebehorende aan [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 5], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 3] en die [benadeelde 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en aan zijn mededaders hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij, verdachte en zijn mededaders:

- met bedekte gezichten de woning van die [slachtoffer 3] en [benadeelde 2] zijn binnengegaan en

- die [slachtoffer 3] en die [benadeelde 2] hebben vastgepakt en tegen de grond hebben geduwd/gedrukt/gegooid en

- die [slachtoffer 3] en die [benadeelde 2] hebben vastgebonden en

- die [slachtoffer 3] en die [benadeelde 2] een mes hebben voorgehouden en op korte afstand van zijn en haar gezicht hebben gehouden en meermalen stekende bewegingen hebben gemaakt in de richting van die [slachtoffer 3] en

- tegen die [slachtoffer 3] en/of die [benadeelde 2] hebben gezegd -zakelijk weergegeven- dat ze hem zouden doodmaken en dat ze hen zouden vastbinden en dan het huis in brand zouden steken en hebben gezegd: "Als je nu niet zegt waar het geld is, steken wij je vrouw neer" en "Als je de politie belt, dan komen we jullie nog vermoorden".

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan wordt vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

Namens de verdachte is de betrouwbaarheid van de getuige [getuige], in het bijzonder de betrouwbaarheid van zijn bij de politie afgelegde verklaringen, betwist.

Voorts is, ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde aangevoerd dat:

- niettegenstaande de bevindingen van de deskundige van het NFI het imei nummer van het gsm-toestel waarin zich verdachtes simkaart bevond op 14 januari 2006 niet overeenkomt met het imei-nummer van het gsm-toestel dat op 10 januari 2006 van aangever [slachtoffer 1] is ontvreemd;

- het toestel waarin verdachtes simkaart op vorenvermelde dag en tijd was geplaatst, door hem van een vriend was geleend en dat zijn kaart slechts gedurende anderhalf uur in dat toestel was geplaatst, zodat niet gesteld kan worden dat verdachte kort na de overval in het bezit was van een bij die overval gestolen gsm;

- de omstandigheid dat een gsm met daarin verdachtes simkaart op de avond van de overval op de woning, [adres 1], in de wijk de Reeshof te Tilburg een zendmast vlak bij die woning aanstraalde kort voor die overval zich laat verklaren uit de omstandigheid enerzijds dat verdachte zelf in Tilburg woont en anderzijds dat verdachte in de Reeshof, in de buurt van de [adres 1], een klusje voor iemand zou verrichten;

- de door getuigen opgegeven kenmerken met betrekking tot de daders, te weten de taal die tussen de daders onderling werd gesproken, de huidskleur rond de ogen en de beschrijving van de door de daders gedragen bivakmutsen, niet in verband zijn te brengen met verdachte.

Tegen deze achtergrond heeft de raadsman vrijspraak ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde bepleit.

Het hof verwerpt het verweer met betrekking tot de betrouwbaarheid van de door getuige [getuige] bij de politieafgelegde verklaringen. Het hof overweegt hiertoe het volgende.

De getuige heeft vanaf 31 januari 2006 consistent en gedetailleerd verklaard over de overval op de woning aan de [adres 1] te Tilburg op 10 januari 2006, en de overval op de woning te Berkel-Enschot op 29 januari 2006.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de getuige verklaard dat hij ten tijde van zijn verhoren bij de politie onder een zodanige druk was gezet dat hetgeen hij toen heeft verklaard - kort samengevat - niet overeenstemde met de waarheid.

Het hof wil aannemen dat de getuige - die ten tijde van zijn verhoren door de politie zelf medeverdachte was ter zake van, in ieder geval, het feitencomplex dat aan verdachte onder 2 is ten laste gelegd - bij gelegenheid van zijn verhoren een zekere druk heeft ervaren. Het ervaren van druk is niet ongewoon in een verhoorsituatie. Bepalend is evenwel de uitgeoefende druk en de vraag of, zo daar sprake van is geweest, die druk ongeoorloofd was.

Naar het oordeel van het hof is niet aannemelijk geworden dat het horen van de getuige in een papieren overall, het zien van zijn ouders en het ontvangen van een Valentijnskaart van zijn vriendin zijn gebruikt als pressiemiddel en laat staan als middel om de getuige iets te laten verklaren wat hij anders niet zou hebben verklaard. De verbalisanten hebben omtrent de drie hiervoor genoemde aspecten ter terechtzitting een verklaring afgelegd, die er kort gezegd op neerkomt dat de getuige inderdaad aanvankelijk in een papieren overall is gehoord omdat hij niet over kleding beschikte, dat zij er juist voor hebben gezorgd dat er zo snel mogelijk kleding voor getuige werd gebracht en voorts dat er juist voor is gewaakt om het bezoek van de ouders en het aanbieden van de Valentijnskaart niet vóór een verhoor aan te kondigen of te laten plaatsvinden. Dit alles omdat zij juist ervoor wilde zorgen dat getuige, die snel geëmotioneerd raakte, zoveel als onder de omstandigheden waarin hij verkeerde mogelijk was, op zijn gemak werd gesteld. Verbalisanten hebben verklaard over de emoties die zij bij de getuige waarnamen (huilen en veelvuldig spijt betuigen) en dat, als die emoties werden getoond, de getuige juist de tijd en gelegenheid werd gegeven zich te hervatten. Zo is getuige na het overhandigen van de Valentijnskaart bewust die dag niet meer verhoord.

Het hof heeft geen reden om aan de verklaringen van de verbalisanten te twijfelen.

Het hof merkt met betrekking tot de Valentijnskaart voorts het volgende op. De getuige heeft vanaf eind januari 2006 gedetailleerd en belastend voor verdachte verklaard. Ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat de Valentijnskaart eerst kort voor Valentijnsdag is gearriveerd en aan getuige is verstrekt, zodat ook op die grond niet met succes kan worden betoogd dat getuige's verklaringen afgelegd vóór dat tijdstip - dus eind januari en het eerste deel van februari - daardoor zijn beïnvloed.

Noch hetgeen de getuige overigens heeft verklaard omtrent de op hem beweerdelijk uitgeoefende druk noch hetgeen de verbalisanten daaromtrent ter terechtzitting in hoger beroep hebben verklaard, dwingen tot de conclusie dat op de getuige een ongeoorloofde druk is uitgeoefend.

Het hof acht de door getuige [getuige] bij de politie afgelegde verklaringen betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs.

Nu het hof de bovengenoemde verklaringen van [getuige] bruikbaar acht voor het bewijs, behoeven de overige standpunten van de raadsman eigenlijk geen bespreking omdat de verwerping daarvan reeds voortvloeit uit hetgeen [getuige] verklaart.

Desalniettemin zal het hof de standpunten toch kort bespreken.

De raadsman heeft met betrekking tot de samenstelling van imei-nummers informatie (doen) inwinnen bij diverse telefoonmaatschappijen en zijn bevindingen aan het hof en de Advocaat-Generaal doen toekomen. Door het NFI is vervolgens een rapport uitgebracht omtrent de samenstelling van imei-nummers waarbij de door de raadsman verstrekte informatie is betrokken.

Het hof hecht met betrekking tot de uitleg omtrent de samenstelling van een imei-nummer meer waarde aan de uitleg die de deskundige van het NFI daarover heeft gegeven in zijn rapporten van 19 december 2006, dan aan de informatie die (mr H.J.Roks ten behoeve van) de raadsman, telefonisch heeft verkregen van niet heel precies nader geduide medewerkers van een aantal telefoonmaatschappijen. Van deze laatstbedoelde personen staat immers hun eventuele deskundigheid omtrent de samenstelling van imei-nummers niet vast terwijl voorts het hof geacht wordt af te gaan op een telefoonnotitie die door de raadsman met betrekking tot die gesprekken is overgelegd.

Het voorgaande leidt naar het oordeel van het hof tot de conclusie dat verdachtes simkaart op 14 januari 2006 in een van de op 10 januari 2006 van [slachtoffer 1] gestolen gsm's was geplaatst.

Met betrekking tot de overige standpunten die door de raadsman te berde zijn gebracht overweegt het hof dat deze ofwel hoogst onaannemelijk zijn dan wel niet in de weg staan aan verdachtes betrokkenheid bij de overval.

Verdachte heeft het hof willen doen geloven dat - kort gezegd - het aanstralen van de zendmast welke in de buurt staat van de woning aan de [adres 1] te Tilburg, kort vóór de overval op die woning op toeval berust omdat hij die avond bij iemand daar in de buurt een "klus" zou bespreken. Desalniettemin heeft verdachte geen identificerende gegevens verstrekt met betrekking tot die persoon. Dit terwijl het onder de gegeven omstandigheden op zijn weg had gelegen de tegen hem gerezen verdenking te ontzenuwen.

Vervolgens wil verdachte het hof doen geloven dat het louter toeval is dat zijn simkaart - die hij nooit uitleent - relatief kort ná de overval, namelijk op 14 januari 2006, in een van de gestolen gsm's was geplaatst.

Naar het oordeel van het hof zijn dit te veel toevalligheden bij elkaar. Verdachtes lezing wordt als hoogst onaannemelijk terzijde geschoven.

Tot slot overweegt het hof dat de door de raadsman aangehaalde bijzonderheden die door getuigen met betrekking tot de daders zijn vermeld, te weten dat door daders onderling in het Antilliaans/Surinaams werd gesproken en dat de huidskleur rond de ogen donker was, er niet aan in de weg staan dat verdachte als mededader bij de overval betrokken was.

Het hof merkt in dit verband op dat aangever/getuige [slachtoffer 1] gewag maakt van zes overvallers. Uit het dossier blijkt dat als medeverdachten onder andere Winklaar en Marselia zijn aan te merken en dat zij van Antilliaanse afkomst zijn. Voort merkt het hof op dat volgens deze getuige [slachtoffer 1] een van de daders een lichte huidskleur had. De stelling van de raadsman dat zijn cliënt niet bij de overval kan zijn betrokken reeds omdat hij geen donkere huidskleur heeft doch een lichte, bijna blanke, mist derhalve voldoende feitelijke grondslag.

De raadsman wordt derhalve niet gevolgd in zijn pleidooi voor vrijspraak ter zake het onder 1 ten laste gelegde.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde onder 1 is ten dele voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 312, eerste en tweede lid, aanhef en onder 2, juncto artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht

alsmede ten dele voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 317, eerste en derde lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Het bewezen verklaarde onder 2 is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 312, eerste en tweede lid, aanhef en onder 2, juncto artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het wordt gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten en de om-standigheden waaronder deze zijn begaan alsmede op grond van de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van het hof kan -anders dan de advocaat-generaal heeft gevorderd- niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder rekening gehouden met:

a. de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Het hof is van oordeel dat de bewezen verklaarde feiten telkens persoonlijk leed en angst teweeg moeten hebben gebracht bij de slachtoffers.

Bij deze bewezen verklaarde feiten werd toepassing van geweld of bedreiging met geweld met een op een koevoet, hamer of een mes niet geschuwd door verdachte en zijn mededaders. Aangenomen kan worden dat de slachtoffers van deze overvallen ernstig door het gebeurde zijn geschokt.

b. het gewelddadig karakter van het bewezen verklaarde en de maatschappelijke onrust die daarvan het gevolg is;

c. de omstandigheid dat de verdachte terzake diverse vermogensdelicten reeds eerder is veroordeeld;

Het hof zal overeenkomstig het bepaalde bij artikel 423, lid 4, van het Wetboek van Strafvordering, de straf voor het niet aan zijn oordeel onderworpen, door de rechtbank onder 3 en 4 bewezen verklaarde, te weten 3: "Poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en/of inklimming", en 4: "Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit is begaan met betrekking tot munitie van categorie II" en "Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit is begaan met betrekking tot munitie van categorie III, meermalen gepleegd" bepalen op een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden.

Naar het oordeel van het hof kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hiervoor vermeldde duur met zich brengt.

Daarbij heeft het hof de ernst van het door de eerste rechter bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd in aanmerking genomen.

Beslag

De na te melden inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, die bij gelegenheid van het onderzoek naar de door verdachte begane feiten zijn aangetroffen, en die aan verdachte toebehoren, dienen te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien het ongecontroleerde bezit van een en ander in strijd is met het algemeen belang en/of de wet.

Ten aanzien van de in de beslissing als zodanig te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen kan geen persoon als rechthebbende worden aangemerkt en daarvan zal het hof de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelasten.

De in beslag genomen en nog niet teruggegeven injectienaald zal worden teruggegeven aan de verdachte.

Schadevergoeding

De benadeelde partij [slachtoffer 1], wonende te [woonplaats], [adres 1], heeft in eerste aanleg een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van EUR 1.950,--, vermeerderd met de wettelijke rente, ingesteld. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen. De rechtbank heeft niet beslist op de gevorderde wettelijke rente.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij voornoemd als gevolg van verdachtes onder 1 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag.

Verdachte en zijn mededaders zijn naar burgerlijk recht aansprakelijk en tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is, met bepaling dat indien en voorzover een mededader aan de vordering heeft voldaan, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, en met een beslissing omtrent de kosten als hierna zal worden vermeld.

Het hof ziet aanleiding terzake de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht te treffen als na te melden.

De benadeelde partij [slachtoffer 2], wonende te [woonplaats], [adres], heeft in eerste aanleg een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van EUR 1.750,--, vermeerderd met de wettelijke rente, ingesteld. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen. De rechtbank heeft niet beslist op de gevorderde wettelijke rente.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij voornoemd als gevolg van verdachtes onder 1 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag.

Verdachte en zijn mededaders zijn naar burgerlijk recht aansprakelijk en tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is, met bepaling dat indien en voorzover een mededader aan de vordering heeft voldaan, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, en met een beslissing omtrent de kosten als hierna zal worden vermeld.

Het hof ziet aanleiding terzake de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht te treffen als na te melden.

De benadeelde partij [slachtoffer 4][benadeelde 1] wonende te [woonplaats], [adres], heeft in eerste aanleg een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van EUR 900,--, vermeerderd met de wettelijke rente, ingesteld. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen. De rechtbank heeft niet beslist op de gevorderde wettelijke rente.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij voornoemd als gevolg van verdachtes onder 1 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag.

Verdachte en zijn mededaders zijn naar burgerlijk recht aansprakelijk en tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is, met bepaling dat indien en voorzover een mededader aan de vordering heeft voldaan, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, en met een beslissing omtrent de kosten als hierna zal worden vermeld.

Het hof ziet aanleiding terzake de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht te treffen als na te melden.

De benadeelde partijen [slachtoffer 3] en [slachtoffer 5], beiden wonende te [woonplaats], [adres 2], hebben in eerste aanleg een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van EUR 35.000,-- ingesteld. Door de rechtbank zijn de benadeelde partijen vanwege de niet eenvoudige aard van de vordering daarin niet ontvankelijk verklaard, met bepaling dat deze vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

In hoger beroep hebben de benadeelde partijen zich binnen de grenzen van hun eerste vordering opnieuw gevoegd ter zake van geleden schade tot een bedrag van EUR. 21.000,--.

Deze vordering strekt tot vergoeding van geleden schade als gevolg van verdachtes onder 2 bewezen verklaarde handelen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat voormelde vordering niet van zo eenvoudige aard is dat deze zich leent voor behandeling in dit strafgeding.

Gelet hierop zal het hof bepalen dat de benadeelde partijen niet ontvankelijk zijn in hun vordering en dat die vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Het hof zal de benadeelde partijen veroordelen in de kosten van het geding door de verdachte ten behoeve van zijn verdediging tegen de vordering gemaakt, begroot op nihil.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 24c, 27, 36b, 36d, 36f, 57, 310, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt -voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen- het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

1. Diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

en

Afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

2. Diefstal, voorafgegaan en vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Verklaart verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren.

Bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Bepaalt de straf voor het niet aan het oordeel van het hof onderworpen, door de rechtbank bewezen verklaarde feiten onder 3 en 4 op een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen voorwerpen, ten aanzien waarvan nog geen last tot teruggave is gegeven, te weten:

Volgnr. 3011: 1 bivakmuts, kleur zwart.

Volgnr. 3176: 1 tapeband, TT ducktape, kleur grijs.

Volgnr. 3012: 1 pistoolholster, kleur zwart.

Volgnr. 3013: 9 stuks munitie, kleur goud, SMM, in glazen Davitamon-potje.

Volgnr. 3014: 50 stuks munitie, kleur koper, Eley Practice punt 22.

Volgnr. 3015: 33 stuks munitie, kleur goud, Luger 9Maasmechelen action,

Volgnr. 3016: 50 stuks munitie, kleur goud, Luger 9 mm action,

Volgnr. 3174: 1 mes, kleur zilver, stainless stiletto.

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de inbeslaggenomen voorwerpen, ten aanzien waarvan nog geen last tot teruggave is gegeven, te weten:

Volgnr. 32: 1 winkelpas, Gamma, nr. 2611014212242.

Volgnr. 36: 1 OV-jaarkaart kleur rose, ten name van [betrokkene].

Gelast de teruggave aan verdachte van het inbeslaggenomen voorwerp, ten aanzien waarvan nog geen last tot teruggave is gegeven, te weten:

Volgnr. 31: 1 injectienaald.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toe.

Veroordeelt verdachte om tegen bewijs van kwijting aan de benadeelde partij voornoemd te betalen een bedrag van EUR 1.950,-- (eenduizend negenhonderdvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente, berekend vanaf het tijdstip waarop het onder 1 bewezen verklaarde feit werd begaan tot aan de dag der algehele voldoening, met dien verstande dat indien en voorzover een mededader van verdachte aan deze vordering heeft voldaan de verdachte in zoverre van deze verplichting is bevrijd.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij voornoemd gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van [slachtoffer 1] voornoemd, een bedrag te betalen van EUR 1.950,-- (eenduizend negenhonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 39 (negendertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte en/of de mededader(s) heeft/hebben voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte en/of de mededader(s) heeft/hebben voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] toe.

Veroordeelt verdachte om tegen bewijs van kwijting aan de benadeelde partij voornoemd te betalen een bedrag van EUR 1.750,-- (eenduizend zevenhonderdvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente, berekend vanaf het tijdstip waarop het onder 1 bewezen verklaarde feit werd begaan tot aan de dag der algehele voldoening, met dien verstande dat indien en voorzover een mededader van verdachte aan deze vordering heeft voldaan de verdachte in zoverre van deze verplichting is bevrijd.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij voornoemd gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van [slachtoffer 2] voornoemd, een bedrag te betalen van EUR 1.750,-- (eenduizend zevenhonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 35 (vijfendertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte en/of de mededader(s) heeft/hebben voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte en/of de mededader(s) heeft/hebben voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4] toe.

Veroordeelt verdachte om tegen bewijs van kwijting aan de benadeelde partij voornoemd te betalen een bedrag van EUR 900,-- (negenhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente, berekend vanaf het tijdstip waarop het onder 1 bewezen verklaarde feit werd begaan tot aan de dag der algehele voldoening, met dien verstande dat indien en voorzover een mededader van verdachte aan deze vordering heeft voldaan de verdachte in zoverre van deze verplichting is bevrijd.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij voornoemd gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van [slachtoffer 1] voornoemd, een bedrag te betalen van EUR 900,-- (negenhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 18 (achttien) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte en/of de mededader(s) heeft/hebben voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte en/of de mededader(s) heeft/hebben voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Verklaart de benadeelde partijen [slachtoffer 3] en [slachtoffer 5] in hun vordering

van een bedrag van EUR 21.000,00 niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre hun vordering bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen.

Veroordeelt de benadeelde partijen voornoemd in de kosten van het geding door de verdachte gemaakt, begroot op nihil.

Aldus gewezen door

mr. J. Huurman-van Asten, voorzitter,

mr. M.J.H.J. de Vries-Leemans en mr. E.S.G.N.A.I. van de Griend,

in tegenwoordigheid van dhr. A.J.H.M. van Baast, griffier,

en op 9 maart 2007 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. M.J.H.J. de Vries-Leemans is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.